Syncretisme: Combineren van nieuwe religies met bestaande overtuigingen,
wat het makkelijker maakte voor mensen om zich tot het christendom te
bekeren.
Kerstening: Bekering tot het christendom. Dit gebeurde in samenwerking met
de Frankische machthebbers en de paus. De Franken werden zo de machtigste
christelijke groep in Noordwest-Europa.
Missionarissen: zijn geestelijken die hun geloof verspreiden, zoals Willibrord en
Bonifatius die met Frankische steun de Friezen en Saksen bekeerden.
Reguliere geestelijken: Monniken die in kloosters leefden.
Seculiere geestelijken: Priesters die in de wereld leefden.
Hiërarchie (kerkelijke rangorde):
1. Paus (hoogste leider).
2. Bisschoppen (leiders bisdommen)
3. Pastoors (zorgden voor de lokale parochie: gemeente).
De islam ontstond in de 7e eeuw in Mekka. De profeet Mohammed bouwde voort
op joodse, christelijke en lokale tradities. De kaliefen (opvolgers van
Mohammed) bestuurden het islamitische rijk, gebaseerd op de sharia
(islamitische wet).
Veranderingen christelijke delen Europa (11e eeuw):
1. Versteviging van de macht van de katholieke kerk: ketters werden streng
gestraft door de inquisitie.
2. Expansie naar Oost-Europa door bevolkingsgroei.
3. Reconquista: Herovering van islamitische gebieden in Spanje en Portugal.
4. Kruistochten: Militaire expedities naar het Heilige Land, gericht op
Jeruzalem.
Gevolgen van expansie:
Militair: Spanje werd christelijk na de reconquista, maar christelijke
veroveringen in het oosten bleven tijdelijk.
Cultureel: Europese contacten met het Verre Oosten zorgden voor
wetenschappelijke vooruitgang en nieuwe uitvindingen via handelsposten,
dankzij de kruistochten.