College 1: introductie
Je weet dat Francis Galton zich als een van de eerste in de psychobiologie verdiepte.
Galton was geïnteresseerd in mensen en hun gedrag. Uitvinder differentiële psychologie (waarom verschillen
mensen van elkaar?). Biometrie (statistiek). Ontwierp eerste humane gedrag genetische studie. Suggereerde de
waarde van tweelingonderzoek. En ontdekte gebruik van vingerafdrukken. Onderzocht of bidden helpt.
Je kunt uitleggen wat eugenetica is.
Eugenetica = de genetische versterking van een ras/natie (term bedacht door Galton). De gedachte het
mensenras te veredelen Verbetering van de menselijke populatie door voortplanting van individuen met
"ongewenste" eigenschappen te verbieden.
Je kunt adhv voorbeelden uitleggen hoe eugenetica, selectie en genetisch determinisme verstrekkende politieke
en maatschappelijke gevolgen hadden.
‘Alleen mensen met goede intelligentie mogen kinderen krijgen’. De industriële revolutie kwam op, net als de angst
voor dysgenetica (= de genetische verzwakking van een organisme). Eugenetica wordt cultureel fenomeen: familie
wedstrijden in de VS. Fitter Families for America. Eugenetica wordt wet: immigratie restrictie wetten en sterilisatie
wetten (bv Buck vs Bell). Eugenetica was belangrijke pijler onder nazie ideologie: massa sterilisatie programma.
Action T4: massa euthanasie, infanticide, moord.
Genetisch determinisme is dat je leven beheerst wordt door je genetische code.
- immigratie restrictie wetten (want anderen zijn ‘slecht’ qua genetica)
- sterilisatie wetten (Buck vs. Bell). Gestoeld op erfelijkheid → iemand was niet intelligent dus moest ze
gesteriliseerd worden omdat ze ‘imbecielen’ waren.
- in gevangenissen werden mannen ook gesteriliseerd → ‘criminaliteit ook erfelijk’
Je kunt aan de hand van wetenschappelijke genetische argumenten uitleggen waarom eugenetische wetten
meestal niet werken.
Dit hierboven gebeurde terwijl negatieve eugenetica al rond 1935 wetenschappelijk ontkracht werd.
1. ‘Hybrid vigor’ (kruising tussen 2 populaties levert fitter nageslacht op, ook zo bij mensen).
2. Hardy-Weinberg berekenen. Toonden aan dat ‘dysgenetische’ genen niet toenemen in populatie en dat
selectie tegen recessieve ‘dysgenetische’ genen vaak weinig effect heeft.
3. onderzoek aan fruitvliegjes liet zien dat de genotype-fenotype relatie erg variabel kan zijn.
Je kunt uitleggen wat behaviorisme is en je kunt aan de hand van voorbeelden uitleggen waarom behaviorisme
vaak tekort schiet als verklaring van (pathologisch) gedrag.
Niet nature, maar nurture bepalend. John Watson betrokken. Mens kan alles worden, opvoeding is bepalend.
Probleem: bv schizofrenie wordt dan ook bepaald door de opvoeding, waardoor bv de moeder ook in therapie
moest, terwijl niet schizofreen.
John/Joan geval: tijdens besnijdenis verliest een jongetje zijn piemel. John Money: sekseverandering is het beste
voor het kind, want seksuele identiteit is aangeleerd. John/Joan case uiteindelijk besluit dat kind om zich terug te
veranderen naar jongen omdat hij depressief werd op zijn dertiende. Uiteindelijk toch zelfmoord op zijn 38e.
Je kunt uitleggen hoe je aan de hand van ‘parent-offspring’ regressie erfelijk kan schatten.
Erfelijkheid wordt aangegeven met h^2 (een getal tussen 0-1). Ziekten (bv alzheimer) hebben
een bepaalde h^2 waarde, geeft aan hoeveel vd fenotypische variantie door genetische
factoren wordt bepaald. Boven 0.60 is de eigenschap erg erfelijk. Parent-offspring regressie
kan geschat worden mbv dit soort figuren. Ronde puntenwolk betekent geen verband. Het
rechter plaatje geeft sterke erfelijkheid aan.
Je kunt beargumenteren waarom genetica een belangrijke discipline is in de neurowetenschappen.
Actuele discussies vereisen kennis van genetica (erfelijke aandoeningen uitbannen, genetisch manipuleren etc.
1
,Hoofdstuk 7: DNA structuur en replicatie (college 2)
Historische ideeën over erfelijkheid samenvatten en je kent belangrijke experimenten die tot de ontdekking van
DNA als bron van erfelijkheid leidde.
Van Leeuwenhoek → spermaonderzoek microscoop, het bewoog, dus leeft, dus heeft ziel. In elke spermacel zit
mannetje, wat in vrouw uitgroeit tot persoon.
Jan Swammerdam → preformatie theorie (oneindige successie vanaf de creatie tot nu). Probleem: waarom zou
god zoveel zielen verspillen tijdens iedere ejaculatie.
Darwin → pangenesis: gemmules bevatten erfelijk materiaal. Vanuit hele lichaam gaan gemmules naar
geslachtsdelen tijdens reproductie en vindt blending plaats. Pagneses: oorsprong van genen (factoren die erfelijk
materiaal bevatten). Kritiek: is als verf mengen. Goede eigenschappen worden alleen maar verdund.
Mendel → bedacht 3 wetten, waarmee hij kon verklaren waarom goede eigenschappen van het ene individu
overgebracht kunnen worden naar het andere individu. Bij Mendel dus geen mengprobleem, zoals bij Darwin.
Friedrich Miescher → ontdekker DNA. Eiwitten zijn dragers van erfelijkheid.
Carl Erich Correns → ontdekker van extra nucleaire erfelijkheid (bv mitochondria bevatten ook erfelijk materiaal).
Hugo de Vries → introduceert begrip ‘mutatie’. En speculeerde over crossing-over.
Joshua Lederberg en Fredrick Griffith → bacterie kan erfelijke eigenschappen opnemen van een andere bacterie
(transformatie). Bewijs cellen bevatten erfelijke informatie (experiment met die muizen S-strain en R-strain)
Thomas Morgan → nobelprijs voor chromosomale theorie, met fruitvlieg. Ontdekte chromosomale theorie van
erfelijkheid, genetische linkage, chromosomale crossing over en non-disjunctie.
Oswald Avery en Maclyn McCarty → ontdekte dat DNA de chemische drager van erfelijk materiaal is.
Alfred Hershey en Martha Chase → bewijzen dat DNA en niet eiwit het erfelijk materiaal is.
Chargaff → ontdekte base pairing: A=T en C=G. Ratio (A=T)/(C=G) is soortafhankelijk.
Rosalind Franklin → helixstructuur van DNA met fosfaatgroepen aan buitenkant (röntgendiffractie analyse)
Watson en Crick → maakte DNA model
Met DNA kunnen niet-virulente R-cellen worden getransformeerd in virulente S-cellen.
In chemische termen (moleculen en bindingen) uitleggen van DNA is.
DNA bestaat uit nucleotiden, die bestaan uit: suikergroep, base (A, T, C, G) en een fosfaatgroep
(=koppeling). Nucleotiden worden opgedeeld in:
- purine nucleotiden: 2 stikstofringen: adenine (A) en guanine (G)
- pyrimidine nucleotiden: 1 stikstofring: cytosine (C) en thymine (T)
Suikergroep is verbonden met base en fosfaatgroep. Base zit altijd aan C1 vd suiker.
Fosfaatgroep (PO4) zit aan C5. Nucleotiden binden 3’, 5’ (met de PO4 er tussen (3’-O-P-O-5’)).
C3 zit aan C5 van een andere nucleotide met fosfaatgroep (van die andere nucleotide) ertussen. 5’ kant van de
DNA streng is kant vd fosfaatgroep, 3’ kant is andere kant.
DNA wordt bij elkaar gehouden door waterstofbruggen. Moleculen zijn positief of negatief geladen, H-bruggen
vormen zich tussen waterstofmoleculen (+) en zuurstofmoleculen (-).
Waterstofbruggen in DNA bepalen de ‘smelttemperatuur’: C-G heeft 3 H-bruggen, A-T heeft 2 H-bruggen.
Sequentie met veel C-G bindingen smelt bij hogere temperatuur vanwege de extra H-brug.
Modellen over DNA replicatie bediscussiëren.
Er zijn 3 manieren waarop het oudermolecuul gerelateerd kan zijn aan de dochtermoleculen:
1. semoconservatief: iedere nieuwe dubbele helix bestaat uit 1 ouderstreng en 1 nieuw gevormde.
Dit is bewezen met een experiment waarbij het nieuwe DNA lichter was dan originele en ze
gemeten hebben waaruit gerepliceerd DNA bestond. (juiste model)
2. conservatief: 1 dochterstreng bevat 2 ouderstrengen en de andere streng bevat 2 nieuwe. (verworpen)
3. dispersief: iedere streng bevat delen vd ouderstreng én nieuwe, dus door elkaar. (verworpen)
2
, Uitleggen hoe DNA replicatie in prokaryoten en eukaryoten verloopt.
DNA kan alleen aan de 3’ kant worden aangemaakt, omdat er aan de 3’ kant vd nucleotiden een OH groep zit
waar de fosfaatgroep vd 5’ kant aan kan binden. Template Three To five. Dus synthese door DNA polymerase van
5’ naar 3’.
1. Helicase ontwindt DNA streng door H-bruggen te verbreken
2. DNA polymerase zorgt ervoor dat er nieuwe nucleotiden aan
worden gemaakt.
• De leading strand loopt van 3’ naar 5’, DNA kan daar gewoon
aan worden gelegd door DNA polymerase.
• De lagging strand loopt van 5’ naar 3’, DNA kan daar niet
zomaar aan worden gelegd.
- Primase maakt een stukje RNA primer vast aan de
lagging strand, DNA polymerase maakt vanaf de primer
tot de volgende primer DNA vast aan de lagging strand,
dat stukje DNA wordt een Okazaki fragment genoemd.
- DNA polymerase l verwijdert de RNA primers tussen de Okazaki fragmenten.
- Ligase vult de lege delen tussen de Okazaki fragmenten op.
Zie rechter plaatje. DNA gyrase is eiwit wat hypercoiling moet voorkomen
(helicase ontwindt DNA erg snel, hierdoor wordt DNA op een andere plek
hyper opgewonden, DNA gyrase voorkomt dit). Helicase ontwindt DNA. De
witte stippen op de strengen zijn eiwitten die ervoor zorgen dat niet alles uit
de cel gaat binden met de DNA strengen. DNA polymerase III repliceert. De
lagging strand heeft stukjes RNA nodig om aan te bouwen, die er worden
opgezet door een primase. Okazaki-fragment is primer met stukje DNA. DNA
polymerase I breekt RNA af en vervangen voor DNA. DNA ligase maakt
losse stukjes DNA aan elkaar. Topoisomerase bij hypercoiling (als je een
touwtje maar blijf draaien) → knippen 1 of 2 strengen door en ontwindt het
DNA (moet continu gebeuren).
Prokaryoten (geen celkern): DNA in prokaryote cellen ligt los in cytoplasma en is cirkelvormig, de DNA strengen
hebben dus geen uiteindes. De replicatie van DNA gaat zoals hierboven beschreven.
Eukaryoten (wel celkern): DNA in eukaryote cellen zit in celkern en is lineair, dus DNA heeft uiteinden. Bij de
leading strand zorgt dit niet voor problemen. Bij de lagging strand zorgt dit wel voor problemen, omdat er telkens
vanaf de RNA primer DNA wordt aangebouwd ontstaat er aan het einde van de lagging strand een leeg stukje.
Daar kan geen DNA aan worden gebouwd zonder een RNA primer, wat ervoor zorgt dat het chromosoom na
iedere celdeling korter wordt.
Uitleggen waarom telomeren bestaan.
Telomerase is een enzymcomplex dat aan het einde van lagging strand gaat zitten, het bevat een stukje RNA wat
gebruikt kan worden als primer (oplossing). Verlengt 5’ streng, wat zorgt voor extra ruimte, waardoor er een primer
kan worden geplaatst, zodat extra stukje DNA aangebouwd kan worden.
Telomeren lossen het probleem op dat er bij eukaryoten een stukje DNA niet kan worden gerepliceerd.
De relatie tussen telomeren en veroudering uitleggen.
Telomerase activiteit in kiemcellen maar vrijwel niet in somatische cellen (niet-kiemcellen). Bij bepaalde vormen
van kanker wordt telomerase geactiveerd. Kortere telomeren in verouderingsziekten:
- Werner syndroom: versnelde veroudering. Mutaties in Werner zijn betrokken bij ontwinding DNA: deel
van CAP, nodig voor DNA repair en replicatie. Cellen beperkte levensduur in weefselkweek: meer
gebroken chromosomen, translocaties en deleties.
- Dyskeratosis congenita (mutatie in genen met telomerase activiteit). Enig bewijs dat langere telomeren
het verouderingsproces in muizen vertragen. Een aantal mutaties die telomerase activiteit
beïnvloeden/veroorzaken het DKC fenotype. Paradoxaal genoeg hebben patiënten een hogere kans op
kanker (je zou juist verwachten dat hogere telomerase activiteit leidt tot minder kans op kanker).
Er is eigenlijk geen relatie te vinden tussen veroudering en telomeerverkorting.
3
Je weet dat Francis Galton zich als een van de eerste in de psychobiologie verdiepte.
Galton was geïnteresseerd in mensen en hun gedrag. Uitvinder differentiële psychologie (waarom verschillen
mensen van elkaar?). Biometrie (statistiek). Ontwierp eerste humane gedrag genetische studie. Suggereerde de
waarde van tweelingonderzoek. En ontdekte gebruik van vingerafdrukken. Onderzocht of bidden helpt.
Je kunt uitleggen wat eugenetica is.
Eugenetica = de genetische versterking van een ras/natie (term bedacht door Galton). De gedachte het
mensenras te veredelen Verbetering van de menselijke populatie door voortplanting van individuen met
"ongewenste" eigenschappen te verbieden.
Je kunt adhv voorbeelden uitleggen hoe eugenetica, selectie en genetisch determinisme verstrekkende politieke
en maatschappelijke gevolgen hadden.
‘Alleen mensen met goede intelligentie mogen kinderen krijgen’. De industriële revolutie kwam op, net als de angst
voor dysgenetica (= de genetische verzwakking van een organisme). Eugenetica wordt cultureel fenomeen: familie
wedstrijden in de VS. Fitter Families for America. Eugenetica wordt wet: immigratie restrictie wetten en sterilisatie
wetten (bv Buck vs Bell). Eugenetica was belangrijke pijler onder nazie ideologie: massa sterilisatie programma.
Action T4: massa euthanasie, infanticide, moord.
Genetisch determinisme is dat je leven beheerst wordt door je genetische code.
- immigratie restrictie wetten (want anderen zijn ‘slecht’ qua genetica)
- sterilisatie wetten (Buck vs. Bell). Gestoeld op erfelijkheid → iemand was niet intelligent dus moest ze
gesteriliseerd worden omdat ze ‘imbecielen’ waren.
- in gevangenissen werden mannen ook gesteriliseerd → ‘criminaliteit ook erfelijk’
Je kunt aan de hand van wetenschappelijke genetische argumenten uitleggen waarom eugenetische wetten
meestal niet werken.
Dit hierboven gebeurde terwijl negatieve eugenetica al rond 1935 wetenschappelijk ontkracht werd.
1. ‘Hybrid vigor’ (kruising tussen 2 populaties levert fitter nageslacht op, ook zo bij mensen).
2. Hardy-Weinberg berekenen. Toonden aan dat ‘dysgenetische’ genen niet toenemen in populatie en dat
selectie tegen recessieve ‘dysgenetische’ genen vaak weinig effect heeft.
3. onderzoek aan fruitvliegjes liet zien dat de genotype-fenotype relatie erg variabel kan zijn.
Je kunt uitleggen wat behaviorisme is en je kunt aan de hand van voorbeelden uitleggen waarom behaviorisme
vaak tekort schiet als verklaring van (pathologisch) gedrag.
Niet nature, maar nurture bepalend. John Watson betrokken. Mens kan alles worden, opvoeding is bepalend.
Probleem: bv schizofrenie wordt dan ook bepaald door de opvoeding, waardoor bv de moeder ook in therapie
moest, terwijl niet schizofreen.
John/Joan geval: tijdens besnijdenis verliest een jongetje zijn piemel. John Money: sekseverandering is het beste
voor het kind, want seksuele identiteit is aangeleerd. John/Joan case uiteindelijk besluit dat kind om zich terug te
veranderen naar jongen omdat hij depressief werd op zijn dertiende. Uiteindelijk toch zelfmoord op zijn 38e.
Je kunt uitleggen hoe je aan de hand van ‘parent-offspring’ regressie erfelijk kan schatten.
Erfelijkheid wordt aangegeven met h^2 (een getal tussen 0-1). Ziekten (bv alzheimer) hebben
een bepaalde h^2 waarde, geeft aan hoeveel vd fenotypische variantie door genetische
factoren wordt bepaald. Boven 0.60 is de eigenschap erg erfelijk. Parent-offspring regressie
kan geschat worden mbv dit soort figuren. Ronde puntenwolk betekent geen verband. Het
rechter plaatje geeft sterke erfelijkheid aan.
Je kunt beargumenteren waarom genetica een belangrijke discipline is in de neurowetenschappen.
Actuele discussies vereisen kennis van genetica (erfelijke aandoeningen uitbannen, genetisch manipuleren etc.
1
,Hoofdstuk 7: DNA structuur en replicatie (college 2)
Historische ideeën over erfelijkheid samenvatten en je kent belangrijke experimenten die tot de ontdekking van
DNA als bron van erfelijkheid leidde.
Van Leeuwenhoek → spermaonderzoek microscoop, het bewoog, dus leeft, dus heeft ziel. In elke spermacel zit
mannetje, wat in vrouw uitgroeit tot persoon.
Jan Swammerdam → preformatie theorie (oneindige successie vanaf de creatie tot nu). Probleem: waarom zou
god zoveel zielen verspillen tijdens iedere ejaculatie.
Darwin → pangenesis: gemmules bevatten erfelijk materiaal. Vanuit hele lichaam gaan gemmules naar
geslachtsdelen tijdens reproductie en vindt blending plaats. Pagneses: oorsprong van genen (factoren die erfelijk
materiaal bevatten). Kritiek: is als verf mengen. Goede eigenschappen worden alleen maar verdund.
Mendel → bedacht 3 wetten, waarmee hij kon verklaren waarom goede eigenschappen van het ene individu
overgebracht kunnen worden naar het andere individu. Bij Mendel dus geen mengprobleem, zoals bij Darwin.
Friedrich Miescher → ontdekker DNA. Eiwitten zijn dragers van erfelijkheid.
Carl Erich Correns → ontdekker van extra nucleaire erfelijkheid (bv mitochondria bevatten ook erfelijk materiaal).
Hugo de Vries → introduceert begrip ‘mutatie’. En speculeerde over crossing-over.
Joshua Lederberg en Fredrick Griffith → bacterie kan erfelijke eigenschappen opnemen van een andere bacterie
(transformatie). Bewijs cellen bevatten erfelijke informatie (experiment met die muizen S-strain en R-strain)
Thomas Morgan → nobelprijs voor chromosomale theorie, met fruitvlieg. Ontdekte chromosomale theorie van
erfelijkheid, genetische linkage, chromosomale crossing over en non-disjunctie.
Oswald Avery en Maclyn McCarty → ontdekte dat DNA de chemische drager van erfelijk materiaal is.
Alfred Hershey en Martha Chase → bewijzen dat DNA en niet eiwit het erfelijk materiaal is.
Chargaff → ontdekte base pairing: A=T en C=G. Ratio (A=T)/(C=G) is soortafhankelijk.
Rosalind Franklin → helixstructuur van DNA met fosfaatgroepen aan buitenkant (röntgendiffractie analyse)
Watson en Crick → maakte DNA model
Met DNA kunnen niet-virulente R-cellen worden getransformeerd in virulente S-cellen.
In chemische termen (moleculen en bindingen) uitleggen van DNA is.
DNA bestaat uit nucleotiden, die bestaan uit: suikergroep, base (A, T, C, G) en een fosfaatgroep
(=koppeling). Nucleotiden worden opgedeeld in:
- purine nucleotiden: 2 stikstofringen: adenine (A) en guanine (G)
- pyrimidine nucleotiden: 1 stikstofring: cytosine (C) en thymine (T)
Suikergroep is verbonden met base en fosfaatgroep. Base zit altijd aan C1 vd suiker.
Fosfaatgroep (PO4) zit aan C5. Nucleotiden binden 3’, 5’ (met de PO4 er tussen (3’-O-P-O-5’)).
C3 zit aan C5 van een andere nucleotide met fosfaatgroep (van die andere nucleotide) ertussen. 5’ kant van de
DNA streng is kant vd fosfaatgroep, 3’ kant is andere kant.
DNA wordt bij elkaar gehouden door waterstofbruggen. Moleculen zijn positief of negatief geladen, H-bruggen
vormen zich tussen waterstofmoleculen (+) en zuurstofmoleculen (-).
Waterstofbruggen in DNA bepalen de ‘smelttemperatuur’: C-G heeft 3 H-bruggen, A-T heeft 2 H-bruggen.
Sequentie met veel C-G bindingen smelt bij hogere temperatuur vanwege de extra H-brug.
Modellen over DNA replicatie bediscussiëren.
Er zijn 3 manieren waarop het oudermolecuul gerelateerd kan zijn aan de dochtermoleculen:
1. semoconservatief: iedere nieuwe dubbele helix bestaat uit 1 ouderstreng en 1 nieuw gevormde.
Dit is bewezen met een experiment waarbij het nieuwe DNA lichter was dan originele en ze
gemeten hebben waaruit gerepliceerd DNA bestond. (juiste model)
2. conservatief: 1 dochterstreng bevat 2 ouderstrengen en de andere streng bevat 2 nieuwe. (verworpen)
3. dispersief: iedere streng bevat delen vd ouderstreng én nieuwe, dus door elkaar. (verworpen)
2
, Uitleggen hoe DNA replicatie in prokaryoten en eukaryoten verloopt.
DNA kan alleen aan de 3’ kant worden aangemaakt, omdat er aan de 3’ kant vd nucleotiden een OH groep zit
waar de fosfaatgroep vd 5’ kant aan kan binden. Template Three To five. Dus synthese door DNA polymerase van
5’ naar 3’.
1. Helicase ontwindt DNA streng door H-bruggen te verbreken
2. DNA polymerase zorgt ervoor dat er nieuwe nucleotiden aan
worden gemaakt.
• De leading strand loopt van 3’ naar 5’, DNA kan daar gewoon
aan worden gelegd door DNA polymerase.
• De lagging strand loopt van 5’ naar 3’, DNA kan daar niet
zomaar aan worden gelegd.
- Primase maakt een stukje RNA primer vast aan de
lagging strand, DNA polymerase maakt vanaf de primer
tot de volgende primer DNA vast aan de lagging strand,
dat stukje DNA wordt een Okazaki fragment genoemd.
- DNA polymerase l verwijdert de RNA primers tussen de Okazaki fragmenten.
- Ligase vult de lege delen tussen de Okazaki fragmenten op.
Zie rechter plaatje. DNA gyrase is eiwit wat hypercoiling moet voorkomen
(helicase ontwindt DNA erg snel, hierdoor wordt DNA op een andere plek
hyper opgewonden, DNA gyrase voorkomt dit). Helicase ontwindt DNA. De
witte stippen op de strengen zijn eiwitten die ervoor zorgen dat niet alles uit
de cel gaat binden met de DNA strengen. DNA polymerase III repliceert. De
lagging strand heeft stukjes RNA nodig om aan te bouwen, die er worden
opgezet door een primase. Okazaki-fragment is primer met stukje DNA. DNA
polymerase I breekt RNA af en vervangen voor DNA. DNA ligase maakt
losse stukjes DNA aan elkaar. Topoisomerase bij hypercoiling (als je een
touwtje maar blijf draaien) → knippen 1 of 2 strengen door en ontwindt het
DNA (moet continu gebeuren).
Prokaryoten (geen celkern): DNA in prokaryote cellen ligt los in cytoplasma en is cirkelvormig, de DNA strengen
hebben dus geen uiteindes. De replicatie van DNA gaat zoals hierboven beschreven.
Eukaryoten (wel celkern): DNA in eukaryote cellen zit in celkern en is lineair, dus DNA heeft uiteinden. Bij de
leading strand zorgt dit niet voor problemen. Bij de lagging strand zorgt dit wel voor problemen, omdat er telkens
vanaf de RNA primer DNA wordt aangebouwd ontstaat er aan het einde van de lagging strand een leeg stukje.
Daar kan geen DNA aan worden gebouwd zonder een RNA primer, wat ervoor zorgt dat het chromosoom na
iedere celdeling korter wordt.
Uitleggen waarom telomeren bestaan.
Telomerase is een enzymcomplex dat aan het einde van lagging strand gaat zitten, het bevat een stukje RNA wat
gebruikt kan worden als primer (oplossing). Verlengt 5’ streng, wat zorgt voor extra ruimte, waardoor er een primer
kan worden geplaatst, zodat extra stukje DNA aangebouwd kan worden.
Telomeren lossen het probleem op dat er bij eukaryoten een stukje DNA niet kan worden gerepliceerd.
De relatie tussen telomeren en veroudering uitleggen.
Telomerase activiteit in kiemcellen maar vrijwel niet in somatische cellen (niet-kiemcellen). Bij bepaalde vormen
van kanker wordt telomerase geactiveerd. Kortere telomeren in verouderingsziekten:
- Werner syndroom: versnelde veroudering. Mutaties in Werner zijn betrokken bij ontwinding DNA: deel
van CAP, nodig voor DNA repair en replicatie. Cellen beperkte levensduur in weefselkweek: meer
gebroken chromosomen, translocaties en deleties.
- Dyskeratosis congenita (mutatie in genen met telomerase activiteit). Enig bewijs dat langere telomeren
het verouderingsproces in muizen vertragen. Een aantal mutaties die telomerase activiteit
beïnvloeden/veroorzaken het DKC fenotype. Paradoxaal genoeg hebben patiënten een hogere kans op
kanker (je zou juist verwachten dat hogere telomerase activiteit leidt tot minder kans op kanker).
Er is eigenlijk geen relatie te vinden tussen veroudering en telomeerverkorting.
3