Tentamen medische kennis 4 stemmingsstoornissen
Inhoud
,HC 1 A/B inleiding psychiatrie.....................................................................2
HC 2 A/B stemmingsstoornissen..................................................................6
HC 3 A: persoonlijkheidsstoornissen..........................................................10
HC 3 B: psychotische stoornissen..............................................................14
HC 4 A: Angststoornissen..........................................................................17
HC 4 B: eetstoornissen..............................................................................22
HC 5 A: ontwikkelingsstoornissen en kinderpsychiaterische stoornissen..26
HC 5 B: stoornis in het gebruik van middelen...........................................32
HC 6 A: verslaving en somatiek.................................................................35
HC 6 B: seksuele stoornissen....................................................................40
HC 7 A: somatiek en psychiatrie................................................................44
HC 7 B: forensische psychiatrie.................................................................46
Tentamen vragen......................................................................................49
HC 1 A/B inleiding psychiatrie
Wie werken er in de psychiatrie?
- Psychiater, kinderpsychiater, andere artsen.
- Psycholoog
, - Orthopedagoog, gedragswetenschapper.
- (Sociaal psychiatrisch) verpleegkundige
- Maatschappelijk werker
- Vak therapeuten: muziek, drama, beweging en psychomotorische.
Waar werken in de psychiatrie?
- Extramuraal (ambulant): huisartsenpraktijk, polikliniek, thuiszorg.
- Intramuraal: verpleeg- verzorgingstehuizen, psychiatrische ziekenhuizen en instellingen voor
mensen met een verstandelijke handicap.
- Semimuraal: deeltijd behandeling in een ziekenhuis of instelling voor GGZ en dagverpleging
in een verzorgingstehuis.
Wanneer is iets psychiatrisch? (abnormaal)
1. Statistische (ab)normaliteit: wanneer je buiten het gemiddelde van iedereen valt statistisch
gezien. Ook wel uit alleruiterste wordt gezien als abnormaal.
2. Psychosociale (ab)normaliteit: afwijken van de norm van de maatschappij. Zeer afhankelijk
van tijd, cultuur en subgroep.
3. Persoonlijke (ab)normaliteit (subjectieve ervaring): persoonlijk leiden/ niet functioneren,
irrationeel/onbegrijpelijk gedrag, onvoorspelbaarheid en controleverlies, gedrag dat
ongemakkelijk doet voelen en overtreden morele normen.
Eerste ziekte model van Hippocrates
Wanneer de 4 sappen in disbalans waren, had je kans om ziek te worden.
- Bloed (sanguis): vurig, energiek.
- Gele gal (cholerisch): driftig.
- Zwarte gal (melancholisch): zwart gallig, somber, pessimistisch, neerslachtig.
- Slijm (flegmatishc): kalm, rustig.
Vanaf de middeleeuwen
- Psychiatrisch beeld duidde op een straf van god, bezeten door de duivel.
- In Frankrijk wel de eerste dolhuizen, hier werden mensen iets meer serieus genomen en
opgenomen.
Ontwikkelingen van de afgelopen eeuw
- Vanaf 19e eeuw: psychiatrische ziekten als hersenziekten, onderzoek en categorisatie
- Vanaf 20e eeuw: psychoanalyse, neurotische afweer, freud en het onderbewuste.
, - Vanaf de jaren 50: ontwikkeling in de psychofarmaca.
- Jaren 70: anti psychiatrie tegen instellingpsychiatrie.
- Jaren 90: deels weer terug tussen het groen.
- Nu: teveel mensen opgenomen, maar door een nieuwe trend blijven mensen langer thuis
wonen. Dit leid tot een sterke toename van veel overlast en ongevallen.
Freud (psycho- analyse)
1. Bewust versus het onbewuste.
2. Het es (driften) tegen het geweten: misbruik → onbewuste → omleiden energie →
Neurologische uitval klachten.
3. Conflicten werden opgelost met afweerreacties: ontkenning, verdringing, verplaatsing,
regressie. Hieruit kan je bedenken hoe ziektebeelden zijn ontstaan.
4. Ontwikkelingstheorie: verschillende fase beschikbaar.
Hoe kom je in het onder bewuste: droomduiding, hypnose.
Modernere modellen
Bio psychosociaal: kan de oorzaak van psychopathologie
- Sociaal: gezin, sociaal milleu, culturele
omgeving.
- Psychologisch: psychodynamisch, leertheorie,
cognitieve theorie.
- Biologisch: erfelijkheid, neurotransmitters,
hersen structuren, somatiek en leefstijl.
Kwetsbaarheidsmodel:
- Draagkracht vs draaglast.
- Sterke punten vs zwakke punten.
- Coping, hoe ga je om met stress uitgelokt door stressoren.
- Tijd in het model (kwetsbare, beschermende, uitlokkende, onderhouden factoren).
Ontwikkelingsmodel: ADHD (aandacht tekort +- druk), ASS (autistisch spectrum)
Voorbeschikkende factoren, uitlokkende factoren en onderhoudende factoren.
Diagnostiek, het psychologisch onderzoek
- Psychologisch onderzoek: vragen en rapporteren.
- Algemene indruk: uiterlijke kenmerken, contact, spraak, klachten, ziektebesef, ziekte inzicht,
lijdensdruk, intoxicatie.
- Cognitieve functies: bewustzijn, aandacht, oriëntatie, geheugen, denken, waarneming.
- Affectieve functies: stemming (lange duur, algemene gemoedstoestand), affect (korte duur,
reactie op bepaalde situatie).
Inhoud
,HC 1 A/B inleiding psychiatrie.....................................................................2
HC 2 A/B stemmingsstoornissen..................................................................6
HC 3 A: persoonlijkheidsstoornissen..........................................................10
HC 3 B: psychotische stoornissen..............................................................14
HC 4 A: Angststoornissen..........................................................................17
HC 4 B: eetstoornissen..............................................................................22
HC 5 A: ontwikkelingsstoornissen en kinderpsychiaterische stoornissen..26
HC 5 B: stoornis in het gebruik van middelen...........................................32
HC 6 A: verslaving en somatiek.................................................................35
HC 6 B: seksuele stoornissen....................................................................40
HC 7 A: somatiek en psychiatrie................................................................44
HC 7 B: forensische psychiatrie.................................................................46
Tentamen vragen......................................................................................49
HC 1 A/B inleiding psychiatrie
Wie werken er in de psychiatrie?
- Psychiater, kinderpsychiater, andere artsen.
- Psycholoog
, - Orthopedagoog, gedragswetenschapper.
- (Sociaal psychiatrisch) verpleegkundige
- Maatschappelijk werker
- Vak therapeuten: muziek, drama, beweging en psychomotorische.
Waar werken in de psychiatrie?
- Extramuraal (ambulant): huisartsenpraktijk, polikliniek, thuiszorg.
- Intramuraal: verpleeg- verzorgingstehuizen, psychiatrische ziekenhuizen en instellingen voor
mensen met een verstandelijke handicap.
- Semimuraal: deeltijd behandeling in een ziekenhuis of instelling voor GGZ en dagverpleging
in een verzorgingstehuis.
Wanneer is iets psychiatrisch? (abnormaal)
1. Statistische (ab)normaliteit: wanneer je buiten het gemiddelde van iedereen valt statistisch
gezien. Ook wel uit alleruiterste wordt gezien als abnormaal.
2. Psychosociale (ab)normaliteit: afwijken van de norm van de maatschappij. Zeer afhankelijk
van tijd, cultuur en subgroep.
3. Persoonlijke (ab)normaliteit (subjectieve ervaring): persoonlijk leiden/ niet functioneren,
irrationeel/onbegrijpelijk gedrag, onvoorspelbaarheid en controleverlies, gedrag dat
ongemakkelijk doet voelen en overtreden morele normen.
Eerste ziekte model van Hippocrates
Wanneer de 4 sappen in disbalans waren, had je kans om ziek te worden.
- Bloed (sanguis): vurig, energiek.
- Gele gal (cholerisch): driftig.
- Zwarte gal (melancholisch): zwart gallig, somber, pessimistisch, neerslachtig.
- Slijm (flegmatishc): kalm, rustig.
Vanaf de middeleeuwen
- Psychiatrisch beeld duidde op een straf van god, bezeten door de duivel.
- In Frankrijk wel de eerste dolhuizen, hier werden mensen iets meer serieus genomen en
opgenomen.
Ontwikkelingen van de afgelopen eeuw
- Vanaf 19e eeuw: psychiatrische ziekten als hersenziekten, onderzoek en categorisatie
- Vanaf 20e eeuw: psychoanalyse, neurotische afweer, freud en het onderbewuste.
, - Vanaf de jaren 50: ontwikkeling in de psychofarmaca.
- Jaren 70: anti psychiatrie tegen instellingpsychiatrie.
- Jaren 90: deels weer terug tussen het groen.
- Nu: teveel mensen opgenomen, maar door een nieuwe trend blijven mensen langer thuis
wonen. Dit leid tot een sterke toename van veel overlast en ongevallen.
Freud (psycho- analyse)
1. Bewust versus het onbewuste.
2. Het es (driften) tegen het geweten: misbruik → onbewuste → omleiden energie →
Neurologische uitval klachten.
3. Conflicten werden opgelost met afweerreacties: ontkenning, verdringing, verplaatsing,
regressie. Hieruit kan je bedenken hoe ziektebeelden zijn ontstaan.
4. Ontwikkelingstheorie: verschillende fase beschikbaar.
Hoe kom je in het onder bewuste: droomduiding, hypnose.
Modernere modellen
Bio psychosociaal: kan de oorzaak van psychopathologie
- Sociaal: gezin, sociaal milleu, culturele
omgeving.
- Psychologisch: psychodynamisch, leertheorie,
cognitieve theorie.
- Biologisch: erfelijkheid, neurotransmitters,
hersen structuren, somatiek en leefstijl.
Kwetsbaarheidsmodel:
- Draagkracht vs draaglast.
- Sterke punten vs zwakke punten.
- Coping, hoe ga je om met stress uitgelokt door stressoren.
- Tijd in het model (kwetsbare, beschermende, uitlokkende, onderhouden factoren).
Ontwikkelingsmodel: ADHD (aandacht tekort +- druk), ASS (autistisch spectrum)
Voorbeschikkende factoren, uitlokkende factoren en onderhoudende factoren.
Diagnostiek, het psychologisch onderzoek
- Psychologisch onderzoek: vragen en rapporteren.
- Algemene indruk: uiterlijke kenmerken, contact, spraak, klachten, ziektebesef, ziekte inzicht,
lijdensdruk, intoxicatie.
- Cognitieve functies: bewustzijn, aandacht, oriëntatie, geheugen, denken, waarneming.
- Affectieve functies: stemming (lange duur, algemene gemoedstoestand), affect (korte duur,
reactie op bepaalde situatie).