1. DEFINITIES
Obesitas = overtollige vetopstapeling
1.1. BODY MASS INDEX (BMI)
BMI (kg/m2) = lichaamsgewicht in kg / lengte in meter in het kwadraat
o Wordt gebruikt voor het inschatten van de hoeveelheid lichaamsvet in de klinische praktijk
1.2. LICHAAMSVETVERDELING
Verdeling van lichaamsvet over het lichaam is ook een belangrijke factor voor het bepalen van het
morbiditeits- en mortalitsrisico van de patiënt
Abdomale vetverdeling (androïde, viscerale of appelvormige obesitas) is geassoceerd met een hoger
gezondheidsrisico dan een meer perifere vetverdeling (gynoïde of peervormige obesitas)
D.m.v. het meten van de middelomtrek
o M.b.v. een lintmeter wordt de middelomtrek gemeten op het middelpunt tussen de onderste rib en
de crista iliaca; voor het correct aflezen mag de lintmeter de huid niet samendrukken en moet deze
evenwijdig zijn met de grond; meting gebeurt op het einde van een normale uitademing
Middelomtrek is een onafhankelijke voorspellende factor (hoewel er een correlatie bestaat met BMI)
o Hoge middelomtrek is geassocieerd met een toegenomen risico voor T2D, dyslipidemie, hypertensie
Cut-offs (voor hoger risico op metabool syndroom) verschillen afhankelijk van land/etnische origine
, o
1.3. EDMONTON OBESIT Y STAGING SYSTEM (EOSS)
BMI = goed beeld van de prevalentie van overgewicht/obesitas op populatieniveau, maar zegt weinig over
het individuele gezondheidsrisico dat een persoon met overgewicht/obesitas loop
EOSS = geeft de ernst van overgewicht/obesitas weer rekening houdend met in welke mate
overgewicht/obesitas leidt tot ontwikkelen van medische risicofactoren (bv. hoge BD, dyslipidemie),
lichamelijke en psychologische klachten, negatieve weerslag op welzijn en/of functionele beperkingen
o Naargelang de ernst onderscheidt men 4 stadia binnen deze EOSS classificatie
,2. PREVALENTIE
Frequentie van obesitas neemt wereldwijd toe
o Toename ook in landen in ontwikkeling en ‘groeilanden’ (bv. China, India)
o Ook meer en meer kinderen en adolescenten hoge prevalentie T2D in VS op jeugdige leeftijd
3. ETIOLOGIE
3.1. SECUNDAIRE VORMEN
Bij slechts een minderheid kadert het teveel aan lichaamsvet in een welomschreven ziektebeeld
Bv. genetische afwijkingen (bv. leptine deficiëntie), endocriene stoornissen (bv. Cushing, hypothyroïdie, insulinoma) of letsels van
ventromediale hypothalamus (bv. craniofaryngioom)
3.2. ERFELIJKE VERSU S OMGEVINGSFACTOREN
Multifactorieel
Erfelijke factoren: polygenetisch (‘Obesity runs in families’)
Omgevingsfactoren: essentiële rol in het toenemend lichaamsgewicht van de bevolking
3.3. ADIPOSITAS IS STEEDS HET GEVOLG VAN EEN POSITIEVE ENERGIEBALANS
Te veel lichaamsvet bewijst slechts dat in het verleden de energiebalans van een persoon positief is
geweest: de persoon heeft meer energie tot zich genomen dan voor zijn verbruik noodzakelijk was
o Overschot aan energie heeft hij dan in de vorm van vet opgestapeld
Energievergelijking: energie-opname = energieverbruik + energie-opslag
Positieve energiebalans t.g.v. van een te grote energietoevoer of van een te klein energieverbruik
Energieverbruik over 24 uren kan worden opgesplitst in 3 componenten
o Ruststofwisseling = 60-65%
De min of meer constante hoeveelheid energie nodig voor het functioneren van het lichaam in
rust in basale omstandigheden
Omvat energie voor o.a. de werking van de bloedsomloop en de ademhaling, en voor normale in
nuchtere toestand verlopende stofwisselingsprocessen
Majeure determinanten: vet-vrije lichaamsmassa (totaal gewicht – vetmassa), eiwit-turnover
en schildklierhormoon
o Thermogenese = 15%
Energieverbruik in rust dat niet tot de ruststofwisseling kan worden gerekend
Staat voor energie die nodig is voor vertering, absorptie, metabolisme en opslag van voedsel
(thermogeen effect van voedsel) en voor de effecten van blootstelling aan koude, van
thermogene agentia en van psychologische invloeden en stress
Bij de mens vormt het thermogeen effect van voedsel (DIT, Diet Induced Thermogenesesis) de
belangrijkste component van de thermogenese
o Activiteitenstofwisseling = 15-20%, afhankelijk van duur en intensiteit van spierarbeid
Extra energieverbruik tijdens en na fysieke activiteit en de extra energie nodig voor groei,
herstel van ziekte/verwonding, zwangerschap en lactatie
, 3.4. I S H ET E NER GIEV ERB RU IK VERL AAG D BIJ A DI POS IT AS ?
In absolute termen is het rustmetabolisme van mensen die leven met obesitas hoger dan deze van magere personen; per kilogram
vetvrije lichaamsmassa is zij echter identiek bij mensen met en zonder obesitas
Thermogeen effect van voedsel is bij sommige mensen met obesitas verlaag (vooral bij mensen die obees zijn sinds kinderleeftijd)
maar compenseert het hogere rustmetabolisme niet, zodat het over 24 uren gemeten energieverbruik in rust (ruststofwisseling + DIT)
bij mensen met obesitas hoger ligt dan bij magere personen
Geen verschil in spierarbeid tussen mensen met obesitas en magere controlepersonen
Conclusie: totale energieverbruik van mensen met obesitas is verhoogd
o Om de energiebalans te handhaven ligt de energie-opanme bij mensen met obesitas dan ook hoger dan bij magere, sedentaire
controle-personen
o Praktisch gevolg: na een periode van vermagering is een aangehouden beperking van de energie-opneming noodzakelijk om
het lichaamsgewicht op een lager niveau te behouden
4. GEVOLGEN
De gevolgen van obesitas liggen op 3 vlakken: mentaal, mechanisch en metabool
Mentaal: meer risico op depressie, angststoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, vertroebeld zelfbeeld
Mechanisch: meer risico op artrose, reflux, incontinentie, slaapapnee, intertrigo
Metabool: verminderde levensverwachting door een verhoogde CV risico (metabool syndroom,
dyslipidemie, AHT, CV lijden, T2D), maar ook door andere metabole stoornissen die het gevolg zijn van
overgewicht/obesitas (jicht, hepatosteatose/MASLD, cholelithiase, kanker, PCOS, infertiliteit)
o Metabole gevolgen zijn vooral te wijten aan verhoogde opstapeling van vet abdominaal
o Abdominale vet is metabool actief (nl. snel mobiliseerbaar als vrije vetzuren) en zet inflammatoire
substanties vrij (cytokines, O2 radicalen, …) effecten die samen de lever zullen vervetten en
insulineweerstandig maken metabool syndroom en alle CV gevolgen vandien
Opmerking: definitie metabool syndroom
o Abdominale obesitas (man >94 cm; vrouw > 80 cm)
o Glucose-intolerantie/insulineweerstandigheid
o Hypertensie
o Atherogene dyslipidemie (verhoogde TGs, verlaagde HDL)
o Pro-inflammatoire/pro-thrombotische status
Inschatten van de gevolgen van obesitas d.m.v. EOSS
o = elegante manier om de antropometrische data (gewicht, lengte, BMI, buikomtrek) aan te vullen en
helpt mee bepalen hoe intensief een gewichtsprobleem dient aangepakt te worden
o EOSS = 0-1 levenstijlmaatregelen
o EOSS = 2-3-4 aanvullende farmacotherapie of chirurgie kan in overweging worden genomen om
patiënten te helpen bij hun gewichtsmanagement
5. BEHANDELING
5.1. DOELSTELLINGEN
Bij de meeste volwassenen loopt het lichaamsgewicht progressief op met ongeveer 0.25kg/jaar
o Op populatie-niveau is stabilisatie van het gemiddeld gewicht dus een eerste doelstelling
o Op individu-niveau zou een behandelingsresultaat de terugkeer zijn naar een stabiel, lager gewicht
Voor meeste patiënten is gewichtsdaling van ongeveer 10% na 6-12 maanden d.m.v.
levensstijlaanpassingen een correct en realistisch streefdoel, omdat met deze op eerste zicht
eerder beperkte vermagering toch reducties van de gezondheidsrisico’s worden bekomen
Als dit streefdoel gehaald wordt, kan i.f.v. een globale re‐evaluatie, nadien beslist
worden over de noodzaak tot verdere vermagering