Wat zijn de verschillende huidige gezinssamenstellingen?
Definitie gezin: elk leefverband van een of meerdere volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de
verzorging en opvoeding van een of meer kinderen, ongeacht de leeftijd van de kinderen.
De laatste jaren is er een toename van diversiteit in gezinsverbanden. Deze toename weerspiegelt veranderingen in
normen en waarden ten aanzien van relatie- en gezinsvorming, ook wel beschreven als de tweede demografische
transitie. Deze veranderende opvattingen maken deel uit van meer algemene processen van individualisering,
secularisering en modernisering.
Gezinnen
Het aantal huishoudens is sinds 1990 flink gestegen. Mensen leven namelijk steeds vaker
alleen. Volgens het CBS zal het aantal huishoudens komende jaren hard toenemen
doorn bevolkingsgroei, alleenwonende 65-plussers, jongeren gaan vaker alleen wonen,
en echtscheidingen vinden frequenter plaats.
Een- en tweeoudergezinnen: komen het meest voor. Ongeveer de helft van de
eenoudergezinnen is ontstaan door echtscheiding. Meestal blijven de kinderen
na echtscheiding bij de moeder wonen. Veel alleenstaande ouders gaan na een
tijd weer samenwonen met een nieuwe partner. Mannen vinden sneller een
nieuwe partner dan dat vrouwen doen. De kans is voor vrouwen ook kleiner
omdat de kinderen meestal bij de moeder blijven wonen.
Co-ouderschap: als ouders met kinderen scheiden gaan de meeste kinderen bij hun moeder wonen.
Tegenwoordig kiezen steeds meer gescheiden paren met kinderen voor co-ouderschap. Co-ouderschap
komt vaker voor dan wonen bij de vader. Hoe meer contact er is met beide ouders, hoe beter het is voor
het zelfvertrouwen en het welzijn van het kind.
Stiefgezinnen: er is een groot aantal alleenstaande ouders dat met een nieuwe partner een gezin vormt.
Het aantal stiefgezinnen is in de laatste jaren toegenomen. In 80% van de stiefgezinnen is de vrouw de
biologische ouder. In de meeste stiefgezinnen krijgen de kinderen dus met een stiefvader te maken. Ook
samengestelde gezinnen komen voor.
Pleegkinderen: als er problemen zijn in een gezin en hulp niet meer toereikend is kan uithuisplaatsing
worden besloten. Pleegzorg is dan de eerste keuze omdat deze vorm het dichtst bij de natuurlijke situatie
blijft. De kinderen blijven vaak dicht bij de biologische ouders. Er is een groei in pleegkinderen geweest
afgelopen jaren.
Adopties: er bestaan twee soorten adopties; gewone adopties (geen van de adoptieouders is de
biologische ouder), stiefouderadopties (de nieuwe partner van de moeder of vader adopteert het kind).
Het aantal gewone adopties nam vanaf jaren 60 sterk toe, maar in de jaren 80 stopte deze stijging. Bijna
alle kinderen komen uit het buitenland, vooral China.
Twee van hetzelfde geslacht: er bestaan meer twee-mannen koppels dan twee-vrouwen koppels. Het
aantal paren van gelijk geslacht is geleidelijk toegenomen.
Hoe zijn de gezinssamenstellingen in de loop van de tijd veranderd? En wat zijn de redenen hiervoor?
Bron 1
Modern ouderschap: het gezag van ouders, en ook die van docenten is verzwakt en ze kunnen minder beroep doen
op hun autoriteit. Eigen keuze en zelfbesturing zijn de begrippen van vandaag. Dit geldt voor pubers en voor
kleinere kinderen. De regels en grenzen zijn elastischer geworden dan vroeger.
Opvoeding in vroegere tijden: voor de industriële revolutie was het leven vaak fysiek zwaarder. Gezinnen hadden
veel kinderen, maar ook de kindersterfte was groot. Het ouderschap was anders: de ouderlijke zorg was gericht op
,het overleven en het overdragen van benodigde kennis en vaardigheden voor werk of huishouden. Zorg was
voornamelijk fysiek op voedsel, onderdak, etc. Er was weinig aandacht voor de psychologische ontwikkeling.
Vanaf 1920 werd het ideaal dat mannen geld gingen verdienen en vrouwen bleven thuis voor de kinderen
zorgen. Armoede was wel vaak groot waardoor vrouwen ook moesten gaan werken. Veel tijd een
aandacht voor de kinderen was er dus niet. Ze brachten kinderen gehoorzaamheid bij aan regels en
voorschriften, de opvoeding was gericht op orde en discipline, en van kinderen werd verwacht dat zij zich
zouden schikken naar de eisen en belangen van het gezin.
Vanaf 1950 steeg het onderwijsniveau en verbeterde de gezondheidszorg. Het gezinspatroon veranderde
ook. Vrouwen werkten totdat ze kinderen kregen en stopten dan. Dit werd het standaardpatroon.
Maatschappelijke veranderingen op het gezinsleven
De invloed van religie werd minder, het huwelijk werd minder belangrijk en seks voor het huwelijk werd minder
taboe (anticonceptie). Er ontwikkelde zich een cultuur van zelfbepaling: niet langer waren het lot, de traditie of de
kerk richtinggevend, maar de eigen keuze en de eigen wil. Mannen zijn niet meer de enige kostwinner, en de zorg
voor kinderen is niet langer uitsluitend het domein van de vrouw. Kinderen hebben meer te zeggen gekregen. De
volwassenheid wordt vaker uitgesteld en de tijd van opleiding duurt langer. De emerging adults hebben meer
keuzevrijheid, maar deze idealen kunnen ook onzekerheid en stress meenemen. Ze hebben dus een grote behoefte
aan steun van hun ouders en docenten. Het ideaal is vrijheid, maar ze hebben nog steeds houvast/begrenzing
nodig.
Hun ouders stellen zich minder vaak autoritair op omdat ze het anders willen doen dan hun ouders. Ze willen meer
contact met hun kinderen en minder afstand. Tevens zijn de ouders bang voor de nieuwe media en wat dit doet
met hun kinderen, en ook zijn ze bezorgd voor hun kinderen door wat ze zien op de media.
Kinderen mogen veel, maar moeten tegenwoordig ook veel. Ontwikkelingsstimulering is dan ook de nieuwe
pedagogische opdracht. Dit is het optimaliseren van de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van
kinderen. Dit komt omdat de concurrentie groot is. Deze eisen van perfectie kan de ouders een angstige bezorgheid
geven. Maar, uit een studie blijkt dat een groot deel van hen positief denkt over de eigen opvoedvaardigheden en
zich geen grote zorgen maakt over kinderen en opvoeding.
De ouders denken tegenwoordig dat ze hun kinderen volledig alleen moeten opvoeden, terwijl het eigenlijk een
onderdeel zou moeten zijn van de gemeenschappelijke zorg. Het gaat hierbij om burgerlijke oplettendheid, een
gevoel van gemeenschappelijke zorg voor kinderen en voor de mensen die voor kinderen zorgen. Dit zal de ouders
minder angstig en minder eenzaam maken.
Bron 2
Het model van Bronfenbrenner
De ontwikkeling van kinderen vindt plaats als gevolg van een toenemende complexe interactie tussen het
ontwikkelende individu en personen, objecten en symbolen in zijn onmiddelijke omgeving. Proximale processen
zijn hierbij het samenspelen met vriendjes, een activiteit met vader en moeder of een gesprek met de leerkracht.
De ecologische systemen bestaan uit het microsysteem, mesosysteem, exosysteem, macrosysteem en het
chronosysteem.
Microsysteem: directe omgeving van het kind zoals het gezin, de vrienden, de kinderopvang.
Mesosysteem: de interactie tussen de microsystemen. Een goede afstemming tussen verschillende
microsystemen komt de ontwikkeling van het kind ten goede.
Exosysteem: omgeving die niet een directe invloed heeft op het kind, maar die wel de directe omgeving
beinvloed zoals het werk van de ouders.
Macrosysteem: grote structuren op afstand van het kind zoals wetten, cultuur en religie.
Chronosysteem: de historische ontwikkeling kan de omgevingen van het kind veranderen. Denk aan het
overlijden wat invloed heeft op een verandering in gezinsstructuur, verandering in sociaaleconomische
status en de eisen van het digitale tijdperk.
,Bron 3
De invloed van geboorte en sterfte op gezinsvorming: de demografische transitie
De demografische transitie is de verschuiving van een samenleving met hoge geboorte- en sterftecijfers naar een
samenleving met geboorte beperking en fors minder sterfte. De demografische transitie voltrok zich in vier fasen”:
1. Een hoog geboortecijfer gecombineerd met een hoog sterftecijfer.
2. Een hoog geboortecijfer en een dalend sterftecijfer.
3. Een dalend geboortecijfer en een laag sterftecijfer.
4. Een laag geboortecijfer en een laag sterftecijfer.
Het dalende sterftecijfer was een gevolg van:
De modernisering en de economische groei door de industrialisatie.
Betere voeding.
Verbeterde leefomstandigheden: het lukte de hygienisten om de huisvesting van de allerarmsten te
verbeteren. Met de Woningwet van 1901 kwam er een einde aan de ongezonde woonomstandigheden in
de grote steden.
Toenemende private en publieke hygiëne: dit werd bevorderd door afvalafvoer en de aanleg van
waterleiding en riolering. Er volgden adviezen of hoe zuigelingen verzorg konden worden (frisse lucht,
bewegingsvrijheid, regelmaat in voeding en verzorging).
Door deze transitie werd het huwelijk niet langer uitgesteld. Door de dalende sterfte en lagere huwelijksleeftijd
groeide de bevolking fors. Pas na 1880 volgde een daling van de huwelijksvruchtbaarheid door geboorteregeling.
De daling van het geboortecijfer was een reactie op de dalende sterfte om de groei te beperken. De demografische
transitie betekende de verschuiving van een horizontale naar een verticale familieopbouw: de nadruk verschoof
binnen families van relaties binnen generaties naar relaties tussen generaties.
Bron 4
Gezinsvorming en gezinsontwikkeling
In Nederland wordt veel waarde gehecht aan een traditioneel kerngezin: een (blijvend) gehuwde vader en moeder
met een of twee biologische kinderen. Anno 2020 voldoet een gezin vaak minder snel aan het beeld van het
traditionele kerngezin. Er zijn veel verschillende soorten gezinnen. Deze worden gekenmerkt door de verschillen in
hoe het gezin gevormd is (adoptie) of hoe het zich heeft ontwikkeld (door echtscheiding of overlijden).
Het beeld van het traditionele kerngezin als ideale gezinsvorm is na 1900 ontstaan en blijven hangen in het
collectieve geheugen. Vanaf de tweede helft van de 19 e eeuw vonden er verschillende ontwikkelingen plaats
waardoor gezinssamenstellingen veranderen:
Tussen 1870 en 1920 vond de eerste demografische transitie plaats waarbij sterftecijfer daalde en het
scheiden minder voorkwam. Door deze veranderingen groeiden veel kinderen tussen 1900 en 1940 op in
het traditionele kerngezin.
Vanaf 1960 tot 1989 vond de tweede demografische transitie plaats, onder meer doordat normen en
waarden ten aanzien van gezinsvorming veranderden. Mensen lieten hun leven minder dan voorheen
bepalen door de regels en gebruiken van de kerk of door hun familie door individualisering. Meer mensen
gingen ongehuwd samenwonen en kinderen krijgen buiten het huwelijk – minder traditionele gezinnen.
Meer ouders gingen uit elkaar en nieuwe relaties werden gevormd nadat de eerste relatie was ontbonden.
In 2019 is het kerngezin nog steeds de meest voorkomende gezinsvorm (80% van de gezinnen was een
tweeoudergezin). Tegenwoordig is het steeds gebruikelijker dat mensen ongehuwd samenwonen terwijl
ze kinderen hebben. Er is een daling in het aantal huwelijken, maar geregistreerd partnerschap komt wel
vaker voor.
Timing van het ouderschap
Het aantal tienermoeders is sterk gedaald. Dit is te verklaren door preventie van tienerzwangerschappen en
strengere regels met betrekking tot huwelijksmigratie. Het aantal vrouwen dat voor het eerst moeder wordt op of
na hun 45ste jaar neemt juist toe. Gemiddeld is de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen toegenomen van
, 26,4 jaar in 1950 naar 29,9 jaar in 2018. Het uitstel leidt niet tot afstel en krijgen hoogopgeleide moeders ongeveer
evenveel kinderen als laagopgeleide moeders. Ook mannen worden later vader; 31,5 jaar in 1996 en 32,7 jaar in
2018.
Heeft de leeftijd van het krijgen van een kind ook invloed op de ontwikkeling van een kind?
Kinderen van tienermoeders groeien vaak op in een groot gezin en in een lager sociaal economisch milieu.
Deze omstandigheden lijken samen te hangen met minder positieve ouder-kind interacties, vroegtijdig
ouderschap bij de kinderen (intergenerationele overdracht), een lagere intelligentie en een grotere kans
op criminaliteit. Het probleemgedrag is meer een functie van de ongunstige omgevingsfactoren en minder
van het tienermoederschap.
Er is weinig onderzoek dat zich specifiek richt op lastminute moeders. Voor het welbevinden en cognitieve
ontwikkeling van kinderen blijkt de leeftijd van de moeder (tussen de 21 en 50 jaar) geen rol te spelen.
Ook kinderen die na een vruchtbaarheidsbehandeling zijn geboren bij moeders tussen de 21 en 50
verschillen niet van elkaar in de mate van depressiviteit, angst, gedragsproblemen en fysieke klachten.
Onderzoeken hebben aangetoond dat kinderen van tienermoeders vaker te maken krijgen met hardhandige
disciplinering, negatieve moeder-kindinteracties en een lagere mate van sensitiviteit. Deze negatieve effecten
kunnen verklaard worden op basis van twee hypothesen:
1. Sociale-invloed-hypothese: tienermoederschap is een onderbreking in de normale ontwikkeling van een
jongeren. Deze onderbreking brengt sociale en economische stress en belasting met zich mee waardoor
een tienermoeder minder goed in staat is tot opvoeden.
2. Sociale-selectiehypothese: er zijn bepaalde psychosociale factoren de kans op tienermoederschap
vergroten, en ook een negatieve invloed kunnen hebben op de kwaliteit van de opvoeding. Een voorbeeld
is risicogedrag: door seksueel risicogedrag heeft een meisje meer kans om zwanger te raken en
tegelijkertijd zorgt dit risicogedrag ervoor dat zij haar kind afwijkende seksuele normen aanleert.
De sensitiviteit van moeders en hun vermogen om structuur aan te bieden neemt toe tot een leeftijd van ongeveer
30 jaar. Dit komt omdat vrouwen vanaf ongeveer 30 jaar een stabiele gezinssituatie en een sociaal netwerk
hebben.
1. De hogere mate van warmte en betrokkenheid van oudere moeders kan ook verklaard worden vanuit de
niet-vanzelfsprekende-zwangerschapshypothese: veel ouders hebben bewust moeite moeten doen en
hebben dus een meer bewuste keuze gemaakt en zijn beter voorbereid.
2. Een ander verschil verklaart de maturiteitshypothese: deze zegt dat de ouderschapskennis en
competentie toeneemt met leeftijd.
De ontwikkeling is dus niet zozeer afhankelijk van de leeftijd van de moeder, maar vooral de omgeving die bepaalt
of een kind zich optimaal ontwikkelt.
Bron 5
Ontwikkelingen in het aantal gezinnen en hun kenmerken
Het aantal gezinnen is het afgelopen decennium ligt gestegen. De lichte toename van het aantal gezinnen
in het begin van deze eeuw werd veroorzaakt door een toename van het aantal tweeoudergezinnen en
door een sterke toename van eenoudergezinnen. Verwachting is dat het aantal eenoudergezinnen de
komende tienjaren flink zal toenemen. Het aantal tweeoudergezinnen zal volgens het CBS juist afnamen.
In 2020 zal het merendeel van de gezinnen nog steeds gaan om een niet-gehuwd paar.
Bijna de helft van de gezinnen heeft twee thuiswonende kinderen. Naar verwachting zal het aantal
gezinnen met twee kinderen de komende 15 jaar dalen. Ook zullen 3+ kinderen per gezin gaan afnemen.
De aantallen eenoudergezinnen met een en twee kinderen zullen de komende jaren toenemen, het aantal
eenoudergezinnen met drie kinderen zal wel licht afnemen.