onderzoeksmethoden en statistiek
Learingscientists.org à leerstrategieën
- Herhaling
- “Wat weet je al’’ vul dit aan en leer dit (leer wat je niet weet)
Kwalitatief onderzoek is niet lineair: je wisselt continu tussen verschillende fasen: interatieve
karakter.
● Bronnen van informatie:
Intuïtie, Ervaring, Autoriteit, Wetenschap (soort autoriteit)
● Kenmerken wetenschappelijke theorie:
Ondersteund door data, falsifieerbaar, spaarzaam
● Kenmerken wetenschappelijk onderzoek:
Empirisch, Controleerbaar, Probabilistisch
→ Het idee wordt onderzocht welke gegevens die daaruit voortkomen zij wel of niet ondersteunend
(waar of niet waar doet er niet toe) (ondersteund door wetenschappelijke data).- Onderzoeksvragen:
Fundamenteel (basic) & Toegepast (applied)
- Onderzoeksontwerp: Kwantitatief & Kwalitatief →voornaamste doel: bepaalde aspecten
menselijke leven begrijpen (sociaal fenomeen)waar het zich plaatsvindt (natuurlijke context)
(hooligans). Startpunt voor nieuwe theorie of het aanpassen hiervan.
● Opbouw onderzoek:
1. idee/theorie
2. onderzoeksvragen (betrekking op motieven)
3. onderzoeksontwerp
4. hypothesen
5. data verzameling
6. data-analyse
● Kenmerken kwalitatief onderzoek:
1. geïnteresseerd in natuurlijke omgeving van de respondent
2. contextuele benadering
3. perspectief respondent staat centraal
● Onderzoeksvraag kwalitatief onderzoek SPI(C)E (heeft betrekking op motieven)
S setting = afgebakende context waarin het fenomeen voorkomt
P perspective/ population = wie binnen afgebakende context wordt ondervraagd,
perspectief van participanten (steekproef)
I interest = wat, fenomeen waarin geïnteresseerd bent, wat je zou observeren: ‘wat is
het onderwerp’.
© Comparison = vergeleken met wie/wat (welke vergelijking wordt gemaakt)
,E evaluation = met welk resultaat, wat wordt er onderzocht/ waar wil je inzicht op
krijgen (visie op/ ervaringen met, etc)
,HC 2: Data-verzamelen in kwalitatief onderzoek
Kwalitatief interview:
Participant aan het woord (open vragen): ideeën, motieven, ervaringen, gedragingen.
→ - informant
- respondent
Interviewer alleen vragen stellen (doorvragen), het bewust zijn van non-verbale signalen → NIET
STUREN en onderzoeker is nadrukkelijk aanwezig bij dataverzameling. Verstandhouding (rapport)
interviewer en geïnterviewde van belang.
Focusgroep:
Interactie tussen deelnemers: vullen elkaar aan (interactie belangrijk onderzoeker). Anonimiteit en
vertrouwelijkheid zijn lastig(er) te waarborgen. Onderwerp is een meer specifiek en interviewer
taak van moderator. Homogene groep qua achtergrond van belang (veiligheid delen informatie),
maar heterogene ervaringen.
Soorten interviews:
kwalitatief
1. Ongestructureerd: Interviewer laat participant aan het woord: verloop hangt af van wat er
gezegd wordt. (kleine aantekeningen).
2. Semi-gestructureerd: Interviewer lijst met vragen die gesteld moeten worden, maar wel in
gespreksvorm
Survey:
3. bovenstaande aspecten worden vooraf vastgelegd door de interviewer.
Steekproeven
(deelnemers steekproef: subjecten)
1. doelgerichte steekproef (purposive sample)
- case study logic
- sample for range
2. Gemakssteekproef (Convenience sample): De onderzoeker gebruikt participanten die
eenvoudig te bereiken zijn
3. Quota steekproef: Een doelgerichte of gemakssteekproef met een voorwaarde voor aantallen
binnen groepen. Ratio man/ vrouw, etnischiteit.
4. Sneeuwbal steekproef: Een vorm van doelgerichte steekproef waar de onderzoeker de
deelnemers vraagt één of meer anderen aan te bevelen.
5. Sequentiële steekproeven: gegevens verzameld in een logisch geordend proces en
beoordeeld aan vooropgestelde criteria. Eerste participanten geven nieuwe belangrijke
informatie, daar wordt verder onderzoek naar gedaan. (aanpassen onderzoek gaandeweg).
Dmv doelgerichte steekproef ‘nieuwe’ groep ondervraagt: interactief proces stopt wanneer
geen verdere informatie te behalen valt: saturatie.
Gesprekken worden vaak op genomenen: volledig transcript van gemaakt, daarna opzoek naar inhoud.
Tijdens het gesprek maakt onderzoeker field notes.
, Onderzoeksontwerp:
1. Hoe wordt data verzameld
- observeren
1. participerend (etnografisch onderzoek) - niet-participerend
(mogelijkheid tot misinterpretaties - objectieve observaties)
2. verhuld - onverhuld (weten mensen dat ze geobserveerd worden?) mensen
kunnen zich anders voordoen.
3. systematisch - niet-systematisch: lijst waar observant rekening mee houdt.
2. Bij wie/ waar wordt data verzameld?
- Site; plaats van observatie (toegang) (gatekeeper/ key informant)
- SPI(C)E → perspective/ population
Hoe ziet de data eruit?
1. directe observaties: chronologisch, fysieke beschrijvingen, specifieke situaties
2. inferenties: interpretatie van onderzoeker
3. koppeling observaties aan theorie
Kwaliteit van data:
Gedrag kan veranderen door aanwezigheid/ gedrag van onderzoeker: reactiviteit. (hawthorne effect)
→ Alternatief: bestaande gegevens (cbs/ PISA) kunnen secundaire data (primair misschien wel
redactief, nu niet)zijn.
Verschillende soorten data → steekproef voor verschillende data methodes (boeken, tv, etc). Maar
toegankelijkheid van bestaande gegevens: lastig in gebruik, duur en ethische bezwaren. En voldoet het
aan onderzoeksvraag?