Kenmerkend Aspect: Het streven van vorsten naar absolute macht
Europa zijn er 3 landen die duidelijk naar voren komen als het gaat om staatsvorming:
Frankrijk, Engeland en de Republiek.
Frankrijk is het als enige van deze 3 Europese landen gelukt om centralisatie én
staatsvorming te verkrijgen. Lodewijk XIV is hét voorbeeld van een absolute vorst. De kunst
en de cultuur staan in teken van hem en hij rechtvaardigt zijn absolutisme met het droit
divin. (l’état, c’est moi - de staat ben ik).
In 1685 herroept hij het Edict van Nantes. Lodewijk XIV wilde namelijk 1 geloof en dat
moest het katholicisme worden. Hierdoor vluchtte veel hugenoten naar de Republiek.
(redenen zie aantekeningenschrift paragraaf 2)
Engeland en de Republiek een zijn een uitzondering in dit kenmerkend aspect (de Republiek
wordt verder behandeld in het 3e kenmerkende aspect).
Engeland begon in 1215 al met het beperken van de macht van de vorsten. Dat deden ze
toen met de Magna Carta. Nadat in de 17e eeuw verschillende koningen een poging gedaan
hebben tot het verkrijgen van de absolute macht (voorbeelden paragraaf 2 aantekeningen),
kwam Engeland in 1688 met de Glorious Revolution. Dat was een soort van herschreven
document van de Magna Carta. Na het ondertekenen van deze Glorious Revolution werd
Engeland een constitutionele Monarchie. Hier was dus ook geen sprake van centralisatie.
Staatsvorming is daar wel gelukt.
Kernbegrippen:
Droit Divin: principe van Koning Lodewijk XIV, de koning heeft de macht van God gekregen.
Edict van Nantes: protestanten hugenoten krijgen dezelfde rechten als de katholieken.
Glorious Revolution: Koning Willem III + Mary Stuart worden erkent als staatshoofden maar
moeten the bill of rights ondertekenen (soort 2e Magna Carta).
Constitutionele Monarchie: bevoegdheden van de koning staan in de grondwet.
VOGGP
Verschijnsel: streven naar absolute macht
Ontwikkeling: Het streven van vorsten naar absolute macht
Getal: 1688 - het ondertekenen van de Glorious Revolution
Gedachte: absolutisme
Persoon: Koning Lodewijk XIV, Willem III