- Definieer de maximale zuurstofopname
Wanneer de VO2 niet meer toeneemt, bij toenemende intensiteit van de activiteit. Duts het
lichaam op het maximale volume opgenomen zuurstof zit
- Beschrijf hoe zuurstofopname gemeten wordt
Door middel van Closed-circuit of open circuit spirometrie. Bijv. een (digitale) digitale
spirometer (practicum 2) of een Douglas bag (practicum 1)
- Bereken de zuurstofopname en koolstofdioxide afgifte aan de hand van
metingen
Haldane transformatie:
VI,STPD=VE,STPD*(%N2E : %N2I)
VO2=VE*((%N2E*0.265) - %O2E)
VCO2=VE*(%CO2E – 0.03%)
RQ(of RER)=VCO2E : VO2I
VSTPD = VATPS * (273 : (273 + T°C)) * ((PB-PH2O) : 760) kan ook met correctiefactor,
luchtdruk en temp.
VBTPS = VATPS * ((PB – PH2O): (PB – 47 mm Hg)) * (310 : (273 + T°C)) kan ook met
correctiefactor en temp.
- Definieer het ‘respiratory quotiënt’ (RQ) en de ‘respiratory exchange ratio’
(RER)
RQ = %CO2 / %O2
RER is het zelfde als RQ maar bij inspanning. RQ is alleen in rust
- Beschrijf de relatie tussen de RQ en de voor metabolisme gebruikte
voedingsstoffen
RQ geeft weer welke voedingsstof verbrand is, omdat vet meer O2 verbruikt bij de
verbranding. RQ vet = ong 0,8 terwijl glucose = 1,0
- Definieer het basaalmetabolisme en het rustmetabolisme
Basaalmetabolisme is de minimale hoeveelheid energie die je lichaam verbruikt om te
functioneren, rustmetabolisme is wat je verbruikt als je bijv. op de rug ligt en niets doet
- Beschrijf de belangrijkste vijf factoren die het totale dagelijkse energieverbruik
kunnen beïnvloeden
TDEE:
1. Warmteproductie door beweging (Belangrijkste)
2. Thermogeen effect van voedsel
3. Effect van voedsel op metabolisme tijdens beweging
4. Klimaat omgeving
5. Zwangerschap
- Definieer de ‘MET’ (Metabool Equivalent)
3,5 ml O2 per kg lichaamsgewicht. Universele maatstaf voor intensiteit van beweging, 1 MET
is energieverbruik in rust.
, - Beschrijf de relatie tussen hartfrequentie en energieverbruik
Een hogere hartfrequentie betekent dat de hartspier harder werkt, dat verbruikt meer
energie. Er moet meer zuurstof en meer voedingstoffen naar de spieren gestuurd worden
Andersom hetzelfde
- Beschrijf de Fick vergelijking
Gas diffundeert door een membraan met een snelheid die:
direct proportioneel is met het oppervlak (A)
afhankelijk is van de diffusieconstante (D)
De diffusieconstante D hangt af van oplosbaarheid gas en van
molecuul gewiht (MW) van het gas
afhankelijk is van drukverschil over de membraan (∆P)
invers proportioneel is met de dikte van het membraan (T)
Vgas = (A*D*∆P) / T
Themadoelen – week 2
- Beschrijf uit welke anatomische onderdelen het ventilatoire systeem bestaat
Het ademhalingsstelsel bestaat uit:
Bovenste luchtwegen
o Neus en neusholte
o Mond en mondholte Geleidingszone
Onderste luchtwegen
o Luchtpijp (Trachea)
o Bronchiën
o Bronchiolen
Longen Respiratoire zone
o Longblaasjes (Alveoli)
o Longvliezen (Pleura)
Spieren
o (Diafragma)
o Tussenribspieren (Intercostale spieren)
- Beschrijf in welk deel van het ventilatoire systeem de gasuitwisseling
plaatstvindt
Gaswisseling vindt plaats in de longblaasjes (Alveoli), direct aan het bloedvat, waar zuurstof
wordt opgenomen in het bloed en koolstofdioxide wordt afgegeven.
- Beschijf het mechanisme van inspiratie en expiratie
Inspiratie (inademen) is een actief proces dat energie vereist zuurstof rijke lucht bereikt de
longblaasjes waar de gaswisseling plaatsvindt (zuurstof in het bloed, koolstofdioxide alveoli
in)
Samentrekken middenrif (Diafragma)
Samentrekken tussenribspieren (Intercostale spieren)
Toename borstholtevolume
o Negatieve druk tov van de buitenlucht
Luchtstroom naar de longen
o Door lage druk stroomt lucht de longen binnen
Expiratie (uitademen( is een proces waar weinig energie voor nodig is Druk in de longen
wordt hoger waardoor lucht passief uit de longen geperst wordt samen met koolstofdioxide