Hoorcollege 1 - Introductie en identiteit
Bij het vak identiteit en de diverse mens gaan we interdisciplinair samenwerken. Dat
verschilt van multidisciplinair, want bij interdisciplinair wordt kennis uit verschillende
vakgebieden samengevoegd en geïntegreerd om gezamenlijk tot nieuwe inzichten of
oplossingen te komen. Binnen dit vak worden dat de ontwikkelingspsychologie, sociale
psychologie, klinische psychologie en psychologische functieleer (cognitieve psychologie).
Identiteit is het geheel aan kenmerken die iemand uniek maken en die bepalen hoe iemand
zichzelf ziet en zich gedraagt. Het omvat persoonlijkheidstrekken (zoals introversie of
extraversie), waarden (wat iemand belangrijk vindt), interesses en voorkeuren (waar iemand
zich toe aangetrokken voelt), doelen (wat iemand wil bereiken) en sociale rollen (zoals
vriend, ouder, of collega). Deze aspecten vormen samen hoe iemand zichzelf ervaart en hoe
anderen die persoon waarnemen. Identiteit geeft ook richting aan bepaalde levenskeuzes
voor in de toekomst.
- Identiteit is dus een subjectief gevoel van de persoon die je bent.
- Een subjectief gevoel van gelijkheid en continuïteit van jezelf over
verschillende contexten en tijd
- Je identiteit helpt het interpreteren van en betekenis geven aan
levensgebeurtenissen
Identiteit kun je goed door een biopsychosociale lens analyseren. Het is namelijk het gevolg
van het samenspel van de biologie, psychologie en de sociale omgeving van een mens.
Identiteit kun je vanuit 5 verschillende disciplines bekijken; persoonlijkheidspsychologie,
ontwikkelingspsychologie, cognitieve psychologie (functieleer), klinische psychologie en
sociale psychologie.
1. Persoonlijkheidspsychologie: De identiteit is een onderdeel van de persoonlijkheid. Er
zijn verschillen per persoon wat betreft identiteit qua inhoud (wat je belangrijk vind) en qua
structuur (hoe complex je identiteit is). Persoonlijkheidstrekken zijn onderdeel van je
identiteit (bijv. ‘ik ben hooggevoelig’, of ‘ik ben een gezelligheidsmens’). Sommige
persoonlijkheidspsychologen zien identiteit als een laag van de persoonlijkheid. Een goed
voorbeeld is het McAdams model.
In het model van persoonlijkheidspsycholoog Dan McAdams wordt identiteit gezien als de
derde en diepste laag van de persoonlijkheid. McAdams stelt dat persoonlijkheid bestaat uit
drie lagen die ons helpen om te begrijpen wie iemand is:
1. Persoonlijkheidstrekken: Dit is de eerste laag en omvat de basiskenmerken van
een persoon, zoals de Big Five-persoonlijkheidstrekken
(extraversie, neuroticisme, zorgvuldigheid, etc.). Deze trekken
zijn stabiel en beschrijven hoe iemand zich meestal gedraagt.
2. Contextspecifieke aanpassingen: De tweede laag omvat
context-specifieke aanpassingen zoals waarden, doelen,
interesses, copingstrategieën en motivaties. Deze aspecten zijn
flexibeler en kunnen veranderen afhankelijk van de levensfase
en omgeving.
3. Narratieve identiteit: Dit is de diepste laag van persoonlijkheid
en omvat het verhaal dat iemand over zichzelf vertelt. Deze
narratieve identiteit weerspiegelt hoe mensen betekenis geven
, aan hun levenservaringen en zichzelf begrijpen in een groter, levensomvattend
verhaal. Dit verhaal verandert in de loop der tijd en helpt iemand om een gevoel van
eenheid en richting in het leven te ervaren.
2. Ontwikkelingspsychologie: Bij de ontwikkelingspsychologie kijk je naar 2 dingen wat
betreft identiteit:
- Individuele mijlpalen in identiteitsontwikkeling
- Kleuterleeftijd ontwikkelt een autobiografisch geheugen: ze beginnen met het
opslaan van persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen in hun geheugen,
waardoor ze een begin maken met het vormen van hun eigen levensverhaal.
- Vroege adolescentie hebben een persoonlijk fabel: Kinderen in deze fase
ervaren vaak een persoonlijke fabel. Ze hebben het gevoel dat ze uniek en
bijzonder zijn, en dat niemand precies begrijpt wat zij doormaken. Dit gevoel
kan bijdragen aan risicogedrag, omdat ze denken dat regels of gevaren
minder op hen van toepassing zijn.
- Latere adolescentie en vroege volwassenheid: In deze periode ontwikkelen
mensen een narratieve identiteit. Dit is een persoonlijk levensverhaal waarin
ervaringen en herinneringen worden geïntegreerd om een coherent beeld te vormen
van wie ze zijn. Dit verhaal helpt hen om betekenis te geven aan het verleden en
richting te geven aan de toekomst.
Voor een volwassen identiteit zijn 2 stappen nodig:
1. De mens trekt bestaande opvattingen in twijfel en experimenteert met alternatieve
identiteiten en rollen (exploratie)
2. Na deze fase van exploratie identificeert het individu zich met een bepaalde identiteit
en begint in de bijbehorende rollen en taken te investeren (commitment)
Op basis hiervan zijn er 4 identiteitsstatussen bedacht:
- Diffusion: niet geëxploreerd, geen commitment
- Foreclosure: niet geëxploreerd, wel commitment
(komt vaak door invloeden van anderen)
- Moratorium: wel geëxploreerd, geen commitment
- Achievement: wel geëxploreerd, wel commitment
Er zijn binnen de ontwikkelingspsychologie modellen over
veranderingen in de tijd. Die hebben niks te maken met
leeftijd maar die verklaren waarom bepaalde psychologische
constructen veranderingen doormaken. Identiteit is hier een voorbeeld van en is dus geen
statisch fenomeen. Identiteit is dus continu in verandering en evolueert.
Het model van twee identiteitscycli door Luyckx staat hieronder.
De eerste cycli is de formatie van bindingen
(links) en de tweede is de evaluatie van die bindingen (rechts).
Stappen: 1.breedte-exploratie: verkennen opties
2.formatie van bindingen: aangaan binding
3.diepte-exploratie: reflecteren op keuze
4.identificatie met bindingen: sterk identificeren met binding of
her breedte-exploratie voor nieuwe binding.
,3.cognitieve psychologie (functieleer): De functieleer kijkt vooral naar hersengebieden en
de cognitieve functies die identiteit mogelijk maken. Dit heet onderzoek naar het
autobiografisch geheugen. Dat onderzoeken ze adhv experimenten die meten hoe mensen
over zichzelf denken en wat voor cognitieve systemen ze daarbij gebruiken. Hierbij kunnen
we 2 systemen onderscheiden:
- Episodisch geheugen: specifieke persoonlijke ervaringen (bijv. toen ik slaagde
voor mijn rijbewijs scheen de zon)
- Semantisch/conceptueel geheugen: feitelijke kennis over jezelf (bijv. ik hou van
sporten), wanneer je specifiek over een gebeurtenis moet praten en je weet het niet
meer goed kan je het op een top-down manier benaderen en daarbij denk je vanuit
je semantische geheugen en maakt dan aannames (bijv. ik hou niet van snelle
achtbanen dus ik zal wel niet in de Baron zijn gegaan).
De hersengebieden die betrokken zijn bij autobiografisch geheugen, spelen ook een rol bij
processen waarbij je nadenkt over jezelf ("self-referential thinking") en over anderen
(mentalizing). Mentalizing verwijst naar het vermogen om de mentale toestanden van
anderen (zoals intenties, gedachten en emoties) te begrijpen, terwijl self-referential
thinking betrekking heeft op hoe je informatie verwerkt die over jezelf gaat. Het relatief
belang van semantische kennis neemt toe over tijd. Naarmate mensen ouder worden,
baseren ze hun zelfbeeld en beslissingen meer op algemene kennis (semantisch
geheugen) dan op specifieke herinneringen. Bijvoorbeeld, een oudere volwassene zal
eerder denken: "Ik ben altijd iemand geweest die houdt van sociale activiteiten," in plaats
van zich specifieke feestjes te herinneren. Semantische kennis biedt een soort "kernzelf"
dat stabiel blijft, terwijl episodische herinneringen minder prominent worden in hoe mensen
zichzelf en hun leven begrijpen naarmate ze ouder worden.
4.klinische psychologie: Identiteit wordt in de klinische psychologie op 2 manieren
benaderd.
Ten eerste kun je identiteit als causale factor benaderen. Hoe je over jezelf en je
eigen identiteit denkt, voorspelt dan of jij psychische problemen krijgt. De theorie van Erik
Erikson, en specifiek de ontwikkelingsfase "Identity vs. Role Confusion", speelt een
cruciale rol in hoe identiteit in de klinische psychologie wordt benaderd als een causale
factor. In deze fase proberen jongeren uit te vinden wie ze zijn, wat hun waarden zijn, en
welke rol ze in de samenleving willen vervullen. Ze stellen zichzelf vragen als: "Wie ben ik?"
en "Wat wil ik met mijn leven?" Het succesvol oplossen van deze fase leidt tot een sterk en
stabiel gevoel van identiteit. Het niet slagen in het oplossen van deze fase kan leiden tot
role confusion (rolverwarring), waarbij iemand onzeker is over zichzelf, zijn/haar doelen en
de plaats in de maatschappij. Mensen met role confusion kunnen onzeker zijn over wie ze
zijn, wat kan leiden tot meer psychische problematiek. Fidelity (trouw) is de deugd die
ontstaat bij succesvolle identiteitsvorming in de fase van Identity vs. Role Confusion
(adolescentie). Fidelity verwijst naar het vermogen om je trouw te verbinden aan anderen,
ondanks verschillen in ideologieën, waarden of opvattingen. Het betekent dat iemand zijn
eigen identiteit sterk genoeg heeft gevormd om ook anderen te accepteren in hun
authenticiteit, iemand kan bijvoorbeeld een stabiele identiteit hebben als vegetariër en
tegelijkertijd vriendschappen onderhouden met mensen die vlees eten, zonder dat dit zijn
eigen overtuigingen aantast. Narratieve therapie biedt een praktische manier om met
mensen die role confusion hebben om te gaan, door de focus te leggen op de verhalen die
mensen over zichzelf vertellen.
, Ten tweede kun je identiteit als symptoom zien, het is een bron van psychische
klachten. Zo kun je dissociatie, ego-inflatie en instabiliteit ervaren.
Bij dissociatieve stoornissen zijn er verstoringen in het gevoel van identiteit en de
ervaring van continuïteit in zichzelf. Een voorbeeld is een psychogene fugue; hierbij verliest
iemand tijdelijk het gevoel van eigen identiteit en kan een nieuw leven aannemen, vaak
zonder herinneringen aan het verleden. Dit is een extreme vorm van dissociatie die meestal
wordt getriggerd door stress of trauma. Dit verlies van identiteit is tijdelijk maar ernstig en
kan zich uiten in impulsief vluchten of het aannemen van een nieuwe identiteit. Een ander
voorbeeld van dissociatieproblemen is het hebben van een dissociatieve identiteitsstoornis.
Bij DIS bestaan er twee of meer onderscheiden identiteiten of "persoonlijkheidstoestanden"
binnen één persoon. Deze stoornis wordt vaak gelinkt aan ernstig trauma in de kindertijd. Er
bestaat discussie over de oorzaken; het traumamodel zegt dat DIS ontstaat als een
overlevingsmechanisme na trauma terwijl het sociaal-cognitieve fantasie model zegt dat
DIS kan (onbewust) worden beïnvloed door suggestie, media en culturele factoren.
Bij ego-inflatie is er een verstoorde, opgeblazen identiteit, die kenmerkend kan zijn
voor bepaalde persoonlijkheidsstoornissen:
- Grootheidswaan: Iemand kan geloven dat hij/zij uitzonderlijk belangrijk of
machtig is, zoals denken een wereldleider of uitverkorene te zijn. Psychisch
symptoom
- Narcistische persoonlijkheidsstoornis: Iemand heeft een grandioos
zelfbeeld en een gevoel van superioriteit. Symptomen kunnen zich uiten als
een voortdurende behoefte aan bewondering, gebrek aan empathie, en
gevoeligheid voor kritiek. Persoonlijkheidstrek
Bij instabiliteit ervaren mensen een instabiel gevoel van hun identiteit. Een voorbeeld is bij
een borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit gebrek aan een stabiele identiteit leidt vaak tot
intense emoties, impulsief gedrag, en instabiele relaties.
Iets is pas een persoonlijkheidsstoornis als het voldoet aan de 3 P’s: persistent, pervasief
en pathologisch.
5. sociale psychologie: In de sociale psychologie wordt identiteit vaak begrepen als sociale
identiteit, dat wil zeggen: hoe mensen zichzelf definiëren in relatie tot sociale groepen en
categorieën. Sociale identiteit is het deel van iemands zelfbeeld dat voortkomt uit zijn/haar
lidmaatschap van sociale groepen. Bijvoorbeeld: "Ik ben student," of "Ik hoor bij deze
politieke partij." Identificatie met groepen bevordert inclusie, gevoel van richting, zelfwaarde
en identiteit.
De sociale identiteit wordt gevormd door 3 stappen:
1. Sociale categorisatie: Mensen delen zichzelf en anderen in categorieën ,
zoals ras, geslacht, beroep, of politieke voorkeur.
2. Sociale identificatie: Mensen adopteren de kenmerken van de groep
waarmee ze zich identificeren. Ze voelen een emotionele band met deze
groep.
3. Sociale vergelijking: Mensen vergelijken hun eigen groep (de ingroup) met
andere groepen (outgroups), wat kan leiden tot ingroup bias (vooroordelen
ten gunste van de eigen groep).
Bij het vak identiteit en de diverse mens gaan we interdisciplinair samenwerken. Dat
verschilt van multidisciplinair, want bij interdisciplinair wordt kennis uit verschillende
vakgebieden samengevoegd en geïntegreerd om gezamenlijk tot nieuwe inzichten of
oplossingen te komen. Binnen dit vak worden dat de ontwikkelingspsychologie, sociale
psychologie, klinische psychologie en psychologische functieleer (cognitieve psychologie).
Identiteit is het geheel aan kenmerken die iemand uniek maken en die bepalen hoe iemand
zichzelf ziet en zich gedraagt. Het omvat persoonlijkheidstrekken (zoals introversie of
extraversie), waarden (wat iemand belangrijk vindt), interesses en voorkeuren (waar iemand
zich toe aangetrokken voelt), doelen (wat iemand wil bereiken) en sociale rollen (zoals
vriend, ouder, of collega). Deze aspecten vormen samen hoe iemand zichzelf ervaart en hoe
anderen die persoon waarnemen. Identiteit geeft ook richting aan bepaalde levenskeuzes
voor in de toekomst.
- Identiteit is dus een subjectief gevoel van de persoon die je bent.
- Een subjectief gevoel van gelijkheid en continuïteit van jezelf over
verschillende contexten en tijd
- Je identiteit helpt het interpreteren van en betekenis geven aan
levensgebeurtenissen
Identiteit kun je goed door een biopsychosociale lens analyseren. Het is namelijk het gevolg
van het samenspel van de biologie, psychologie en de sociale omgeving van een mens.
Identiteit kun je vanuit 5 verschillende disciplines bekijken; persoonlijkheidspsychologie,
ontwikkelingspsychologie, cognitieve psychologie (functieleer), klinische psychologie en
sociale psychologie.
1. Persoonlijkheidspsychologie: De identiteit is een onderdeel van de persoonlijkheid. Er
zijn verschillen per persoon wat betreft identiteit qua inhoud (wat je belangrijk vind) en qua
structuur (hoe complex je identiteit is). Persoonlijkheidstrekken zijn onderdeel van je
identiteit (bijv. ‘ik ben hooggevoelig’, of ‘ik ben een gezelligheidsmens’). Sommige
persoonlijkheidspsychologen zien identiteit als een laag van de persoonlijkheid. Een goed
voorbeeld is het McAdams model.
In het model van persoonlijkheidspsycholoog Dan McAdams wordt identiteit gezien als de
derde en diepste laag van de persoonlijkheid. McAdams stelt dat persoonlijkheid bestaat uit
drie lagen die ons helpen om te begrijpen wie iemand is:
1. Persoonlijkheidstrekken: Dit is de eerste laag en omvat de basiskenmerken van
een persoon, zoals de Big Five-persoonlijkheidstrekken
(extraversie, neuroticisme, zorgvuldigheid, etc.). Deze trekken
zijn stabiel en beschrijven hoe iemand zich meestal gedraagt.
2. Contextspecifieke aanpassingen: De tweede laag omvat
context-specifieke aanpassingen zoals waarden, doelen,
interesses, copingstrategieën en motivaties. Deze aspecten zijn
flexibeler en kunnen veranderen afhankelijk van de levensfase
en omgeving.
3. Narratieve identiteit: Dit is de diepste laag van persoonlijkheid
en omvat het verhaal dat iemand over zichzelf vertelt. Deze
narratieve identiteit weerspiegelt hoe mensen betekenis geven
, aan hun levenservaringen en zichzelf begrijpen in een groter, levensomvattend
verhaal. Dit verhaal verandert in de loop der tijd en helpt iemand om een gevoel van
eenheid en richting in het leven te ervaren.
2. Ontwikkelingspsychologie: Bij de ontwikkelingspsychologie kijk je naar 2 dingen wat
betreft identiteit:
- Individuele mijlpalen in identiteitsontwikkeling
- Kleuterleeftijd ontwikkelt een autobiografisch geheugen: ze beginnen met het
opslaan van persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen in hun geheugen,
waardoor ze een begin maken met het vormen van hun eigen levensverhaal.
- Vroege adolescentie hebben een persoonlijk fabel: Kinderen in deze fase
ervaren vaak een persoonlijke fabel. Ze hebben het gevoel dat ze uniek en
bijzonder zijn, en dat niemand precies begrijpt wat zij doormaken. Dit gevoel
kan bijdragen aan risicogedrag, omdat ze denken dat regels of gevaren
minder op hen van toepassing zijn.
- Latere adolescentie en vroege volwassenheid: In deze periode ontwikkelen
mensen een narratieve identiteit. Dit is een persoonlijk levensverhaal waarin
ervaringen en herinneringen worden geïntegreerd om een coherent beeld te vormen
van wie ze zijn. Dit verhaal helpt hen om betekenis te geven aan het verleden en
richting te geven aan de toekomst.
Voor een volwassen identiteit zijn 2 stappen nodig:
1. De mens trekt bestaande opvattingen in twijfel en experimenteert met alternatieve
identiteiten en rollen (exploratie)
2. Na deze fase van exploratie identificeert het individu zich met een bepaalde identiteit
en begint in de bijbehorende rollen en taken te investeren (commitment)
Op basis hiervan zijn er 4 identiteitsstatussen bedacht:
- Diffusion: niet geëxploreerd, geen commitment
- Foreclosure: niet geëxploreerd, wel commitment
(komt vaak door invloeden van anderen)
- Moratorium: wel geëxploreerd, geen commitment
- Achievement: wel geëxploreerd, wel commitment
Er zijn binnen de ontwikkelingspsychologie modellen over
veranderingen in de tijd. Die hebben niks te maken met
leeftijd maar die verklaren waarom bepaalde psychologische
constructen veranderingen doormaken. Identiteit is hier een voorbeeld van en is dus geen
statisch fenomeen. Identiteit is dus continu in verandering en evolueert.
Het model van twee identiteitscycli door Luyckx staat hieronder.
De eerste cycli is de formatie van bindingen
(links) en de tweede is de evaluatie van die bindingen (rechts).
Stappen: 1.breedte-exploratie: verkennen opties
2.formatie van bindingen: aangaan binding
3.diepte-exploratie: reflecteren op keuze
4.identificatie met bindingen: sterk identificeren met binding of
her breedte-exploratie voor nieuwe binding.
,3.cognitieve psychologie (functieleer): De functieleer kijkt vooral naar hersengebieden en
de cognitieve functies die identiteit mogelijk maken. Dit heet onderzoek naar het
autobiografisch geheugen. Dat onderzoeken ze adhv experimenten die meten hoe mensen
over zichzelf denken en wat voor cognitieve systemen ze daarbij gebruiken. Hierbij kunnen
we 2 systemen onderscheiden:
- Episodisch geheugen: specifieke persoonlijke ervaringen (bijv. toen ik slaagde
voor mijn rijbewijs scheen de zon)
- Semantisch/conceptueel geheugen: feitelijke kennis over jezelf (bijv. ik hou van
sporten), wanneer je specifiek over een gebeurtenis moet praten en je weet het niet
meer goed kan je het op een top-down manier benaderen en daarbij denk je vanuit
je semantische geheugen en maakt dan aannames (bijv. ik hou niet van snelle
achtbanen dus ik zal wel niet in de Baron zijn gegaan).
De hersengebieden die betrokken zijn bij autobiografisch geheugen, spelen ook een rol bij
processen waarbij je nadenkt over jezelf ("self-referential thinking") en over anderen
(mentalizing). Mentalizing verwijst naar het vermogen om de mentale toestanden van
anderen (zoals intenties, gedachten en emoties) te begrijpen, terwijl self-referential
thinking betrekking heeft op hoe je informatie verwerkt die over jezelf gaat. Het relatief
belang van semantische kennis neemt toe over tijd. Naarmate mensen ouder worden,
baseren ze hun zelfbeeld en beslissingen meer op algemene kennis (semantisch
geheugen) dan op specifieke herinneringen. Bijvoorbeeld, een oudere volwassene zal
eerder denken: "Ik ben altijd iemand geweest die houdt van sociale activiteiten," in plaats
van zich specifieke feestjes te herinneren. Semantische kennis biedt een soort "kernzelf"
dat stabiel blijft, terwijl episodische herinneringen minder prominent worden in hoe mensen
zichzelf en hun leven begrijpen naarmate ze ouder worden.
4.klinische psychologie: Identiteit wordt in de klinische psychologie op 2 manieren
benaderd.
Ten eerste kun je identiteit als causale factor benaderen. Hoe je over jezelf en je
eigen identiteit denkt, voorspelt dan of jij psychische problemen krijgt. De theorie van Erik
Erikson, en specifiek de ontwikkelingsfase "Identity vs. Role Confusion", speelt een
cruciale rol in hoe identiteit in de klinische psychologie wordt benaderd als een causale
factor. In deze fase proberen jongeren uit te vinden wie ze zijn, wat hun waarden zijn, en
welke rol ze in de samenleving willen vervullen. Ze stellen zichzelf vragen als: "Wie ben ik?"
en "Wat wil ik met mijn leven?" Het succesvol oplossen van deze fase leidt tot een sterk en
stabiel gevoel van identiteit. Het niet slagen in het oplossen van deze fase kan leiden tot
role confusion (rolverwarring), waarbij iemand onzeker is over zichzelf, zijn/haar doelen en
de plaats in de maatschappij. Mensen met role confusion kunnen onzeker zijn over wie ze
zijn, wat kan leiden tot meer psychische problematiek. Fidelity (trouw) is de deugd die
ontstaat bij succesvolle identiteitsvorming in de fase van Identity vs. Role Confusion
(adolescentie). Fidelity verwijst naar het vermogen om je trouw te verbinden aan anderen,
ondanks verschillen in ideologieën, waarden of opvattingen. Het betekent dat iemand zijn
eigen identiteit sterk genoeg heeft gevormd om ook anderen te accepteren in hun
authenticiteit, iemand kan bijvoorbeeld een stabiele identiteit hebben als vegetariër en
tegelijkertijd vriendschappen onderhouden met mensen die vlees eten, zonder dat dit zijn
eigen overtuigingen aantast. Narratieve therapie biedt een praktische manier om met
mensen die role confusion hebben om te gaan, door de focus te leggen op de verhalen die
mensen over zichzelf vertellen.
, Ten tweede kun je identiteit als symptoom zien, het is een bron van psychische
klachten. Zo kun je dissociatie, ego-inflatie en instabiliteit ervaren.
Bij dissociatieve stoornissen zijn er verstoringen in het gevoel van identiteit en de
ervaring van continuïteit in zichzelf. Een voorbeeld is een psychogene fugue; hierbij verliest
iemand tijdelijk het gevoel van eigen identiteit en kan een nieuw leven aannemen, vaak
zonder herinneringen aan het verleden. Dit is een extreme vorm van dissociatie die meestal
wordt getriggerd door stress of trauma. Dit verlies van identiteit is tijdelijk maar ernstig en
kan zich uiten in impulsief vluchten of het aannemen van een nieuwe identiteit. Een ander
voorbeeld van dissociatieproblemen is het hebben van een dissociatieve identiteitsstoornis.
Bij DIS bestaan er twee of meer onderscheiden identiteiten of "persoonlijkheidstoestanden"
binnen één persoon. Deze stoornis wordt vaak gelinkt aan ernstig trauma in de kindertijd. Er
bestaat discussie over de oorzaken; het traumamodel zegt dat DIS ontstaat als een
overlevingsmechanisme na trauma terwijl het sociaal-cognitieve fantasie model zegt dat
DIS kan (onbewust) worden beïnvloed door suggestie, media en culturele factoren.
Bij ego-inflatie is er een verstoorde, opgeblazen identiteit, die kenmerkend kan zijn
voor bepaalde persoonlijkheidsstoornissen:
- Grootheidswaan: Iemand kan geloven dat hij/zij uitzonderlijk belangrijk of
machtig is, zoals denken een wereldleider of uitverkorene te zijn. Psychisch
symptoom
- Narcistische persoonlijkheidsstoornis: Iemand heeft een grandioos
zelfbeeld en een gevoel van superioriteit. Symptomen kunnen zich uiten als
een voortdurende behoefte aan bewondering, gebrek aan empathie, en
gevoeligheid voor kritiek. Persoonlijkheidstrek
Bij instabiliteit ervaren mensen een instabiel gevoel van hun identiteit. Een voorbeeld is bij
een borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit gebrek aan een stabiele identiteit leidt vaak tot
intense emoties, impulsief gedrag, en instabiele relaties.
Iets is pas een persoonlijkheidsstoornis als het voldoet aan de 3 P’s: persistent, pervasief
en pathologisch.
5. sociale psychologie: In de sociale psychologie wordt identiteit vaak begrepen als sociale
identiteit, dat wil zeggen: hoe mensen zichzelf definiëren in relatie tot sociale groepen en
categorieën. Sociale identiteit is het deel van iemands zelfbeeld dat voortkomt uit zijn/haar
lidmaatschap van sociale groepen. Bijvoorbeeld: "Ik ben student," of "Ik hoor bij deze
politieke partij." Identificatie met groepen bevordert inclusie, gevoel van richting, zelfwaarde
en identiteit.
De sociale identiteit wordt gevormd door 3 stappen:
1. Sociale categorisatie: Mensen delen zichzelf en anderen in categorieën ,
zoals ras, geslacht, beroep, of politieke voorkeur.
2. Sociale identificatie: Mensen adopteren de kenmerken van de groep
waarmee ze zich identificeren. Ze voelen een emotionele band met deze
groep.
3. Sociale vergelijking: Mensen vergelijken hun eigen groep (de ingroup) met
andere groepen (outgroups), wat kan leiden tot ingroup bias (vooroordelen
ten gunste van de eigen groep).