Customized edition 2021
Goldstein - Kalat - Cacioppo - Freberg - van Hooff
,Deeltentamen 1
H1: Introduction
Cognitieve psychologie: studies van de geest (mind), onderzoek naar hoe de geest input
ontvangt.Definitie van de geest: creëert en controleert mentale functies, zoals perceptie,
aandacht, emotie, etc. Andere definitie: de geest is een systeem dat representatie creëert
van de wereld waardoor we onze doelen kunnen bereiken.
Geschiedenis:
Donders (1868): geïnteresseerd in de duur van beslissingen maken: reactietijd (tijd tussen
stimulus en gedrag)
1. simple reaction time:
2. go/no reaction time:
3. choice reaction time:
Reactie tijd is niet direct meetbaar; moet worden afgeleid uit worden uit gedrag
Wundt (1879): structuralisme (combineren van basiselementen: sensatie vormt ervaring).
Doel was om periodieke tabel van de geest te maken → analytic introspection
(omschrijven van gedachten, gevoelens en sensaties na stimulus, vergt training). Wordt
gezien als leider van de empirische benadering.
Ebbinghaus (1885): geïnteresseerd in de natuur van herinneren en vergeten. Ontdekte dat
herhalen van leren het leerproces versnelt: savings: de tijd die het minder kost om iets te
onthouden na het herhalen. Geheugen daalt snel na de eerste 2 dagen. Wat wel onthouden
wordt zit in het lange termijn geheugen: stabiel. Saving curve; stijgend want telkens beklijft
wat meer informatie; dus kost het minder tijd om dezelfde stof te behandelen.
Interleaving: verspreiden van leerdomeinen bevordert leren.
retrieval-based learning: herhaald ophalen van informatie bevordert leren
test-zelftest
nieuwe stof in perspectief brengen
afvragen ‘waarom’
William James (1890): rapporteren van eigen ervaringen.
Watson (1913): Behaviourism: alleen uitgaan van meetbaar observeerbaar gedrag (geen
emoties, redeneren en denken) dus effect stimulus op gedrag. Dit was als reactie op de te
vage onderzoeken voorheen, waar resultaten zeer individueel verschillend en er geen grote
conclusies getrokken konden worden. Omvat klassieke en operante conditionering
Skinner (1938): operant conditionering (positieve/ negatieve bekrachtiging → wel of niet
herhalen van bepaald gedrag): was niet geïnteresseerd in wat in de geest gebeurt, maar wat
het gedrag doet.
,Tolman (1948): Onderzoek met rat en stuk kaas, leerde dat kaas aan de rechterkant was.
Maar na omdraaien van de rat wist de rat dat het stuk kaas aan de linkerkant lag: cognitieve
map. Was bewijs dat stimulus en gedrag niet voldoende zijn om proces te verklaren.
Chomsky: ontdekte dat leren niet alleen komt door operant conditionering maar ook komt
door aangeboren capaciteit. Dit zorgde ervoor dat het belang van interne processen
belangrijker werd.
Cognitieve revolutie in 1950
Van behavioristen benadering van de mensen naar het ook onderzoeken van dingen die niet
waar te nemen zijn: cognitieve psychologie.
Informatieverwerkingsbenadering: geïnspireerd op computer: input → selectieve filter
(focussen wat van belang is) → detector (opslag van informatie) → geheugen.
Denk aan experiment met koptelefoon en links andere info dan rechts en kunnen afsluiten
van onnodige informatie: dichotic listening experiment
Artificial intelligence → programma: logic thorist ‘denkmachine’. Computer als
metafoor voor het brein.
Structurele modellen: structuren in brein → functie: 3D model: Het versimpelen van de
werkelijkheid zodat het hoofddoel makkelijk naar voren komt.
Procesmodellen: laten een cognitief proces zien: stappenproces van gonitieve
mechanismen. Vergemakkelijkt processen en bevordert onderzoek.
Onderzoeksmodellen: lijken op procesmodellen maar bevatten meer stappen (denk aan
piramide). Focussen op welk type en hoeveel mentale moeite een bepaald proces en taak
kost.
, H5: Visual Coding
Het zicht
Visuele codering is wat je waarneemt: hersenactiviteit verandert tijdens waarneming (groen
gras is de ervaring van licht dat op gras valt waarop neuronen in hersenen reageren).
Verschillende groepen neuronen zijn actief in verschillende situaties: specifieke
zenuwactiviteiten. Licht komt via opening van iris binnen in pupil → gefocust door lens en
hoornvlies (cornea) → en geprojecteerd op de retina (opp achterkant oog met visuele
receptoren) (dit gaat kruislings). In de retina: boodschappen lopen daar naar bipolaire
cellen → zenden boodschap naar ganglioncellen → komen samen met axonen en lopen
terug naar hersenen. Overige cellen zenden informatie naar andere bipolaire- macrine- en
ganglioncellen. Gevolg is blind spot: ganglioncellen vormen samen optische zenuw (optic
nerve) die naar buiten gaat door de achterkant van oog op plek waar geen receptoren zijn.
Dit gat wordt door hersenen opgevuld.
De fovea (gele vlek) is een klein gebied gespecialiseerd in acuut, gedetailleerd zicht;
receptoren zitten dicht op elkaar en axonen en ganglioncellen zijn bijna afwezig. Elke
bipolaire cel is gekoppeld aan een enkele midget ganglioncel. Zicht wordt bepaald door
wat we in fovea zien. De omliggende gebieden (periphery of the retina) zijn gevoeliger
voor gedimd licht, want bipolaire en ganglioncellen zijn met meer receptoren
samengevoegd.
Vogels hebben fovea in de bovenste helft→ goed naar beneden kijken.
Retina bevat staafjes (rod) (buitenkant retina en reageren op zwak licht) en kegeltjes
(cones) (dicht bij fovea reageren op helder licht en kleur). Er zijn meer staafjes maar kegels
zorgen voor 90% van input.
Beide hebben fotopigmenten (photo pigments) chemicaliën die energie zenden na het
zien van licht.
Kortste waarneembare golfelent is violet, andere zijn blauw, groen, geel, orangje en rood. Dit
wordt licht genoemd omdat receptoren in ogen ze opsporen.