GENEESKUNDE AANTEKENINGEN OP2
WEEK 1 – LES 1
Aantekeningen Les 1
Onderscheidt de 3 verschillende aderen:
Slagader is een slagader als hij van het hart wegloopt. Deze slagaders
bevatten in de meeste gevallen veel zuurstof in het bloed.
,Haarvaten zijn heel klein en de wandjes zijn erg dun. Stoffen kunnen hier
in- en uitgevoerd worden. Zuurstofrijkbloed veranderd hier in zuurstofarm
bloed.
Een ader is een bloedvat die bloed terug vervoerd naar het hart. Dit is
zuurstofarm bloed
Een bijzonder geval is de poortader: Dit is een belangrijk bloedvat die
zuurstofrijk bloed vervoerd van de darm naar de lever.
Atherosclerose
Leg de Pathofysiologie uit van de volgende shocks:
Hypovolemische shock:
Het verlies van vocht of een verschuiving van vocht naar een
extravasculaire ruimte. Vochtophoping in of rondom de longen
Cardiogene shock:
Wordt veroorzaakt door een direct verminderde hartfunctie. Door een
hartaandoening is het hart minder goed in staat het bloed rond te pompen
en de circulatie op pijl te houden. Het hart knijpt minder goed samen en
heeft niet voldoende kracht.
Obstructieve shock:
Distributieve shock:
WEEK 1 – LES 1
Aantekeningen E-college
Ons bloed zorgt voor transsport. Denk aan zuurstof, afvalstoffen,
voedingsstoffen, koolzuur en antistoffen. (Hormonen, medicijnen etc.)
Wat is een serum?
Serum is het vloeibare deel van bloed, nadat het bloed is gestold.
Het bestaat uit water met daarin opgeloste zouten en eiwitten.
Wat is plasma?
Een gele vloeistof waarin rode bloedcellen, witte bloedcellen en
bloedplaatjes rondzwemmen.
, De samenstelling van ons bloed:
Het grootste gedeelte van ons bloed is water.
Rode bloedcellen = Erytrocyten
Ronde schijfjes, zonder kern.
Functie Zuurstoftransport
Witte bloedcellen =
leukocyten
Diverse vormen, soms grillig
gevormde kern
Functie Afweer
Bloedplaatjes =
trombocyten
Kleine celfragmenten, geen kern
Functie Bloedstolling
Hoe ontstaat bloedstolling?
Bloedplaatjes (trombocyten) gaan stuk en zijn beschadigd >
Tromboplastine (actief) komt vrij > Tromboplastine gaat Protombine
(eiwit) in het bloedplasma omzetten naar Trombine (eiwit) > Trombine
(eiwit) gaat vervolgens Fibrinogeen (eiwit) in het bloedplasma omzetten
naar Fibrine draad.
Fibrine draad zijn de draden waardoor rode bloedcellen stoppen met de
doorbloeding en dan praat je over stolling.
Wat is er nodig voor bloedstolling?
1) Trombocyten
2) Stollingsfactoren = Eiwitten gemaakt in de lever
3) Vitamine K, uit de lever voor het aanmaken van fibrinogeen eiwit.
Een stolling die ontstaat in het lichaam kan zorgen voor een stolsel van
het bloed. Dan praten we over trombose. Een stolsel kan zorgen voor een
hartinfarct, herseninfarct en een volledige verstopping van het bloed.
Wat gebeurt er bij een bloedstolling?
1. Trombocyt gaat stuk
2. Tromboplastine komt vrij
3. Zet protrombine om in trombine
4. Die zet fibrinogeen om in fibrine
5. Fibrine maakt een fibrine draad wat zorgt voor bloedstolling
6. Rode bloedcellen kunnen er niet meer doorheen en het bloeden
stopt
Wanneer gaat bloed stollen?
WEEK 1 – LES 1
Aantekeningen Les 1
Onderscheidt de 3 verschillende aderen:
Slagader is een slagader als hij van het hart wegloopt. Deze slagaders
bevatten in de meeste gevallen veel zuurstof in het bloed.
,Haarvaten zijn heel klein en de wandjes zijn erg dun. Stoffen kunnen hier
in- en uitgevoerd worden. Zuurstofrijkbloed veranderd hier in zuurstofarm
bloed.
Een ader is een bloedvat die bloed terug vervoerd naar het hart. Dit is
zuurstofarm bloed
Een bijzonder geval is de poortader: Dit is een belangrijk bloedvat die
zuurstofrijk bloed vervoerd van de darm naar de lever.
Atherosclerose
Leg de Pathofysiologie uit van de volgende shocks:
Hypovolemische shock:
Het verlies van vocht of een verschuiving van vocht naar een
extravasculaire ruimte. Vochtophoping in of rondom de longen
Cardiogene shock:
Wordt veroorzaakt door een direct verminderde hartfunctie. Door een
hartaandoening is het hart minder goed in staat het bloed rond te pompen
en de circulatie op pijl te houden. Het hart knijpt minder goed samen en
heeft niet voldoende kracht.
Obstructieve shock:
Distributieve shock:
WEEK 1 – LES 1
Aantekeningen E-college
Ons bloed zorgt voor transsport. Denk aan zuurstof, afvalstoffen,
voedingsstoffen, koolzuur en antistoffen. (Hormonen, medicijnen etc.)
Wat is een serum?
Serum is het vloeibare deel van bloed, nadat het bloed is gestold.
Het bestaat uit water met daarin opgeloste zouten en eiwitten.
Wat is plasma?
Een gele vloeistof waarin rode bloedcellen, witte bloedcellen en
bloedplaatjes rondzwemmen.
, De samenstelling van ons bloed:
Het grootste gedeelte van ons bloed is water.
Rode bloedcellen = Erytrocyten
Ronde schijfjes, zonder kern.
Functie Zuurstoftransport
Witte bloedcellen =
leukocyten
Diverse vormen, soms grillig
gevormde kern
Functie Afweer
Bloedplaatjes =
trombocyten
Kleine celfragmenten, geen kern
Functie Bloedstolling
Hoe ontstaat bloedstolling?
Bloedplaatjes (trombocyten) gaan stuk en zijn beschadigd >
Tromboplastine (actief) komt vrij > Tromboplastine gaat Protombine
(eiwit) in het bloedplasma omzetten naar Trombine (eiwit) > Trombine
(eiwit) gaat vervolgens Fibrinogeen (eiwit) in het bloedplasma omzetten
naar Fibrine draad.
Fibrine draad zijn de draden waardoor rode bloedcellen stoppen met de
doorbloeding en dan praat je over stolling.
Wat is er nodig voor bloedstolling?
1) Trombocyten
2) Stollingsfactoren = Eiwitten gemaakt in de lever
3) Vitamine K, uit de lever voor het aanmaken van fibrinogeen eiwit.
Een stolling die ontstaat in het lichaam kan zorgen voor een stolsel van
het bloed. Dan praten we over trombose. Een stolsel kan zorgen voor een
hartinfarct, herseninfarct en een volledige verstopping van het bloed.
Wat gebeurt er bij een bloedstolling?
1. Trombocyt gaat stuk
2. Tromboplastine komt vrij
3. Zet protrombine om in trombine
4. Die zet fibrinogeen om in fibrine
5. Fibrine maakt een fibrine draad wat zorgt voor bloedstolling
6. Rode bloedcellen kunnen er niet meer doorheen en het bloeden
stopt
Wanneer gaat bloed stollen?