Pragmatische Geschiedfilosofie; Geschiedfilosofie Zonder Filosofe
Terpstra, Lars
Stdtnmr: 8360448
Kuukkanen beoogt de geschiedfilosofie meer praktisch te verbinden met de
academische geschiedbeoefening in het werk: "Need to Move from Truth-Functionality to
Performativity in Historiography". Hij legt hierbij de nadruk op de epistemische, retorische en
discursieve evaluaties.1 De focus van zijn pragmatische filosofie ligt niet op wat ‘waarheid’ is,
maar op hoe ‘waarheid’ wordt gecreëerd. De historiografie wordt beoordeeld op de
overtuigingskracht die zij uitdrukt. Deze benadering lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijk,
omdat de geschiedfilosofie haar cartesiaanse angst achter zich laat en praktischer wordt voor
de historicus. Er schuilt echter een gevaar in deze pragmatische toepassing van
geschiedfilosofie: de filosofie verliest haar filosofische karakter en wordt ‘slechts’ een
handleiding voor de historicus. Voor de historicus lijkt dit op het eerste gezicht prettig, maar
het gevaar hiervan is dat de geschiedfilosofie niet meer serieus wordt getoetst.
Geschiedfilosofen die zich bezighouden met fundamentele vragen over geschiedenis, die in
feite niet beantwoord kunnen worden, komen hierdoor niet meer tot hun recht.
Geschiedfilosofie hoeft niet complementair te zijn aan de geschiedbeoefening; een
pragmatisch geschiedfilosoof is in wezen gewoon een historicus.
Naar ‘Waarheid’ of naar ‘Waarheid’ toe
Kuukkanens argument draait om de verschuiving van het traditionele idee van
waarheidsfunctionaliteit naar performativiteit in de geschiedfilosofie. Waar traditionele
geschiedfilosofie zich richt op de vraag of historische narratieven waarheidsgetrouw zijn in de
zin dat ze de feiten van het verleden correct weergeven, stelt Kuukkanen dat de waarde van
historische werken niet primair ligt in de vraag naar waarheid, maar in hun rationaliteit en
overtuigingskracht.2 Historische werken moeten, volgens Kuukkanen, worden beoordeeld op
basis van drie evaluatiedimensies. Kuukkanen benadrukt dat historische interpretaties op drie
fundamentele dimensies beoordeeld moeten worden. De eerste dimensie, het epistemische,
richt zich op de coherentie, volledigheid en originaliteit van een interpretatie. Hieruit blijkt in
1
Jouni-Matti Kuukkanen, ‘Why We Need to Move from Truth-Functionality to Performativity in
Historiography’, History and Theory 54, nr. 2 (2015): 226-43.
2
Kuukkanen.
1
, welke mate een werk erin slaagt een samenhangend en vernieuwend inzicht te bieden in
historische gebeurtenissen. Daarnaast speelt de retorische dimensie een belangrijke rol; deze
meet de overtuigingskracht van de argumentatie en hoe goed deze aansluit bij de
verwachtingen van het publiek. Ten slotte is er de discursieve dimensie, die de mate evalueert
waarin een werk bijdraagt aan en in interactie staat met bestaande historiografische debatten.3
Samen vormen deze dimensies een pragmatisch kader dat verder gaat dan traditionele
waarheidsfunctionaliteit en nieuwe wegen opent voor het evalueren van historiografie.
Voor Kuukkanen is de vraag of een werk daadwerkelijk de geschiedenis 'correct'
weergeeft, minder belangrijk dan de vraag of het werk binnen zijn eigen context overtuigend
en rationeel is. Zoals Kuukkanen als voorbeeld aanhaalt wordt een werk als Christopher
Clarks The Sleepwalkers niet beoordeeld op de vraag of Europa werkelijk 'slaapwandelde'
naar de Eerste Wereldoorlog, maar of deze metafoor overtuigend is binnen het discours van
de historiografie.4
Deze benadering lijkt op het eerste gezicht nieuwe inzichten te genereren voor
geschiedfilosofen. De notie van ‘waarheid’ doet er in deze context feitelijk niet toe, maar de
weg naar ‘waarheid’. Dit roept echter de vraag op of de historicus dit niet al wezenlijk doet.
De Historicus houdt zich al bezig met uitspraken van andere historici en verwerpt of omarmt
deze. Het is een ondermijning van de filosofie zelf, die niet moet vervallen tot een bepaald
discours voor het beantwoorden van vragen in een specifiek vakgebied. Geschiedfilosofie
dient zich juist te richten op veel grotere, fundamentele vragen over de aard van
geschiedschrijving.
De Cartesiaanse Angst als Houvast
Het concept van de ‘cartesiaanse angst’ – de twijfel aan de kenbaarheid van de
waarheid – speelt een cruciale rol in de geschiedfilosofie. Dit idee, geformuleerd door
Bernstein en geïnspireerd door René Descartes, vraagt ons om alles in twijfel te trekken,
inclusief de mogelijkheid van het kennen van het verleden.5 De vraag of waarheid werkelijk
kenbaar is, dwingt ons om stil te staan bij de beperkingen van onze kennis. Historici gaan
vaak impliciet uit van de veronderstelling dat het verleden bestaat en dat dit verleden kan
worden gereconstrueerd door middel van de analyse van bronnen en documenten. Deze
aannames liggen ten grondslag aan de praktijk van geschiedschrijving: historici
3
Kuukkanen.
4
Kuukkanen.
5
Herman Paul, "H2 Actuele geschiedfilosofische thema's," in Als het verleden trekt: kernthema’s in de
geschiedfilosofie (Boom, 2024), 32-46.
2