Probleem 1 – nature nurture
Bron 1
INLEIDING
Een zichtbaar en meetbaar kenmerk wordt ook wel het fenotype genoemd. Dit kan bijvoorbeeld de kleur van de
ogen zijn, maar ook de score op een IQ test of de hechtingsrelatie dat een kind met zijn ouders heeft. Verschillen in
fenotype kunnen dus ontstaan door een verschil in genen, omgeving, of een interactie hiervan.
Bij onderzoek naar genetische effecten komen de volgende vragen aan bod:
Hoe groot is de variantie die kan worden verklaard door genetica?
Is de genetische invloed hetzelfde op verschillende leeftijden en hetzelfde voor jongens en meisjes?
Kunnen genen die een fenotype veroorzaken worden gelokaliseerd?
Bij invloeden uit de omgeving spelen de volgende mogelijkheden een rol:
Culturele transmissie: worden bepaalde gewoontes uit een bepaalde cultuur overgenomen wanneer ze
vanzelfsprekend worden gezien.
Een gedeelde omgeving die een kind deelt met anderen.
De unieke omgeving van een kind, denk aan een ziekte die de moeder tijdens de zwangerschap meemaakt
of een valpartij bij een kleuter.
Effecten van genen en omgeving kunnen elkaar versterken of tegenwerken. Voorbeelden daarvan zijn:
Associative mating (soort zoekt soort): individuen met bepaalde eigenschappen kiezen of krijgen vaak een
partner met dezelfde eigenschap.
Correlatie tussen genen en omgeving. Drie mechanismen worden hier onderscheiden:
1. Ouders geven aan hun kinderen genen en omgeving door die niet onafhankelijk zijn: ouders met
een hoog IQ bieden het kind ook een omgeving waarin de intellectuele ontwikkeling gestimuleerd
wordt.
2. Een kind kiest een omgeving die bij hem past: een lichamelijk actief kind zal liever lid worden van
een voetbalclub dan van een schaakclub.
3. Een kind met een bepaalde genetische bagage roept bepaalde reacties in de omgeving op: drukke
of agressieve kinderen worden vaker geconfronteerd met straf.
Interactie tussen genen en omgeving: het effect van de omgeving hangt af van de genetische bagage van
het individu, een goede gevulde boekenkast heeft bijvoorbeeld geen aantrekkingskracht voor een kind die
niet graag leest.
Sociale interactie: kinderen gaan veel om met personen met wie ze doorgaans ook genetisch verwant zijn:
hun ouders, eventuele andere familieleden.
HISTORISCHE ACHTERGROND: DE REPUTATIE VAN GENETISCH ONDERZOEK
Francis Galton wordt ook wel beschouwd als de grondlegger van de gedragsgenetica. Om te kijken hoe veel invloed
erfelijke factoren hebben op gedrag, moesten we volgens hem families, tweelingen en adoptiekinderen
onderzoeken. Denk hierbij aan correlatie. Hij nam als maat de reputatie van personen (een leider, uitvinden,
iemand die veel voor de wereld heeft gedaan). Hij ontdekte dat mannen met een reputatie vaak naaste
familieleden van elkaar waren, en de kans van reputatie nam af als de verwantschap minder was. Hierdoor
concludeerde hij dat erfelijkheid belangrijker is dan omgeving voor reputatie. Kritiek is dat dit alleen is onderzocht
voor mannen.
In later onderzoek wordt er ook wel gebruik gemaakt van tweelingen en adoptiekinderen.
In recentere studies wordt er gebruik gemaakt van grote aantallen individuen van wie het gehele
genetische profiel in kaart is gebracht. Dit kan dankzij moleculaire genetica. Galton legde de basis voor
gedrag genetische studies, Gregor Meldel voor de moleculaire genetische studies.
Een volgende stap is gezet door James Watson, die de structuur van DNA heeft ontdekt en beschreven.
,EMPIRISCH ONDERZOEK
Hoe kunnen we de relatieve invloed van erfelijkheid en omgeving bepalen? Kinderen krijgen de helft van genetische
informatie van moeder en de andere helft van vader. Twee kinderen uit een gezin hebben dus gemiddeld de helft
van hun genenpakket overeen. Tevens hebben ze gedeelde omgeving, maar ook unieke omgeving. Bij gezinnen met
een tweeling heb je het verschil in omgeving door verschil in geboortemoment natuurlijk niet meer waardoor de
gedeelde omgeving groter wordt en de unieke omgeving kleiner.
Iets anders wat tweelingen interessant maakt is wat voor tweelingen het zijn.
Dizygote tweelingen: lijken genetisch gezien even veel op elkaar als normale broertjes of zusjes omdat ze
ontstaan uit twee bevruchte eicellen.
Monozygote tweelingen: ontstaan uit een enkele bevruchte eicel en zijn dus genetisch identiek en hebben
hetzelfde geslacht.
Drie factoren voor de verklaring van variantie in gedrag
Bij het verklaren van variantie in gedrag worden drie factoren onderscheiden:
1. A: Additive genetic effect: dit is de genetische bijdrage aan de verklaring van de variantie. Het deel van de
variantie dat hierdoor wordt verklaard kan worden geschat uit het verschil tussen de correlaties van mono-
en dizygote tweelingen. Monozygote tweelingen zijn genetisch identiek, terwijl dizygote tweelingen
gemiddeld 50% van hun genenpakket overeenkomstig hebben. A is gelijk aan tweemaal het verschil tussen
de correlaties van mono- en dizygote tweelingen. Wanneer de correlaties weinig van elkaar verschillen
maakt het dus niet zoveel uit of je genetisch identiek bent. Het belang van genetica is wel groot wanneer
het verschil in correlatie groot is.
2. C: Common environment: dit is de gedeelde omgeving. Dit kunnen we berekenen door de correlatie van
dizygote tweelingen te verdubbelen (daarmee wordt gecompenseerd voor het feit dat hun genenpakket
maar 50% overeenkomt) en daarvan de correlatie van monozygote tweelingen af te trekken. Als de
correlatie van monozygote tweelingen weinig verschilt van die van dizygote tweelingen, is het blijkbaar de
gedeelde omgeving die verantwoordelijk is voor de gelijkenis tussen de tweelingsparen. Als de correlatie
van monozygote tweelingen hoger is dan die van dizygote tweelingen, dan heeft de gedeelde omgeving
minder invloed.
3. E: Error: de unieke omgeving, waarin ook de meetfouten zijn opgenomen. Hiermee blijft de variantie
eigenlijk onverklaard. Wanneer de correlatie van zowel mono- als dizygote tweelingen .40 is, is er dus geen
verschil tussen de soorten tweelingen, en is A gelijk aan 0. De gedeelde omgeving is gelijk aan .40,
waardoor de resterende 60% komt voor rekening van unieke omgeving en meetfouten.
Een tweede manier om de relatieve invloed van erfelijkheid en omgeving te schatten is juist gebaseerd op
individuen die geen familie van elkaar zijn. We kunnen nu een groot deel van het DNA in kaart brengen, waardoor
we Genome-wide Complex Trait Analysis (GCTA) kunnen uitvoeren. Hierbij worden grote groepen individuen
vergeleken op een bepaald fenotype en op hun DNA-profiel. Wanneer individuen die een bepaald fenotype
gemeenschappelijk hebben ook een genetisch kenmerk gemeen hebben, is dit een aanwijzing dat dat genetische
kenmerk iets te maken heeft met dat fenotype. Hiervoor zijn wel heel veel participanten nodig wat het moeilijker
maakt.
,In tweelingstudies worden wel vaak grotere genetische componenten gevonden, maar dat komt door interactie-
effecten van genen onderling, gen-omgeving interactie en zeldzame genetische varianten.
GEHECHTHEID GENETISCH VERANKERD?
De neiging van een kind om zich te hechten aan zijn opvoeder is aangeboren gezien de evolutionaire waarde (een
hogere overlevingskans). Maar zijn verschillen in gehechtheid genetisch bepaald? Niet elk kind laat namelijk
hetzelfde hechtheidsgedrag zien. Meerdere studies laten zien dat er geen genetisch effect was. Maar bij een enkele
studie was dit effect wel gevonden, maar daar werd de vreemde situatie-procedure niet toegepast, dus deze kan
worden verworpen. Wanneer we ouder worden zou er misschien wel een rol kunnen zijn van genetica op het
gebied van gehechtheid (bij adolescenten, niet bij volwassenen).
In de Nederlandse Generation R-studie is een GCTA voor gehechtheid uitgevoerd, en er werd geen genetische
component gevonden. Wel was de steekproef klein (600 kinderen). Het blijkt dat de correlatie tussen gehechtheid
tussen moeder en vader best klein is, waardoor we kunnen zeggen dat gehechtheid meer een kenmerk is van de
relatie en niet van het kind zelf. Wanneer het erfelijk was zou het gedrag geuit worden naar beide ouders.
GENEN VOOR VEILIGE GEHECHTHEID?
Hier wordt niet gekeken naar hoeveel van de variantie in gehechtheid verklaard wordt door genetische factoren,
maar of bepaalde genen gerelateerd zijn aan een grotere kans op veilige of onveilige gehechtheid. Uit een
Hongaarse studie bleek dat de kans op gedesorganiseerde gehechtheid veel groter was voor kinderen met het
dopamine D4-receptor-gen (DRD4) hadden. Deze studie kon alleen niet gerepliceerd worden. Dit was ook het geval
bij andere studies, deze konden ook niet gerepliceerd worden.
Vooralsnog is de conclusie dat veilig gehechte en onveilig gehechte kinderen genetisch niet systematisch van elkaar
verschillen.
Een ander soort onderzoek, de Genome Wide Association Studies (GWAS) hebben het genoom systematisch
gescand en een bepaald fenotype. Wanneer er enkele SNP’s komen bovendrijven, dan verklaren ze vaak minder
dan 1% van de variantie van het fenotype. Dit betekent dat voor veel eigenschappen de erfelijkheidscomponent
zoals gekwantificeerd in tweelingstsudies bij lange na niet kan worden ingevuld door kandidaat-gen-studies of
GWAS. Dit fenomeen staat bekend als de missing heritability problem. Het lukt dus niet om genen te identificeren
die verantwoordelijk zijn voor het genetisch effect dan uit tweelingstudies komen.
GEN-OMGEVINGINTERACTIE EN DIFFERENTIËLE ONTVANKELIJKHEID
Het zou ook nog zo kunnen zijn dat we niet alleen moeten kijken naar hoofdeffecten, maar ook naar de interactie
tussen gen en omgeving. Zo lopen bijvoorbeeld dragers van het 5-HTT gen een groter risico op depressie als ze in
de kinderjaren mishandelde opvoeding hebben ondergaan. We noemen dit dus gen-omgeving interactie (GxE).
Wel wordt getwijfeld aan de causale aard van deze oorzaken. Alleen experimenteel GxE onderzoek kan deze
twijfels wegnemen.
In de eerste experimentele GxE interventiestudie werd de video intervention to promote positive parenting-
sensitive discipline gebruikt om sensitief grenzen te stellen bij houders van jonge kinderen te bevorderen. Het doel
was om externaliserend probleemgedrag bij de kinderen te verminderen. Dit werkte goed, maar vooral bij kinderen
met een bepaalde vorm van het DRD4-gen (DRD4-7repeat). Kinderen met dat genotype bleken meer open te staan
voor de verandering in hun ouders, en zij lieten de sterkste vermindering van probleemgedrag zien.
De studies laten ook zien dat we anders moeten denken over zogenaamde risico-genen. Zo wordt het 5HTT-gen en
DRD4-7repeat gen gezien als risicogenen, terwijl juist kinderen met dit genotypen die als risicofactor werden gezien
in de interventiestudies meer profiteerden van de interventie dan leeftijdsgenoten zonder dat genotype. Dit komt
niet vanwege het lage begin niveau waardoor meer progressie mogelijk is, maar vanwege grotere openheid van
dragers voor veranderingen in de omgeving.
, GENETICA IN SOCIAAL-CULTURELE CONTEXT
Het is slim om in onderzoeken niet meerdere etnische groepen met elkaar te combineren, aangezien sommige
genen vaker voorkomen in de ene bevolkingsgroep in vergelijking met de andere. Ook is de sociaal-culturele
context erg belangrijk om te weten. Wanneer er bijvoorbeeld wordt gekeken naar rekenvaardigheden van
tienjarigen, zal in sommige gebieden de kwaliteit van het onderwijs hoger liggen dan in andere gebieden.
TOEKOMST: EPIGENETICA
Vooralsnog lijkt opvoeding wel een belangrijke rol te spelen aangezien de genetische hoofdeffecten aangetoond in
GWAS, GCTA en kandidaat-genenstudies vooralsnog klein. En experimentele GxE studies wijzen uit dat de omgeving
een cruciale rol speelt in interactie met de genetische bagage.
Tevens is er recent onderzoek naar de rol van epigenetica in de menselijke ontwikkeling van gedrag en
persoonlijkheid. Tweelingen met 100% identiek DNA blijken in de loop van de ontwikkeling toch fors te verschillen
in de expressie van hun genen. Dit betekent dat ze verschillen in de productie van eiwitten en enzymen die
essentieel zijn voor het functioneren van lichaam en brein. Deze veranderingen kunnen het verschil maken tussen
kanker krijgen of niet. Deze veranderingen kunnen ook een belangrijke rol spelen bij de invloed van
kindermishandeling op langere termijn, bijvoorbeeld doordat genen die de cortisol productie aansturen anders
worden afgesteld.
BRON 2
VAN TOEN NAAR NU
Thijssen (1938) is de grondlegger van het idee dat de natuur (dus niet nurture) de veroorzaker is van het gedrag van
kinderen. Tegenwoordig zijn er veel veranderingen geweest in opvoeding en onderwijs, waardoor dit idee nu
verworpen lijkt te zijn. Steeds meer mensen beschikken materiaal om pedagogiek te kunnen bestuderen. Thijssen is
het niet eens met de verschuiving van gedachte.
EEN BESTEMDEN TIJD
Aan het eind van de 18e (1700-1800) eeuw heerste er een revolutie waarbij er een nadruk werd gelegd op een vrije,
en zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van het kind. Vrijheid kon worden bereikt door het kind zo veel mogelijk in
de natuur op te laten groeien. Dit was een idee van Jean-Jacques Rousseau.
Navolgers waren het niet compleet met dit idee eens. Zij vonden wel dat het kind in de natuur moest worden
opgegroeid, maar dat de natuur een beetje geholpen moest worden. Een akker moeten we ploegen, bezaaien, etc.
Meer romantisch geaarde opvoedingsdeskundigen gebruikten de metafoor tuin en tuinman. Hier had de opvoeder
ook een verantwoordelijke taak, aangezien een beetje ouder al snel handenvol werk had aan het kind. Het kind is
wel vrij, maar wel in verbondenheid (wel met grenzen). Ze zijn het dus eens met de navolgers.
NATURE OF NURTURE
Piaget zag ontwikkeling als een zichzelf ontvouwend proces, dat wel afhankelijk was van input van buitenaf, maar
niet echt werd bepaald door die input (laat staan verandert). Hij zei dat kinderen zelf in hun gedrag aangeven
wanneer ze toe zijn aan een nieuwe ontwikkelingstap. Hij koppelde verschillende cognitieve stadiums met
ontwikkelingsstadiums. Veel van zijn inzichten stamden af van het behaviorisme. Behavioristen waren overtuigd
van de maakbaarheid van het kind.
Volgens het behaviorisme ligt de verandering van ontwikkeling niet in de natuurlijke processen van het kind, maar
in de omgevingsinvloeden op het kind.
Watson en Piaget stonden haaks tegenover elkaar op het gebied van nature-nurture, waarbij omgevingsinvloeden
vaak door meer mensen werden ondersteund. Vervolgens kwam er een cognitieve revolutie, waardoor er een
herontdekking ontstond voor Piaget (lees volgende alinea). Hierdoor geloofde hij meer in het belang van nurture.
Bron 1
INLEIDING
Een zichtbaar en meetbaar kenmerk wordt ook wel het fenotype genoemd. Dit kan bijvoorbeeld de kleur van de
ogen zijn, maar ook de score op een IQ test of de hechtingsrelatie dat een kind met zijn ouders heeft. Verschillen in
fenotype kunnen dus ontstaan door een verschil in genen, omgeving, of een interactie hiervan.
Bij onderzoek naar genetische effecten komen de volgende vragen aan bod:
Hoe groot is de variantie die kan worden verklaard door genetica?
Is de genetische invloed hetzelfde op verschillende leeftijden en hetzelfde voor jongens en meisjes?
Kunnen genen die een fenotype veroorzaken worden gelokaliseerd?
Bij invloeden uit de omgeving spelen de volgende mogelijkheden een rol:
Culturele transmissie: worden bepaalde gewoontes uit een bepaalde cultuur overgenomen wanneer ze
vanzelfsprekend worden gezien.
Een gedeelde omgeving die een kind deelt met anderen.
De unieke omgeving van een kind, denk aan een ziekte die de moeder tijdens de zwangerschap meemaakt
of een valpartij bij een kleuter.
Effecten van genen en omgeving kunnen elkaar versterken of tegenwerken. Voorbeelden daarvan zijn:
Associative mating (soort zoekt soort): individuen met bepaalde eigenschappen kiezen of krijgen vaak een
partner met dezelfde eigenschap.
Correlatie tussen genen en omgeving. Drie mechanismen worden hier onderscheiden:
1. Ouders geven aan hun kinderen genen en omgeving door die niet onafhankelijk zijn: ouders met
een hoog IQ bieden het kind ook een omgeving waarin de intellectuele ontwikkeling gestimuleerd
wordt.
2. Een kind kiest een omgeving die bij hem past: een lichamelijk actief kind zal liever lid worden van
een voetbalclub dan van een schaakclub.
3. Een kind met een bepaalde genetische bagage roept bepaalde reacties in de omgeving op: drukke
of agressieve kinderen worden vaker geconfronteerd met straf.
Interactie tussen genen en omgeving: het effect van de omgeving hangt af van de genetische bagage van
het individu, een goede gevulde boekenkast heeft bijvoorbeeld geen aantrekkingskracht voor een kind die
niet graag leest.
Sociale interactie: kinderen gaan veel om met personen met wie ze doorgaans ook genetisch verwant zijn:
hun ouders, eventuele andere familieleden.
HISTORISCHE ACHTERGROND: DE REPUTATIE VAN GENETISCH ONDERZOEK
Francis Galton wordt ook wel beschouwd als de grondlegger van de gedragsgenetica. Om te kijken hoe veel invloed
erfelijke factoren hebben op gedrag, moesten we volgens hem families, tweelingen en adoptiekinderen
onderzoeken. Denk hierbij aan correlatie. Hij nam als maat de reputatie van personen (een leider, uitvinden,
iemand die veel voor de wereld heeft gedaan). Hij ontdekte dat mannen met een reputatie vaak naaste
familieleden van elkaar waren, en de kans van reputatie nam af als de verwantschap minder was. Hierdoor
concludeerde hij dat erfelijkheid belangrijker is dan omgeving voor reputatie. Kritiek is dat dit alleen is onderzocht
voor mannen.
In later onderzoek wordt er ook wel gebruik gemaakt van tweelingen en adoptiekinderen.
In recentere studies wordt er gebruik gemaakt van grote aantallen individuen van wie het gehele
genetische profiel in kaart is gebracht. Dit kan dankzij moleculaire genetica. Galton legde de basis voor
gedrag genetische studies, Gregor Meldel voor de moleculaire genetische studies.
Een volgende stap is gezet door James Watson, die de structuur van DNA heeft ontdekt en beschreven.
,EMPIRISCH ONDERZOEK
Hoe kunnen we de relatieve invloed van erfelijkheid en omgeving bepalen? Kinderen krijgen de helft van genetische
informatie van moeder en de andere helft van vader. Twee kinderen uit een gezin hebben dus gemiddeld de helft
van hun genenpakket overeen. Tevens hebben ze gedeelde omgeving, maar ook unieke omgeving. Bij gezinnen met
een tweeling heb je het verschil in omgeving door verschil in geboortemoment natuurlijk niet meer waardoor de
gedeelde omgeving groter wordt en de unieke omgeving kleiner.
Iets anders wat tweelingen interessant maakt is wat voor tweelingen het zijn.
Dizygote tweelingen: lijken genetisch gezien even veel op elkaar als normale broertjes of zusjes omdat ze
ontstaan uit twee bevruchte eicellen.
Monozygote tweelingen: ontstaan uit een enkele bevruchte eicel en zijn dus genetisch identiek en hebben
hetzelfde geslacht.
Drie factoren voor de verklaring van variantie in gedrag
Bij het verklaren van variantie in gedrag worden drie factoren onderscheiden:
1. A: Additive genetic effect: dit is de genetische bijdrage aan de verklaring van de variantie. Het deel van de
variantie dat hierdoor wordt verklaard kan worden geschat uit het verschil tussen de correlaties van mono-
en dizygote tweelingen. Monozygote tweelingen zijn genetisch identiek, terwijl dizygote tweelingen
gemiddeld 50% van hun genenpakket overeenkomstig hebben. A is gelijk aan tweemaal het verschil tussen
de correlaties van mono- en dizygote tweelingen. Wanneer de correlaties weinig van elkaar verschillen
maakt het dus niet zoveel uit of je genetisch identiek bent. Het belang van genetica is wel groot wanneer
het verschil in correlatie groot is.
2. C: Common environment: dit is de gedeelde omgeving. Dit kunnen we berekenen door de correlatie van
dizygote tweelingen te verdubbelen (daarmee wordt gecompenseerd voor het feit dat hun genenpakket
maar 50% overeenkomt) en daarvan de correlatie van monozygote tweelingen af te trekken. Als de
correlatie van monozygote tweelingen weinig verschilt van die van dizygote tweelingen, is het blijkbaar de
gedeelde omgeving die verantwoordelijk is voor de gelijkenis tussen de tweelingsparen. Als de correlatie
van monozygote tweelingen hoger is dan die van dizygote tweelingen, dan heeft de gedeelde omgeving
minder invloed.
3. E: Error: de unieke omgeving, waarin ook de meetfouten zijn opgenomen. Hiermee blijft de variantie
eigenlijk onverklaard. Wanneer de correlatie van zowel mono- als dizygote tweelingen .40 is, is er dus geen
verschil tussen de soorten tweelingen, en is A gelijk aan 0. De gedeelde omgeving is gelijk aan .40,
waardoor de resterende 60% komt voor rekening van unieke omgeving en meetfouten.
Een tweede manier om de relatieve invloed van erfelijkheid en omgeving te schatten is juist gebaseerd op
individuen die geen familie van elkaar zijn. We kunnen nu een groot deel van het DNA in kaart brengen, waardoor
we Genome-wide Complex Trait Analysis (GCTA) kunnen uitvoeren. Hierbij worden grote groepen individuen
vergeleken op een bepaald fenotype en op hun DNA-profiel. Wanneer individuen die een bepaald fenotype
gemeenschappelijk hebben ook een genetisch kenmerk gemeen hebben, is dit een aanwijzing dat dat genetische
kenmerk iets te maken heeft met dat fenotype. Hiervoor zijn wel heel veel participanten nodig wat het moeilijker
maakt.
,In tweelingstudies worden wel vaak grotere genetische componenten gevonden, maar dat komt door interactie-
effecten van genen onderling, gen-omgeving interactie en zeldzame genetische varianten.
GEHECHTHEID GENETISCH VERANKERD?
De neiging van een kind om zich te hechten aan zijn opvoeder is aangeboren gezien de evolutionaire waarde (een
hogere overlevingskans). Maar zijn verschillen in gehechtheid genetisch bepaald? Niet elk kind laat namelijk
hetzelfde hechtheidsgedrag zien. Meerdere studies laten zien dat er geen genetisch effect was. Maar bij een enkele
studie was dit effect wel gevonden, maar daar werd de vreemde situatie-procedure niet toegepast, dus deze kan
worden verworpen. Wanneer we ouder worden zou er misschien wel een rol kunnen zijn van genetica op het
gebied van gehechtheid (bij adolescenten, niet bij volwassenen).
In de Nederlandse Generation R-studie is een GCTA voor gehechtheid uitgevoerd, en er werd geen genetische
component gevonden. Wel was de steekproef klein (600 kinderen). Het blijkt dat de correlatie tussen gehechtheid
tussen moeder en vader best klein is, waardoor we kunnen zeggen dat gehechtheid meer een kenmerk is van de
relatie en niet van het kind zelf. Wanneer het erfelijk was zou het gedrag geuit worden naar beide ouders.
GENEN VOOR VEILIGE GEHECHTHEID?
Hier wordt niet gekeken naar hoeveel van de variantie in gehechtheid verklaard wordt door genetische factoren,
maar of bepaalde genen gerelateerd zijn aan een grotere kans op veilige of onveilige gehechtheid. Uit een
Hongaarse studie bleek dat de kans op gedesorganiseerde gehechtheid veel groter was voor kinderen met het
dopamine D4-receptor-gen (DRD4) hadden. Deze studie kon alleen niet gerepliceerd worden. Dit was ook het geval
bij andere studies, deze konden ook niet gerepliceerd worden.
Vooralsnog is de conclusie dat veilig gehechte en onveilig gehechte kinderen genetisch niet systematisch van elkaar
verschillen.
Een ander soort onderzoek, de Genome Wide Association Studies (GWAS) hebben het genoom systematisch
gescand en een bepaald fenotype. Wanneer er enkele SNP’s komen bovendrijven, dan verklaren ze vaak minder
dan 1% van de variantie van het fenotype. Dit betekent dat voor veel eigenschappen de erfelijkheidscomponent
zoals gekwantificeerd in tweelingstsudies bij lange na niet kan worden ingevuld door kandidaat-gen-studies of
GWAS. Dit fenomeen staat bekend als de missing heritability problem. Het lukt dus niet om genen te identificeren
die verantwoordelijk zijn voor het genetisch effect dan uit tweelingstudies komen.
GEN-OMGEVINGINTERACTIE EN DIFFERENTIËLE ONTVANKELIJKHEID
Het zou ook nog zo kunnen zijn dat we niet alleen moeten kijken naar hoofdeffecten, maar ook naar de interactie
tussen gen en omgeving. Zo lopen bijvoorbeeld dragers van het 5-HTT gen een groter risico op depressie als ze in
de kinderjaren mishandelde opvoeding hebben ondergaan. We noemen dit dus gen-omgeving interactie (GxE).
Wel wordt getwijfeld aan de causale aard van deze oorzaken. Alleen experimenteel GxE onderzoek kan deze
twijfels wegnemen.
In de eerste experimentele GxE interventiestudie werd de video intervention to promote positive parenting-
sensitive discipline gebruikt om sensitief grenzen te stellen bij houders van jonge kinderen te bevorderen. Het doel
was om externaliserend probleemgedrag bij de kinderen te verminderen. Dit werkte goed, maar vooral bij kinderen
met een bepaalde vorm van het DRD4-gen (DRD4-7repeat). Kinderen met dat genotype bleken meer open te staan
voor de verandering in hun ouders, en zij lieten de sterkste vermindering van probleemgedrag zien.
De studies laten ook zien dat we anders moeten denken over zogenaamde risico-genen. Zo wordt het 5HTT-gen en
DRD4-7repeat gen gezien als risicogenen, terwijl juist kinderen met dit genotypen die als risicofactor werden gezien
in de interventiestudies meer profiteerden van de interventie dan leeftijdsgenoten zonder dat genotype. Dit komt
niet vanwege het lage begin niveau waardoor meer progressie mogelijk is, maar vanwege grotere openheid van
dragers voor veranderingen in de omgeving.
, GENETICA IN SOCIAAL-CULTURELE CONTEXT
Het is slim om in onderzoeken niet meerdere etnische groepen met elkaar te combineren, aangezien sommige
genen vaker voorkomen in de ene bevolkingsgroep in vergelijking met de andere. Ook is de sociaal-culturele
context erg belangrijk om te weten. Wanneer er bijvoorbeeld wordt gekeken naar rekenvaardigheden van
tienjarigen, zal in sommige gebieden de kwaliteit van het onderwijs hoger liggen dan in andere gebieden.
TOEKOMST: EPIGENETICA
Vooralsnog lijkt opvoeding wel een belangrijke rol te spelen aangezien de genetische hoofdeffecten aangetoond in
GWAS, GCTA en kandidaat-genenstudies vooralsnog klein. En experimentele GxE studies wijzen uit dat de omgeving
een cruciale rol speelt in interactie met de genetische bagage.
Tevens is er recent onderzoek naar de rol van epigenetica in de menselijke ontwikkeling van gedrag en
persoonlijkheid. Tweelingen met 100% identiek DNA blijken in de loop van de ontwikkeling toch fors te verschillen
in de expressie van hun genen. Dit betekent dat ze verschillen in de productie van eiwitten en enzymen die
essentieel zijn voor het functioneren van lichaam en brein. Deze veranderingen kunnen het verschil maken tussen
kanker krijgen of niet. Deze veranderingen kunnen ook een belangrijke rol spelen bij de invloed van
kindermishandeling op langere termijn, bijvoorbeeld doordat genen die de cortisol productie aansturen anders
worden afgesteld.
BRON 2
VAN TOEN NAAR NU
Thijssen (1938) is de grondlegger van het idee dat de natuur (dus niet nurture) de veroorzaker is van het gedrag van
kinderen. Tegenwoordig zijn er veel veranderingen geweest in opvoeding en onderwijs, waardoor dit idee nu
verworpen lijkt te zijn. Steeds meer mensen beschikken materiaal om pedagogiek te kunnen bestuderen. Thijssen is
het niet eens met de verschuiving van gedachte.
EEN BESTEMDEN TIJD
Aan het eind van de 18e (1700-1800) eeuw heerste er een revolutie waarbij er een nadruk werd gelegd op een vrije,
en zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van het kind. Vrijheid kon worden bereikt door het kind zo veel mogelijk in
de natuur op te laten groeien. Dit was een idee van Jean-Jacques Rousseau.
Navolgers waren het niet compleet met dit idee eens. Zij vonden wel dat het kind in de natuur moest worden
opgegroeid, maar dat de natuur een beetje geholpen moest worden. Een akker moeten we ploegen, bezaaien, etc.
Meer romantisch geaarde opvoedingsdeskundigen gebruikten de metafoor tuin en tuinman. Hier had de opvoeder
ook een verantwoordelijke taak, aangezien een beetje ouder al snel handenvol werk had aan het kind. Het kind is
wel vrij, maar wel in verbondenheid (wel met grenzen). Ze zijn het dus eens met de navolgers.
NATURE OF NURTURE
Piaget zag ontwikkeling als een zichzelf ontvouwend proces, dat wel afhankelijk was van input van buitenaf, maar
niet echt werd bepaald door die input (laat staan verandert). Hij zei dat kinderen zelf in hun gedrag aangeven
wanneer ze toe zijn aan een nieuwe ontwikkelingstap. Hij koppelde verschillende cognitieve stadiums met
ontwikkelingsstadiums. Veel van zijn inzichten stamden af van het behaviorisme. Behavioristen waren overtuigd
van de maakbaarheid van het kind.
Volgens het behaviorisme ligt de verandering van ontwikkeling niet in de natuurlijke processen van het kind, maar
in de omgevingsinvloeden op het kind.
Watson en Piaget stonden haaks tegenover elkaar op het gebied van nature-nurture, waarbij omgevingsinvloeden
vaak door meer mensen werden ondersteund. Vervolgens kwam er een cognitieve revolutie, waardoor er een
herontdekking ontstond voor Piaget (lees volgende alinea). Hierdoor geloofde hij meer in het belang van nurture.