slagaders voeren bloed af en aan. nierlichaampje/lichaamoje vanb
bloeddruk aanvoerende arteriole Malpighu: bestaat uit kapsel van
hoog. bowman en de glomerulus
filtraat: door hoge druk perst vloeistof nierbuisje, rest van nefron, 3cm lang en
en kleine stoffen uit het bloed. loopt kronkelend tot de lis van Henle
filtraat komt in kapsel van Bowan. na de lis van Henle kronkelt buisje door
naar de verzamelbuizen (wordt urine
verzameld)
GLOMERUS BESTAAN UIT:
door de nierslagader verkrijgt de nier voldoende
zuurstof. Vanuit aorta een linker en rechter
nierslagader welke via de nierpoort zich NEFRONEN
vertakken in kleinere slagaders die de nierfilters cortex
ZZUUUURRSST TOOF F NIERSCHORS
of nefronen voeden. buitenste gedeelte, licht
filteren en afvoeren van afvalstoffen Medulla
reguleren van bloedvolume roodbruin
NIEREN
reguleren zuur-base-evernwicht bevinden de nier
reguleren van de bloeddruk (door enzym FUNCTIES: NIERMERG piramides/mergpiramides. Punt wijst naar
renine te produceren) de nierkelken in de nierbekken en de
vit. D in actieve vorm omzetten piramides worden gescheiden door
stimuleren aanmaak bloedcellen (door afgifte nierkolommen.
erytropoëtine )
FILTEREN EN AFVOEREN NIERBEKKEN pyelum
AFVALSTOFFEN trechtervormige buis waar urine
in verzameld wordt om
afgevoerd te worden.
nierkelken: vertakkingen van het
nierbekken
URINE URINE URINEBUIS
MICTIE LEIDERS
VROUWEN
BLAAS
3 a 4 cm lang,
opening door vagina
vanuit nierbekken naar de waar urinebuis de blaas vervoert alleen urine
interne/externe urethrale glad, hol en gespierd, urine
blaas verlaat gevoeliger voor urineweginfecties:
sluitspier regelen wordt opgeslagen. 3 openingen:
2 buisjes, 25/30 cm lang, 6 mm verdikking gladde spier: opening bevind zich dicht bij anale
urinestroom. 2 urineleider openingen waar
dik onvrijwillige sluitspier: houd opening
uitrekken blaaswand zorgt urine de blaas in komt. 1 opening
lopen achter het buikvlies via urinebuis gesloten
voor activeren van de urinebuis naar buiten toe
nierpoort naar achterste deel waar urinebuis door de
rekreceptoren en impulsen blaaswand is een spierlaag en MANNEN
blaas bekkenbodem gaat
via ruggenmerg en kan uitrekken
vervoert urine van nieren naar gevormd door skeletspieren,
bekkenbodemzenuwen wordt urine in opgeslagen lengte circa 20 cm
blaas *urinetransport vrijwillig aangestuurd'
terug naar blaas --> volle blaas? 500 ml, 12,5 cm kruist de prostaat, sluitspier en de
mictiereflex, aandrang lang d.m.v. peristaltiek penis (met zijn zwellichamen)
urineren past meer dan een liter in urine stroomt niet terug uit vervoert urine en sperma
14.1 & 14.2
200/500 ml urine blaas door bedekte (vanwege
plooien baarmoederslijmvlies)
urineleider openingen
, lichtgeel tot lichtoranje
geel door de pigment lichte zoute geur ong. 6 (licht zuur)
overgebleven na afbraak hb door inwerking bacteriën veranderingen in de
donkerder naarmate de urine ontstaat een ammoniakgeur stofwisselingen/voedingsmid
meer opgeloste stoffen bevat geur kan ander zijn door delen kunnen pH veranderen
andere kleur kan door medicatie, voeding of ziekte bij urineweginfectie vaak
aandoening/ziekte basisch (net als vegetariërs)
KLEUR GEUR PH
filtraat bavat hetzelfde als bloedplasma
KENMERKEN: (behalve eiwitten), water, voedingsstoffen en
VERSCHILLEN URINE EN noodzakelijke ionen worden nog verwijderd.
FILTRAAT: urine blijft over na stap 2 en 3, bevat
stikstofhoudende afvalstoffen, onnodige en
overtollige stoffen.
URINE
bij een urineproductie tussen de 100
OLIGURIE URINE iedere 24 uur ong. 1,0 tot 1,8L
en 400ml per dag
bestaat uit 95% uit water
ureum, creatinine, urinezuur, ionen.
minder geconcentreerd bij hoge vochtinname,
14.1
plaspillen of nierfalen.
bij minder dan 100ml urine per dag
ANURIE geconcentreerder bij onvoldoende vochtinname,
bijv. als bloeddruk glomeruli te laag
STAPPEN koorts, nierbekkenontsteking
is of als gevolg van een acute VORMING VAN: zit GEEN eiwit, glucose, bacteriën, bloedcellen,
ontsteking (reactie bloedtransfusie
pus en bilirubine in.
of verwondingen nieren)
HEROPNAME DOOR UITSCHEIDING
FILTRATIE DOOR DE CELLEN VAN DOOR DE CELLEN
DE GLOMERULI NIERBUISJE VAN NIERBUISJE
vocht (filtraat) wordt uit de bloedvaten geperst, filtraat bevat ook nuttige stoffen sommige stoffen stromen van
waarbij eiwitten en vetten achterblijven. (water, glucose, aminozuren en peritubulaire haarvaten
filtraat lijkt op bloedplasma ionen), deze nemen de nieren weer naar de nierbuisjes, of vanuit
alleen bij problemen glomeruli komen eiwitten en op (tubulaire heropname), nierbuisjes in filtraat terecht.
bloedcellen in urine in nierbuisje wordt dit teruggeleid belangrijk voor verwijderen
Oligurie/anurie via de peritubulaire haarvaten naar stoffen (zoals medicijnen en
het bloed creatinine).
, meer functies, bijv.
gladde spieren zorgen voor doorgang
5.1 skeletspieren verantwoordelijk voor:
bij bewegingen trekken
skeletspieren aan botten, zo
als bijproduct van
contractie genereren
stoffen inwendige lichaamsopeningen
(bijv. pupillen)
5.2 uiten van emoties
algemene mobiliteit zorgen voor stabiele
lichaamshouding
stabiliseren ze ook de
gewrichten.
spieractiviteiten warmte.
bijv. klappertanden: hier
haren overeind door gladde spieren
skeletspieren zorgen voor beschermende
5.5
reageren op veranderingen ook pezen belangrijk hierbij komt warmte bij vrij laag voor inwendige organen
BEWEGING HOUDING/LICHAAMS- GEWRICHTEN WARMTE AANVULLENDE
PRODUCEREN POSITIE HANDHAVEN STABILISEREN STABILISEREN FUNCTIES
onvrijwillig, langwerpig: spiervezels
stuwen stoffen langs bepaalde wegen.
spoelvormig, eenkernig, weinig
na zenuwimpuls kan de spiervezel samentrekken.
endomysium
efferente neuron (motorische eenheid) geleiden van
2 lagen: een cirkelvormige en
FUNCTIES centrale zenuwstelsel naar spieren
lengterichting STIMULATIE/SAMENTREKKEN
GLAD SPIERWEEFSEL neuromusculaire overgang --> overgang neuron
contractie langzaam en DWARSGESTREEPT WEEFSEL
naar spiervezel (zitten neurotransmitters)
voortdurend.
acetylcholine: specifieke neurotransmitter die
skeletspieren aanstuurt
op 1 plaats: in het hart
dwarsgestreept, eenkernig, HARTSPIERWEEFSEL SOORTEN SPIEREN EFFECT
LICHAAMSBEWEGING spierinactiviteit leidt tot spierzwakte-
onvrijwillig. afname --> atrofie
trekt redelijk constant samen spieractiviteit zorgt voor spieromvang,
spierkracht en uithoudingsvormogen.
DWARSGESTREEPT SPIERVERMOEIDHEID EN
ZUURSTOFTEKORT
verpakt in organen: skeletspieren. spiervermoeidheid en
bedekken skelet, vormen zuurstoftekort treed op als
lichaamscontouren (sixpack) spieren lange tijd intensief
langwerpige, cilindrische, 5.5 ONTWIKKELING
SPIERVEZELS gebruikt wordt (spier kan
meerkernige cellen (spiervezels) stoppen met samentrekken)
'vrijwillig', bewust aan te sturen. goede bloedtoevoer is nodig
(maar ook bij reflexen) endomysium: bindweefsel om elke spiervezel
voor zuurstof bij spieren om ze
kan met grote kracht perimysium: bindweefselomhulsel rond enkele omhulde
lang te kunnen gebruiken.
samentrekken, wel snek vermoeid. spiervezels --> daardoor wordt spierbundel gevord per gebied wordt het spierstelsel van een embryo opgebouwd, daarna
bij weinig zuurstof hoopt
bindweefsel epimysium: bindweefsel rond verschillende spierbundels zenuwen aangelegd.
melkzuur (afvalproduct) op in
versterkt/ondersteund spier --> uiteinden epimysium steken voorbij de spier uit en gaan na geboorte bewegingen baby reflexen, later pas spieren zelf kunnen
de spier (gevoel spierpijn).
beschermd voor scheuren over in een peesplaat (hecht spier indirect aan bot, beheren. (van boven naar beneden).
kraakbeen of andere bindweefsellaag.) halverwege puberteit ontwikkeling spiercontrole bereikt.
Prikkelbaarheid: vermogen om prikkel te ontvangen en goede doorbloeding en voeding zorgen voor gezond skeletspieren.
op te reageren spieren worden atrofisch als ze niet gebruikt worden.
Contractiliteit: vermogen spiervezels krachtig kunnen hoe ouder we worden, hoe minder spierweefsel (en dus lichaams
verkorten : <-> extensibiliteit (om uit te rekken) gewicht). bij 80 jaar neemt spierkracht ook af
,Ventrale: (ribben, hoofd, armen) bewegingen heupgewricht
grote borstspier (m. pectoralis major) grote bilspier (m. gluteus maximus)
-bedekt borstbeen, schoudergordel & eerste 6 ribben. aanhechting bij opperarmbeen, wand voorzijde oksel, voor adductie en buiging arm. middelste bilspier (m. gluteus medius)
tussenribspieren (extern/intern) heup-lendenspier (m. iliopsoas) bestaat uit: de darmbeenspier (m. iliacus) en de grote lendenspier (m. psoas major)
-liggen diep tussen de ribben, belangrijk voor het ademen (brengen ribbenkast omhoog en drukken deze in) Adductorspieren
spieren buikgordel: (ingewanden/wervelkolom) bewegingen kniegewricht
rechte buikspier (m. rectus abdominis) - van schaambeen naar ribbenkast, buigen wervelkolom, perst buikinhoud samen (bevalling) De hamstringgroep: de tweehoofdige dijspier (m. biceps femoris), de halfvliezige spier (m. semimembranosus) en de halfpezige spier (m.
externe schuine buikspier (m. obliquus externus abdominis) - lateraal bij buik, hecht aan darmbeen, voor zijdelings/buiging wervelkolom semitendinosus).
interne ,, (m. obliquus internus abdominis) - loopt precies andersom: omhoog, wel dezelfde functie. De kleermakerspier (m. sartorius)
dwarse buikspier (m. transversus abdominis) - diepste spier in buikwand, spiervezels lopen horizontaal, drukt buikinhoud samen. De vierhoofdige dijspier (m. quadriceps) bestaat uit vier spieren: de rechte dijspier (m. rectus femoris), de middelste brede spier (m. vastus
dorsale: (wervelkolom) medialis), de brede zijspier (m. vastus lateralis) en de brede middenspier (m. vastus intermedius).
monnikskapspieren (mm. trapezius) - van nek naar bovendeel romp, schouderblad & strekken het hoofd (antagonist bb-sb-tp) bewegingen bij de enkel en voet:
brede rugspieren (mm. latissimus dorsi) - 2 platte spieren bij onderrug, bij kracht arm naar beneden (zwemmen) voorste scheenbeenspier (m. tibialis anterior)
rugstrekker (m. erector spinae) - 3 spierkolommen over gehele lengte wervelkolom. strekken rug, weerstand vooroverbuigen lange teenstrekker (m. extensor digitorum longus)
ledenspieren (mm. quadratus lumborum) - dorsale buikwand, alle spieren samenwerken: strekking lendenwervelkolom. kuitbeenspier (bestaande uit de m. peroneus longus en m. peroneus brevis)
deltaspieren (mm. deltoideus) - driehoekig, vromen rondingen schouder, voor abductie van de armen De oppervlakkige kuitspier (m. gastrocnemius)
scholspier (m. soleus)
ONDERSTE
ROMPSPIEREN
LEDEMATEN
BOVENSTE
LEDEMATEN
HOOFD & ANATOMIE
schouder: grote borstsouer, brede rugspier en de deltaspier
HALSSPIEREN 5 BASISREGELS ellebooggewricht
SPIERACTIVITEIT 1. brachialis (m. brachialis)
2. tweehoofdige bovenarmspier (m. biceps brachii)
gezichtsspieren-kauwspieren 1. meeste spieren overbruggen sws één gewricht. 3. opperarm-spaakbeenspier (m. brachioradialis)
1. voorhoofdspier (m. frontalis) 2. grootste deel van spier ligt boven gewricht 4. triceps (m. triceps brachii)
- wenkbrouwen, schedel
2. oogkringspier (m. orbicularis oculi)
(proximaal).
3. Skeletspieren hebben oorsprong (origo) en
SPIEREN pols en vingers.
5. ulnaire handbuiger (m. flexor carpi ulnaris)
- ogen dichtdoen, turen, knipperen aanhechting (insertie). 6. radiale handbuiger (m. flexor carpi radialis)
3. mondkringspier (m. orbicularis oris) 4. Skeletspieren kunnen alleen trekken 7. diepe vingerbuiger (m. flexor digitorum profundus)
- mond sluiten, tuiten lippen (contraheren), niet duwen. 8. ulnaire handstrekker (m. extensor carpi ulnaris)
4. wangspier (m. buccinator) 5. Een skeletspier beweegt tijdens het 9. radiale handstrekker (m. extensor carpi radialis)
- maakt wang plat, samendrukt voedsel samentrekken van de aanhechting naar de BEWEGINGEN/ 10. gemeenschappelijke vingerstrekker (m. extensor digitorum communis)
5. grote jukspier (m. zygimaticus major) INTERACTIES (Zie blz 115)
oorsprong.
-uit mondhoek tot jukbeen, 'glimlachspier'
6. wangkauwspier (m. masseter)
-hoeken/tilt onderkaak, om kaak te sluiten
7. slaapspier (m. temporalis)
-slaapbeen, aan onderkaak, synergist wangspier
SOORTEN
LICHAAMSBEWEINGEN
5.3 & 5.4 INTERACTIES VAN
SKELETSPIEREN IN
HET LICHAAM
halsspieren
8. huidspier van hals (m. platysma)
- van borstspieren richting mond. mondhoeken naar
beneden spieren kunnen alleen trekken als ze aanspannen (kunnen niet duwen)
elke spier zit op minstens 2 punten vast, aanhechting (bewegend) beweegt naar oorsprong (vast)
9. borstbeen-sleutelbeen-tepelspier er is altijd een spier die een omgekeerd effect heeft ten opzichte van
tijdens contractie. (kunnen uitwisselbaar zijn bij sommige acties) (zie blz 108!!)
(m. sternocleidomastoideus) een andere. (meerdere werken samen)
flexie (buiging van gewricht waarbij 2 botten dichterbij komen): dorsaalflexie & anteflexie
-tweekoppige spier aan beide zijde nek. een aan agonist: spier die verantwoordelijk is voor bepaalde beweging
borstbeen en ander aan sleutelbeen en hecht zich
rotatie (draaiing rond zijn lente-as) abductie (verplaatsen ledemaat van de middellijn/mediane vlak.
adductie (tegenovergestelde abductie) circumductie (combi buigen, strekken, abductie en adductie. antagonisten: spier met tegenovergestelde werking
aan slaapbeen. samen samentrekken: hoofd
als 1 actief is, is de andere ontspannen.
buigen, aan 1 kant is hoofd kantelen. ook als je inversie/eversie - bewegingen van de voet
synergisten: spieren met dezelfde werking
moeite hebt met ademhalen. supinatie/pronatie - bewegingen spaakbeen en ellepijp
, follikelcellen van de rijpe follikels primordiale follikels: voorloperscellen van latere eicellen omgeven door enkele laag follikelcellen. als
maken oestrogenen, die voor de baby 1-2 miljoen, bij puberteit 400.000.
sec. gesl. ken. zorgen: FSH zorgt voor geactiveerde follikels, paar ondergaan meiose, vaak een dominante die door LH de
1. groter worden uitwendige eisprong ondergaat (blijft omhuld door follikelcellen (corona radiata). andere verschrompelen.
geslachtsdelen elke maand ovariële cyclus. oorzaak buikpijn onbekend, wss door uitrekking eierstok.
2. ontwikkeling borsten, wanneer 'gesprongen' eicel bevrucht wordt wordt als snel de tweede meiotische deling gemaakt
3. krijgen van schaamhaar waarbij zygote van 46 chromosomen ontstaat. eicel groot, kan embryo een poos voeden
4. toename vetweefsel
5. wijder worden bekken
6. menstruatie EICELPRODUCTIE
HORMOONPRODUCTIE
(DOOR EIERSTOKKEN)
15.5 & 15.6
XX, zonder (gevoeligheid voor) testosteron ontstaan vrouwelijke gesl. organen. FUNCTIES MENSTRATIE
(geen eierstokken!). CYCLUS
eerste teken puberteit: groter worden klierweefsel in borsten, de menarche
treed 2 jaar later op.
op 20 jarige leeftijd het vruchtbaarst, daarna daling functie eierstokken. de
oestrogeen productie daalt en eisprong wordt onregelmatiger en de HET FSH en LH sturen productie oestrogenen en progesteron eierstokken aan. fases
menstruatie korter. --> overgang. VROUWELIJK menstruatiecyclus zijn:
jaar niet meer gemenstrueerd? --> menopauze GESLACHTS- 1. menstruatiefase (0-4) - dikke baarmoederslijmvlies wordt afgebroken. gem.
50-150 ml bloed. o.i.v FSH beginnen follikels meer oestrogenen te produceren.
wanneer eierstokken niet meer gestimuleerd worden, beginnen geslachtorganen ORGAAN 2. proliferatiefase (5-14) -stimuleert door stijgend oestrogeengehalte,
te verschrompelen (vagina wordt droog en vaker infecties, prikkelbaarder voor
stemmingswisselingen, warmte-zweetaanvallen). bloedvoorziening baarm.slijmvl. -> dikker.
na menopauze stijgt het cholesterolgehalte door verlies oestrogenen en 3. secretiefase (15-28) - na eisprong produceert gele lichaam progesteron voor
botmassa neemt af verdere ontwikkeling en groei baarm.slijmvl.
(-> meer kans op hart- en vaatziekten en botbreuken) ONTWIKKELING
geen bevruchting? gele lichaam verschrompelt --> progesterongehalte neemt
ANATOMIE af --> bmslijmv. stoot af.
UITWENDIGE INWENDIGE
GESACHTSDELEN/ BORSTKLIEREN
GESLACHTSDELEN
VULVA
Eierstokken (ovaria)
aan beide zijde baarmoeder, vast aan ligamenten
vanusheuvel (mons pubis)--- verdikt gebied, bij beide geslachten, alleen bij vrouwen actief. alleen vol met follikels: een onrijpe eicel omgeven door vocht en follikelcellen die eicel
overdekt het schaambeen, met schaamhaar belangrijk bij voortplanting beschermd en voedt.
bedekt. daaronder de: tijdens puberteit neemt grootte toe door hormonen (vooral o.i.v FSH groeit follikel en krijgt meer vocht. eicel rijpt verder uit
buitenste schaamlippen (libia majora) --- oestrogenen), liggen voor de borstspieren. Graafse follikel: uitgegroeid, barst o.i.v LH open: eisprong/ovulatie. rest follikel ->
ook bedekt met schaamhaar bij de tepelhof (areola) steekt de tepel uit, zijn beide gele lichaam (corpus luteum).
binnenste schaamlippen (labia minora) --- gevoelig en daar bevinden de klieren van Montgomery (-> Eileiders
onbehaard bobbels, maken vettige afscheiding om soepel te houden). 10 cm lang, van eierstok naar baarmoeder. de wrijfende uiteinden 'trechter met
vestibulum (,, vaginae) --- tussen binnenste na geboorte maken borsten uit bloed het moedermelk. borst fimbriae' omgeven de eierstok deels en maken hierdoor vloeistofstroom aan
schaamlippen, bevindt de top van de bestaat uit gem. 9 lobben met daarin melkklieren met waardoor eicel in eileider drijft. in eileider wordt eicel door peristalstiek en
clitoris --- gevoelig met veel zenuwweefsel. 10/100 melkanaaltjes die uitkomen in de tepel. ze bestaat trilhaartjes naar baarmoeder vervoerd in 3 a 4 dagen.
inwendig lopen zwellichamen van de clitoris uit een verzamelholte (lobulus) met daaromheen melk Baarmoeder (uterus)
aan weerzijden langs de urinebuis en de producerende cellen (alveolaire klieren) met daaromheen ligt aan ligamenten in bekken tussen blaas en rectum, zet uit bij zwangerschap.
vagina, zwellen op bij opwinding spiercellen die samentrekken door het hormoon oxytocine. baarmoedermond (cervix) mond uit in vagina. heeft een endo (slijmvlies), myo
klieren van Bartholin --- aan weerzijden rest borst bestaat uit steunweefsel en vetweefsel, (glad spierweefsel) en perimetrium (bindweefselvlies)
vaginaopening. scheidt vocht uit wat werkt hoeveelheid melk alleen afhankelijk van hoeveelheid Vagina
als glijmiddel, perineum: deel tussen vagina melkklierweefsel. gespierd, elastisch en 8/10 cm lang, ligt tussen blaas en rectum. geboortekanaal
en anus
baby & afvoerruimte menstruatiebloed. maagdenvlies houd vagina afgesloten.
, de Leydig-cellen (tussen de zaadkanaaltjes) maken geslachtshormonen --> belangrijkste is
terstosteron (in mannelijk embryo al gemaakt voor ontwikkeling geslachtsorganen)
FSH zet de zaadkanaaltjes aan om zc te produceren (vanaf puberteit)
LH zet de Leydig-cellen aan om testosteron te maken.
stijging testosteronproductie puberteit zorgt voor groeispurt, omvang geslachtsorganen en
stimuleert libido en ontwikkeling secundaire geslachtskenmerken.
1. lagere stem (door groter worden strottenhoofd)
2. toename haargroei
TESTOSTERON
3. toename spiermassa
PRODUCTIE
4. toename botmassa, (door lengtegroei en verdikking botten)
geslachtschromosomen X & Y (voor ontwikkeling zaadballen ->
SPERMATOGENESE FUNCTIES testosteron -> mannelijke gesl. organen.)
gesl. organen ontwikkelen vanaf 8e embryonale week.
intersekse: bij geboorte mannelijke en vrouwelijke gesl.
spermatogenese: vorming zaadcellen, begint bij puberteit. kenmerken.
man maakt elke dag 100 miljoen zaad cellen, vorming verloopt als volgt: HET maand voor geboorte zakken zaadballen (gevormd in
1. in zaadkanaaltjes (in zaadballen) worden voorlopercellen van spermatogonia gevormd MANNELIJK buikholte) in de balzak in (gebeurd dit niet?-> cryptorchisme ->
2. via meiose ontstaan spermatiden met 23 chromosomen GESLACHTS- onvruchtbaarheid, kanker)
in de puberteit gaan de gesl. organen groeien en functioneren
3. spermatiden rijpen tot zaadcellen, overtollig cytoplasma verdwijnt en zweepstaart
ontwikkeld, daarna door peristaltische bewegingen bij bijballen verder rijpen
ORGAAN o.i.v stijgende hormoon gehaltes.
ONTWIKKELING eerst zaadballen en balzak groter, daarna beharing, en penis
proces voorloper cel tot zaadcel duurt 64 tot 72 dagen. groeit nog een jaar of 2 verder uit. wanneer rijpe zaadcellen in
zaadcel heeft kop met celkern en DNA, met als helm het acresoom: laag enzymen die sperma aanwezig is is hij seksueel gerijpt. als uitscheiding
helpen bij afbreken kapsel rondom de eicel. middenstuk voor energie, en zweepstaart voor testosteron nog niet in balans is onverwacht erecties en
zwemfunctie ANATOMIE nachtelijke zaadlozingen.
geen menopauze, wel afname testosteronproductie
INWENDIGE UITWENDIGE VORMING
GESLACHTSDELEN GESLACHTSDELEN SPERMA
urinebuis (urethra)
omgeven door zwellichamen. (als deze vullen met bloed: erectie). balzak (scrotum) sperma is wit, kleverig, en een mengsel van zaadcellen en zaadvocht
bij voldoende seksuele prikkeling: orgasme, met zaadlozing of ejaculatie. zit zaadballen, bijballen en eerste stuk zaadleiders (voor bescherming en beweging). in zure omgeving traag, vocht is
vanuit blaas naar eikel, vervoert sperma en urine (niet op hetzelfde zaadballen zitten daar voor lagere temp zaadcellen basisch dus helpt zure omgeving vagina te neutraliseren. sperma bevat
moment) bij kou trekken spiertjes huid balzak samen - balzak ook chemicaliën om bacteriën te vernietigen.
zaadbal: duwt zaadballen dichter naar de warmte zaadvocht komt van:
ong. 4 cm lang en 2,5 breed. aan zaadstreng verbonden: perineum: deel tussen balzak en anus 1. 2 zaadblaasjes:
bindweefselschede met bloedvaten, zenuwen en zaadleider. penis 6/7 cm lang, aan basis van de blaas. maakt 60% van zaadvocht. rijk
omgeven door wit tunica albuginea en verdeeld in groot aantal lobben de eikel (glans) bevat zenuwweefsel en daarom aan fructose, vit.C, prostaglandines etc. komt uit in zaadleiders.
met zaadkanaaltjes (worden zaadcellen gemaakt). & liggen tussen gevoelig, en is bedenkt door de voorhuid (preputium) 2. prostaat:
Leydigcellen
cirkelvormige klier (grote van walnoot), ligt om urinebuis heen onder de
bijbal (epididymis)
blaas. bij zaadlozing trekt prostaat samen en gaat vocht (melkachtig
komvormig, ligt achter de zaadbal. bestaat uit 6 meter gekronkelde buis
en voor activeren zc) naar zc.
15.1, 15.2 & 15.6
waar zaadcellen uitrijpen. (bij zaadlozing trekken wanden samen)
3. 2 klieren van Cowper:
zaadleider (ductus deferens)
klein (grote van een erwt), scheiden voor zaadlozing dikke, heldere stof
halve meter lang, loopt van bijbal door zaadstreng naar urinebuis.
af: voorvocht. - neutraliseerd afgebleven zure urine & glijmiddel
bij vasectomie wordt deze doorgesneden (zaadcellen lichaam niet
verlaten)
, de partus (bevalling) vindt meestal tussen de 37e en de 42e tijd tussen echte ween begint na geboorte totdat
week plaats. totdat baarm.mond van volledige ontsluiting tot placenta geboren is. de
laatste weken oestrogeengehalte in bloed moeder het hoogst 'ontsloten' is (10 cm). de geboorte kind. bij de ween na de geboorte
waardoor oxytocinereceptoren op cellen spierlaag van baarm. contracties beginnen zwak persdrang geeft moeder drukken de bloedvaten van
ontstaan & invloed progesteron tegen gaat. (ontspant spieren en in het bovenste deel. de naars haar persweeën druk de baarmoeder dicht om
bm)--> voorweeën beginnen en gaan over in echte weeën als baarm.mond verstijkt en de om de baby naar buiten te bloedverlies te beperken,
foetus oxytocine maakt die placenta prostaglandines laat vliezen breken. deze fase drukken. hooft eerst, daarna waardoor placenta loslaat.
maken. zorgt voor vaker/sterker samentrekken baarm. duurt 6-12 uur) lichaam (20m-2uur). (15m na bevalling)
1: 2: 3:
PARTUS UITDRIJVINGSFASE
ONTSLUITINGSFASE NAGEBOORTEFASE
15.4
BEVALLING
BEVRUCHTING BORSTVOEDING
zaadcel probeert bij eicel te komen, zaadcellen kunnen tot 5 dagen na het progesterongehalte daalt na geboorte placenta, waardoor productie
zaadlozing de 12/24 uur levende eicel bevruchten. moedermelk begint.
zaadcellen bevinden zich na 1 a 2 uur in eileiders ZWANGER door de zoekreflex kunnen baby's de tepel vinden, doen hun mond wijd open
emzymen uit het acrosoom van de eicel bereikte zwemende zaadcellen breken SCHAP& door de hapreflex en zuigen als ze de tepel tegen hun gehemelte voelen door
hun verbinding af tussen follikelcellen die de corona radiata vormen.
wanneer bij de corona radiata een paadje gevormd is proberen zaadcellen door
EMBRYONALE de zuigreflex. door dit zuigen komt oxytocine vrij waardoor de baarmoeder
membraan eicel te komen door het met hun enzym te verzwakken.
ONTWIKKELING sneller krimpt en melkkanaaltjes samentrekken: toeschietreflex.
eerde dagen weinig melk (:geconcentreerde, goudgele colostrum). deze
wanneer het 1 zaadcel lukt met zijn kop door het membraan te komen zorgt de
bevat veel voedingsstoffen en antistoffen. als baby vaak voeding krijgt vormen
eicel dat er geen toegang meer is voor andere.
eicel maakt 2e meiotische deling af en genetische materialen smelten samen: er veel prolactinereceptoren op cellen van melkklierweefsel wat het
bevruchting. de zygote is compleet. vergemakkelijkt. na paar dagen wittere kleur.
EMBRYONALE EN FOETALE
GEVOLGEN ZWANGERSCHAP BIJ VROUW
ONTWIKKELING
na bevruchting reist zygote door peristaltiek en trilhaartjes naar de baarmoeder, waar ze baarmoeder groeit --- 16e week bezit ze de bekkenholte en groeit ze verder richting
onderweg al mitotische celdelingen maakt. na 3 dagen bereikt de morula de baarmoeder. buikholte, drukt organen tegen middenrif aan, ribben wijken. toenemende massa buikholte
(-> moerbeistadium) zorgt voor rugpijn.
embryo ontwikkelt zich verder tot ong. 100 cellen: blastocyste, deze scheid het hormoon hCG geboortekanaal wordt wijder --- placenta maakt hormoon relaxine aan: ligamenten bekken
(zwangerschapstest) af: spoort gele lich. tot productie progesteron. en schaambeen verslappen.
7e dag na eisprong begint de innesteling (duurt 7 dagen). behoefte voedingsstoffen neemt toe
cellen blastocyste vormt 3 kiembladen: binnenste endoderm (darmen, alvleesklier, lever, borsten groeien --- klierweefsel o.i.v. progesteron voorbereid voor aanmaken moedermelk.
slijmvliezen en klieren), mesoderm (skelet, spieren, voortplantingsorganen) en de ectoderm maag-darmkanaal --- door verandering hormonen in bloed, en de zuurbranden (door
(opperhuid, zenuwstelsel, ogen) verdrukking groeiende baarm), vaker misselijk. ook eerder verstopt door vermindering
cellen onderkant blastocyste groeien uit tot uitstulpingen (chorionvlokken), deze smelten samen bewegelijkheid darmen.
met het bm.weefsel en vormt de placenta. urinewegstelsel --- nieren moeten ook afvalstoffen van de foetus filteren en baarm. drukt op
de navelstreng (verbinding embryo en placenta) bestaat uit bindweefsel waarin 2 slagaders en 1 blaas dus vaker urineren.
ader door lopen. voor aanvoer voedingsstoffen/O2 en afvoer afvalstoffen en CO2. rondom ademhalingsstelsel --- slijmvliezen neus zwellen op door toename oestrogenen dus vaker
embryo amnion met vruchtwater in vruchtvliezen. verstopt/bloedneus. aantal ademhalingen/min neemt toe maar longinhoud neemt af.
vanaf 3e week werkt placenta. zorgt voor voeding etc., progesteron en voor buffer als hart- en vaatstelsel --- bloedvolume stijgt met 25 tot 40% om behoefte foetus te voldoen,
afweerstelsel (zodat een de andere niet afstoot). waardoor hartfrequentie toe neemt. baarm. drukt op bloedv. in bekken met gevolgen.
einde 8e week (foetus) zijn beginsels organen/weefsels aangelegd.