1e jaars pedagogiek student
ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
DEEL B
Hoofdstuk 8 t/m 13
,Hoofdstuk 8 - De fysieke ontwikkeling in de peuter-
en kleutertijd
Het gemiddelde kind van 2 jr. weegt 11,5 tot 12,5 kilo en is bijna 90cm lang. Als het kind bijna 6 jr. oud is, weegt het
iets meer dan 20 kilo en is bijna 120cm lang.
Als een kind 2jr. is, zit er tussen jongens en meisjes weinig verschil in de bouw. Op 6-jarigen leeftijd beginnen jongens
gemiddeld langer en zwaarder te worden van meisje. Verschillen in lengte en gewicht weerspiegelen ook
economische factoren binnen een land. Kinderen uit gezinnen waarvan het inkomen beneden de armoedegrens ligt,
zijn vaak kleiner dan kinderen uit welgestelde gezinnen.
Als je een 2-jarig kind en een 6-jarig kind gaat verggelijken, zie je verschil in lengte, gewicht maar ook in de vorm. In
de kleutertijd verliezen kinderen hun mollige en ronde vormen en worden slanker. Ze verliezen hun ronde buikje, hun
armen en benen worden langer en de verhouding tussen het hoofd en de rest van het lichaam gaat meer lijken op
die bij volwassenen. Als de kinderen 6jr. zijn komen hun verhoudingen grotendeels overeen met die van
volwassenen.
De groei van de hersenen
Van alle delen van het lichaam groeien de hersenen het snelst. Op 5-jarigen leeftijd hebben de hersenen 90% de
grootte van de volwassene hersenen.
Onderlinge verbindingen in de hersenen maken communicatie tussen neuronen mogelijk. Neuronen zijn de cellen in
het zenuwstelsel. Ook zorgen ze voor de snelle ontwikkeling van de cognitieve vaardigheden. Daarnaast stijgt de
hoeveelheid myeline, de beschermende vette laag rond onderdelen van neuronen. Hierdoor wordt de overdracht
van zenuwsignalen door de hersencellen versnelt en het gewicht van de hersenen toeneemt. De snelle groei helpt
ook bij de ontwikkeling van de fijne en grove motorische vaardigheden.
Aan het eind van de kleutertijd is het corpus callosum hard gegroeid, een bundel zenuwvezels die de twee
hersenhelften met elkaar verbindt. De twee hersenhelften ontwikkelen zich steeds verder. Het proces van
lateralisatie, waarbij bepaalde functies hun plek eerder in de ene hersenhelft dan in de andere hersenhelft vinden,
wordt tijdens de kleuterjaren uitgesprokener redeneren. De rechterhersenhelft ontwikkelt zich specifiek op non-
verbale gebieden, zoals ruimtelijk inzicht, herkenning van patronen en tekeningen, muziek en emotionele uiting.
Beide hersenhelften beginnen ook op een andere
manier informatie te verwerken. De linkerhersenhelft
benadert informatie sequentieel, één stukje
informatie tegelijk. De rechterhersenhelft benadert - Ruimtelijk inzicht
informatie op een globalere manier, een heel geheel - Praten
informatie tegelijk. - Herkennen van
- Lezen
patronen en
Het samenwerken van de hersenhelften staan tekeningen
centraal. De ene hersenhelft kan de meeste taken
- Deken
van de andere hersenhelft kan uitvoeren. Als de - Muziek
hersenhelft die gespecialiseerd is in een bepaald type - Redeneren
informatie beschadigd raakt, neemt de andere - Emotionele uiting
hersenhelft die taken soms over.
Er is een perioden in de kindertijd waarin de
hersenen ongebruikelijke groeispurts doormaken. Die perioden zijn gekoppeld aan vorderingen op cognitief gebied.
Tussen de 18 en 24 mnd. is een periode waarin de taalvaardigheid snel toeneemt.
, Uit een onderzoek blijkt dat de toename van de hoeveelheid myeline wellicht verband houdt met de groeiende
cognitieve vaardigheden van de kleuters. Zo is de myelinetoename in het deel van de hersenen dat wordt
geassocieerd met aandacht en concentratie voltooid tegen de tijd dat kinderen een jaar of 5 zijn.
Ontwikkeling van de zintuigen
Dankzij de hersenontwikkeling krijgen ook de zintuigen de gelegenheid om zich in de kleutertijd te ontwikkelen. De
rijping van de hersenen leidt bijvoorbeeld tot een betere beheersing van oogbewegingen en een beter vermogen om
scherp te stellen. Kinderen hebben er vooral moeite mee om groepen kleine letters te lezen. Pas als ze 6jr. zijn,
kunnen kinderen effectief scherpstellen en scannen, mar ook dan zijn hun vaardigheden op dat gebied nog niet zo
goed ontwikkeld als bij volwassenen.
Bij kleuters begint zich ook een geleidelijke verschuiving te voltrekken in de manier waarop ze samengestelde
objecten zien. Bijvoorbeeld een mannetje van fruitsoorten, in tegenstelling tot volwassenen zullen kleuters hier
meestal concentreren op de onderdelen (fruit). Pas rond 7 of 8jr. beginnen ze zowel het geheel als de onderdelen van
het figuur te zien (mannetje van fruit). Dit heet ook wel perceptuele schematisering. Ook wordt het gehoor steeds
beter. Een van de gebieden waarop het gehoor van peuters en kleuters nog hiaten vertoont (er ontbreekt iets), is het
vermogen om specifieke geluiden te isoleren van andere geluiden.
De grove motoriek
Als een kind 3jr. is, beheersen kinderen verschillende vaardigheden:
- Rennen
- Trede voor trede een trap op lopen
- Met beide voeten tegelijk springen
Op hun 4e en 5e zijn die vaardigheden verder verbeterd, doordat ze meer controle hebben over hun spieren. Het
grote verschil is dat 5-jarigen een betere coördinatie hebben en daardoor hun motorische activiteiten verder kunnen
ontwikkelen.
De vooruitgang van de grove motoriek houdt ook verband met de hersenontwikkeling en de myelinevorming rond
neuronen, in dit geval in gebieden van de hersenen die te maken hebben met evenwicht en coördinatie. De
motorische vaardigheden ontwikkelen zich snel, omdat kinderen veel oefenen.
Grove motoriek:
3-jarigen 4-jarigen 5-jarigen
Kan niet plotseling draaien of stoppen Heeft meer controle over stoppen en Kan efficiënt starten, draaien en
starten van bewegingen en over stoppen tijdens spelletjes
draaien
Springt met beide voeten tegelijk Springt gemiddeld tot 70cm ver Springt vanuit een aanloop tot 90cm
ver
Loopt zelfstandig een trap op, met Loopt, mits geholpen, met de ene voet Loopt zelfstandig een lange trap af
beurtelings gebruik van de ene en de na de andere een lange trap af
andere voet
Staat minstens vijf seconden op één Hinkelt vier tot zes stappen op één Hinkelt met gemak een afstand van vijf
been been meter
Verschillen in het activiteitenniveau van kinderen komt voort uit het aangeboren temperament. Kinderen die in hun
babytijd actief waren, zijn dat ook in hun peuter- en kleuterjaren. Kinderen die als baby relatief kalm waren, blijven
dat meestal als peuter en kleuter. Het activiteitenniveau van een eeneiige tweeling vertoont meestal meer