Fysiologie KC/DC
Kc arthrokinematica
Een voorbeeld van een gewricht is een rol schuif gewricht dan heb je een bol botstuk en een
hol botstuk. De delen die elkaar raken tussen de botstukken zijn bekleed met kraakbeen. Een
gewricht kan een rol schuifbeweging maken in dit geval is de concaaf het puntum fixum en
de convex het puntum mobile. Ook kan een gewricht een schommel glij beweging maken, in
dit geval is de convex het puntum fixum en de concaaf het puntum mobile.
Arthrokinematica:
Convex: Een bol gedeelte van het gewricht.
Concaaf: Een hol gedeelte noemen.
Puntum fixum: het botstuk dat stilstaat.
Puntum mobile: het botstuk dat beweegt.
Contactareaal: alle kraakbeen delen van beide botstukken die elkaar raken
Schuifbeweging: een punt van het convexe botstuk raakt alle delen van het concave botstuk,
de bewegingsuitslag is hier relatief klein.
Rolbeweging: de gehele oppervlakte van het concaaf wordt met dezelfde oppervlakte van
het convex bedekt, de bewegingsuitslag is hier groter dan bij een schuifbeweging.
Rol/schuifbeweging: dit is een combinatie van beide bewegingen waarbij de gehele
oppervlakte van de convex in aanraking komt met het concaaf (je gebruikt het volledige
contactareaal), de bewegingsuitslag is dan maximaal.
Glijbeweging: de concaaf glijdt over de convex heen op een punt.
Schommelbeweging: de gehele oppervlakte van het convex wordt met dezelfde oppervlakte
van het concaaf bedekt, de bewegingsuitslag is hier groter dan bij een glijbeweging.
Schommelglijbeweging: dit is de gecombineerde schommel glij beweging, hetzelfde als de
rol/schuifbeweging, maar hier beweegt de concaaf T.O.V de convex. De bewegingsuitslag is
hier dan maximaal.
Dc zenuwstelsel
Je hebt het centrale zenuwstelsel en een perifere zenuwstelsel. Centraal zijn je hersenen en
je ruggenmerg, perifere is alles wat naar je centrale toe geleidt en er ook weer vanaf. Je hebt
sensoren(zintuigen) die een prikkel afgeven via sensorische input deze input gaat naar je
centrale zenuwstelsel. Het effect wat je centrale zenuwstelsel dan geeft gaat via motorische
output naar je effectoren (ledematen die moeten reageren).
In de hersenen heb je 5 niveaus:
1. Verlenging van het Ruggenmerg (medulla oblongata)
2. De pons/achterhersenen (metencephalon) en de kleine hersenen.
3. Middenhersenen (mesencephalon)
4. Tussenhersenen (diencephalon)
5. De eindhersenen opgedeeld in 2 hersenhelften (telencephalon)
hersenstam: (truncus cerebri), bestaat uit de medulla oblongata, de pons en
mesencephalon.
, Je ruggenmerg (medulla spinalis) is opgedeeld in een grijze en in een witte stof. In de witte
stof lopen vezelbundels (tractus), deze zijn ascenderend (opstijgend) of descenderend
(afdalend). De witte stof is in 3 segmenten op te delen.
1.Achterstreng (funiculus posterior)
2.Zijstreng (funiculus lateralis)
3.Voorstreng (funiculus anterior).
De grijze stof is ook op te delen in 3
1.Achterhoorn (cornu posterius)
2.Zijhoorn (cornu laterale)
3.Voorhoorn (cornu anterius)
De wortels kunnen verdeeld worden in 4
1.Achterwortel (radix dorsalis) hier lopen de sensorische zenuwvezels
2.Achterwortelganglion (ganglion spinale)
3.Voorwortel (radix ventralis) hier lopen de motorische zenuwvezels.
4. ruggenmerg zenuw (nervus spinalis)
Een reflex is een automatische reactie op een prikkel die verloopt als volgt stimulus>
reflexboog> respons. Er zijn 6 type reflexen te onderscheiden.
1. Somato somatisch ( passieve spierekking)
2. Somato sympatisch (wrijving dermatoom> hartversnelling)
3. Somato parasympatisch (vuiltje in je oog > traansecretie)
4. Viscero somatisch (appendicitis> hypertonie buikspieren)
5. Viscero sympatisch (orgaanafwijking > vasoconstrictie in dermatoom)
6. Viscero parasympatische ( rekking blaaswand> je moet plassen).
Een zenuwcel heet een neuron
Een neuron bestaat uit een soma (cellichaam) met dendrieten en een axon. Bij de
dendrieten heb je synapsen hier vindt de overdracht plaats naar een andere cel.
Om de axon liggen soms myelineschede deze zorgen voor een elektrische isolatie, en voor
een snelheidswinst. De myelineschede worden gevormd in een cel van schwann.
Centrale zenuwstelsel: ligt centraal hersenen+ ruggenmerg.
Perifere zenuwstelsel: dit zijn de zenuwceluitlopers die alles naar en van het centrale
zenuwstelsel af geleiden. (bestaat uit 12 paar hersenzenuwen en 31 paar spinale zenuwen)
Afferent: sensorische afferent leidt iets naar het centrale zenuwstelsel toe.
Efferente: motorisch leidt juist van het centrale zenuwstelsel af
Animale zenuwstelsel: sturen skeletspieren aan
Vegetatieve zenuwstelsel: sturen gladde spieren en klieren aan
Somatische zenuwstelsel: gericht op interactie met de buitenwereld. (gaat samen met het
animale zenuwstelsel).
Viscerale zenuwstelsel: gericht op het interne lichaam zelf (gaat samen met het vegetatieve
zenuwstelsel). Kan onderverdeeld worden in parasympatisch(rust) en sympathisch(actie).
Reflex: automatische stereotype reactie op een prikkel
Kc arthrokinematica
Een voorbeeld van een gewricht is een rol schuif gewricht dan heb je een bol botstuk en een
hol botstuk. De delen die elkaar raken tussen de botstukken zijn bekleed met kraakbeen. Een
gewricht kan een rol schuifbeweging maken in dit geval is de concaaf het puntum fixum en
de convex het puntum mobile. Ook kan een gewricht een schommel glij beweging maken, in
dit geval is de convex het puntum fixum en de concaaf het puntum mobile.
Arthrokinematica:
Convex: Een bol gedeelte van het gewricht.
Concaaf: Een hol gedeelte noemen.
Puntum fixum: het botstuk dat stilstaat.
Puntum mobile: het botstuk dat beweegt.
Contactareaal: alle kraakbeen delen van beide botstukken die elkaar raken
Schuifbeweging: een punt van het convexe botstuk raakt alle delen van het concave botstuk,
de bewegingsuitslag is hier relatief klein.
Rolbeweging: de gehele oppervlakte van het concaaf wordt met dezelfde oppervlakte van
het convex bedekt, de bewegingsuitslag is hier groter dan bij een schuifbeweging.
Rol/schuifbeweging: dit is een combinatie van beide bewegingen waarbij de gehele
oppervlakte van de convex in aanraking komt met het concaaf (je gebruikt het volledige
contactareaal), de bewegingsuitslag is dan maximaal.
Glijbeweging: de concaaf glijdt over de convex heen op een punt.
Schommelbeweging: de gehele oppervlakte van het convex wordt met dezelfde oppervlakte
van het concaaf bedekt, de bewegingsuitslag is hier groter dan bij een glijbeweging.
Schommelglijbeweging: dit is de gecombineerde schommel glij beweging, hetzelfde als de
rol/schuifbeweging, maar hier beweegt de concaaf T.O.V de convex. De bewegingsuitslag is
hier dan maximaal.
Dc zenuwstelsel
Je hebt het centrale zenuwstelsel en een perifere zenuwstelsel. Centraal zijn je hersenen en
je ruggenmerg, perifere is alles wat naar je centrale toe geleidt en er ook weer vanaf. Je hebt
sensoren(zintuigen) die een prikkel afgeven via sensorische input deze input gaat naar je
centrale zenuwstelsel. Het effect wat je centrale zenuwstelsel dan geeft gaat via motorische
output naar je effectoren (ledematen die moeten reageren).
In de hersenen heb je 5 niveaus:
1. Verlenging van het Ruggenmerg (medulla oblongata)
2. De pons/achterhersenen (metencephalon) en de kleine hersenen.
3. Middenhersenen (mesencephalon)
4. Tussenhersenen (diencephalon)
5. De eindhersenen opgedeeld in 2 hersenhelften (telencephalon)
hersenstam: (truncus cerebri), bestaat uit de medulla oblongata, de pons en
mesencephalon.
, Je ruggenmerg (medulla spinalis) is opgedeeld in een grijze en in een witte stof. In de witte
stof lopen vezelbundels (tractus), deze zijn ascenderend (opstijgend) of descenderend
(afdalend). De witte stof is in 3 segmenten op te delen.
1.Achterstreng (funiculus posterior)
2.Zijstreng (funiculus lateralis)
3.Voorstreng (funiculus anterior).
De grijze stof is ook op te delen in 3
1.Achterhoorn (cornu posterius)
2.Zijhoorn (cornu laterale)
3.Voorhoorn (cornu anterius)
De wortels kunnen verdeeld worden in 4
1.Achterwortel (radix dorsalis) hier lopen de sensorische zenuwvezels
2.Achterwortelganglion (ganglion spinale)
3.Voorwortel (radix ventralis) hier lopen de motorische zenuwvezels.
4. ruggenmerg zenuw (nervus spinalis)
Een reflex is een automatische reactie op een prikkel die verloopt als volgt stimulus>
reflexboog> respons. Er zijn 6 type reflexen te onderscheiden.
1. Somato somatisch ( passieve spierekking)
2. Somato sympatisch (wrijving dermatoom> hartversnelling)
3. Somato parasympatisch (vuiltje in je oog > traansecretie)
4. Viscero somatisch (appendicitis> hypertonie buikspieren)
5. Viscero sympatisch (orgaanafwijking > vasoconstrictie in dermatoom)
6. Viscero parasympatische ( rekking blaaswand> je moet plassen).
Een zenuwcel heet een neuron
Een neuron bestaat uit een soma (cellichaam) met dendrieten en een axon. Bij de
dendrieten heb je synapsen hier vindt de overdracht plaats naar een andere cel.
Om de axon liggen soms myelineschede deze zorgen voor een elektrische isolatie, en voor
een snelheidswinst. De myelineschede worden gevormd in een cel van schwann.
Centrale zenuwstelsel: ligt centraal hersenen+ ruggenmerg.
Perifere zenuwstelsel: dit zijn de zenuwceluitlopers die alles naar en van het centrale
zenuwstelsel af geleiden. (bestaat uit 12 paar hersenzenuwen en 31 paar spinale zenuwen)
Afferent: sensorische afferent leidt iets naar het centrale zenuwstelsel toe.
Efferente: motorisch leidt juist van het centrale zenuwstelsel af
Animale zenuwstelsel: sturen skeletspieren aan
Vegetatieve zenuwstelsel: sturen gladde spieren en klieren aan
Somatische zenuwstelsel: gericht op interactie met de buitenwereld. (gaat samen met het
animale zenuwstelsel).
Viscerale zenuwstelsel: gericht op het interne lichaam zelf (gaat samen met het vegetatieve
zenuwstelsel). Kan onderverdeeld worden in parasympatisch(rust) en sympathisch(actie).
Reflex: automatische stereotype reactie op een prikkel