De tweezwaardenleer verdeelde de macht in twee machtssferen: de
geestelijke macht en de wereldlijke macht. Paus en koningen waren
wederzijds afhankelijk: de kerk had bescherming van de staat nodig, en de staat
had de zegen van de kerk nodig om te regeren.
Na 1000 ontstond een machtsstrijd toen pausen, met de (vervalste) Schenking
van Constantijn, de hoogste wereldlijke macht opeisten. Dit conflict kwam vooral
tot uiting tussen de Duitse keizers en pausen en draaide om de benoeming van
bisschoppen. De keizer wilde iemand benoemen die hem gunstig gezind was,
terwijl de paus sprak van lekeninvestituur wanneer niet-geestelijken
benoemden. Deze strijd, bekend als de investituurstrijd, leidde in 1122 tot het
Concordaat van Worms: de paus verleende bisschoppen de geestelijke macht en
de keizer de wereldlijke. Hoge edelen bleven veel invloed houden, wat de macht
van de keizer beperkte en het Duitse rijk in kleine staten verdeelde.
Ondertussen probeerden koningen hun macht te centraliseren door vanuit één
plek te regeren. Dit stuitte op verzet van leenmannen, die hun macht wilden
behouden. Dankzij de opleving van handel en belastingheffing in geld konden
leenheren huursoldaten en ambtenaren inhuren, wat leidde tot staatsvorming.
Stedelingen verzetten zich, omdat ze zelfbestuur en rechtspraak wilden
behouden.
In Frankrijk slaagde de koning erin de macht te centraliseren, doorslaggevend
was zijn overwinning in de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tegen de Engelse
koning en hoge edelen. In Engeland begon de centralisatie vanaf 1066 onder
Willem de Veroveraar, maar verliep minder soepel. Door de Magna Carta moest
koning Jan zonder Land rekening houden met de adel en steden. In Europa
ontstonden parlementen, zoals de Staten-Generaal, waarin koningen
afspraken maakten met vertegenwoordigers van adel, geestelijkheid en burgers.