In de vroege middeleeuwen ontstond een vrijwel volledig agrarische
samenleving, waarin de meeste mensen van landbouw en veeteelt leefden.
Eerder – in de Romeinse tijd - was er nog sprake van een agrarisch-urbane
samenleving, waarin naast landbouw ook (opkomende) steden, handel en
nijverheid aanwezig waren.
Oorzaak-gevolg keten:
1. Val van het West-Romeinse Rijk (476)
2. Lokale edelen krijgen meer macht.
3. Oorlogen en onveiligheid nemen toe.
4. Reizen wordt moeilijker, handel neemt af.
5. Minder geldgebruik en opkomst van ruilhandel.
6. Ontstaan van autarkie (zelfvoorziening).
Door het wegvallen van Romeinse bescherming zochten boeren veiligheid op het
domein van een heer (zoals een koning, bisschop of klooster). Dit economische
systeem, waarin het domein centraal stond, wordt het domein- of hofstelsel
genoemd.
Mate van onderworpenheid:
1. Vrije boeren: zelfstandig, militaire dienstplicht.
2. Horigen: beperkt vrij, gebonden aan land en heer.
3. Lijfeigenen: volledig onderworpen, zonder bezit.
Standenmaatschappij: △
1. Geestelijken
2. Adel (grootgrondbezitters)
3. Boeren
Feodale stelsel (leenstelsel): △
Leenheren (hoogste=koning) gaven land (gouwen) in leen aan leenmannen
(klein: graven, groot: hertogen) die dit bestuurden en militaire steun gaven. Deze
leenmannen gaven delen verder door aan achterleenmannen en
achterachterleenmannen van de koning. Leenmannen legden een eed af, maar
beschouwden hun leen al snel als erfelijk bezit.
Karel Martel (ca. 690-741) liet zijn vazallen (ridders) een eed van trouw afleggen
en gaf hen boerderijen in leen als levensonderhoud. Karel de Grote (768-814)
koppelde het leenstelsel verder aan het bestuur door hogere bestuurders tot
leenmannen te maken.