Hoofdstuk 1................................................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 3................................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 4................................................................................................................................................... 7
Hoofdstuk 5................................................................................................................................................... 9
Hoofdstuk 6................................................................................................................................................. 12
Hoofdstuk 8................................................................................................................................................. 14
Hoofdstuk 9................................................................................................................................................. 16
Hoofdstuk 10............................................................................................................................................... 19
Hoofdstuk 11............................................................................................................................................... 21
Hoofdstuk 13............................................................................................................................................... 23
, Hoofdstuk 1
Individuele verschillen: Die aspecten van de persoonlijkheid die
mensen onderscheiden van anderen.
Construct: De manier waarop mensen de sociale wereld waarnemen,
begrijpen en interpreteren
Fundamentele attributiefout: Neiging om de mate waarin iemand
gedrag wordt veroorzaakt door de rol van persoonlijke eigenschappen en
andere interne factoren te overschatten en de rol van externe, situationele
factoren te onderschatten
Attributie: Het beschrijven van oorzaken aan het eigen of aan
andermans gedrag en het daarmee voorzien van verklaringen
Correspondentie vertekening: Neiging om de mate waarin iemands
gedrag wordt veroorzaakt door de rol van persoonlijke eigenschappen en
andere interne factoren te overschatten en de rol van externe, situationele
factoren te onderschatten.
Behaviorisme: Psychologische stroming die ervan uitgaat dat je om
menselijk gedrag te kunnen begrijpen slechts hoeft te kijken naar de
bekrachtigende of straffende eigenschappen van de omgeving.
Gestaltpsychologie: Psychologische stroming die het belang benadrukt
van het bestuderen van de persoonlijke (subjectieve) manier waarop een
object wordt waargenomen (het gestalt of geheel), in plaats van het
bestuderen van de manier waarop de objectieve, fysieke eigenschappen
zich combineren tot het object.
Fenomenologie: Filosofische stroming die probeert door de geestelijk-
intuïtieve beschouwing (door de directe ervaring) van de dingen, niet door
rationele kennis, de wereld en het wezen der dingen te beschrijven.
Naïef realisme: De overtuiging dat we dingen waarnemen zoals ze echt
zijn, daarbij onderschattend hoeveel we dat wat we zien, interpreteren of
zelfs verdraaien.
Zelfwaardering: De beoordeling van mensen van wat ze zelf waard zijn;
dat wil zeggen: de mate waarin ze zichzelf als goed, competent en
fatsoenlijk zien.
Positieve zelfwaardering: De voorkeur die mensen hebben voor
informatie die hen in een positief daglicht stelt, ofwel voor informatie die
hun zelfwaardering doet stijgen.