Bij REM kijken we naar de functie van rechtsregels:
Hoe reageren mensen op rechtsregels?
REM kijkt naar beide aspecten: wat wil je bereiken, en hoe?
Vermijd ‘averechts recht’. Voorbeeld: Steunmaatregelen op de
koopwoningmarkt leiden vooral tot hogere biedingen. Functie van het
recht (‘verlagen samenlevingskosten’) & Reactie van mensen (rationele
keuzetheorie). Mensen gedragen zich niet altijd rationeel, maar bekijken
iets altijd op de korte termijn.
Rationele keuzetheorie, bij REM een model nodig om reactie van mensen
te voorspellen. Aanname: rationaliteit:
- Mensen kiezen het gedragsalternatief waarvan ze denken dat het
beste voor ze is, gegeven hun verwachtingen;
- Ze baseren verwachtingen op de informatie die ze hebben;
- Ze verzamelen een optimale hoeveelheid informatie.
Bij deze theorie bestaat er een ‘alsof-redenering’. Er is sprake van een
voorspelling, geen verklaring. Hierop wordt ingespeeld met
gedragsprikkels (Systematische) afwijkingen: Behavioural Law and
Economics.
Natuurlijke focus: terugkijkend: geschil is er al, en wie heeft/krijgt gelijk?
Schuld? ex post geschilbeslechting.
MAAR: rechtsregels kunnen ook veel potentiële geschillen vermijden, door
vooraf gedragsprikkels te geven ex ante gedragsregels.
Rechtspraktijk: vaak ex post toepassing van rechtsregels als ‘conflict’ niet
is vermeden. Maar voornaamste functie van rechtsregels kan nog steeds
het vermijden van die conflicten zijn! Dat idee staat centraal in REM.
Relevante vragen zijn dan dus steeds:
1. Wat willen we met rechtsregel bereiken?: functie van het recht.
2. Hoe zullen mensen reageren, dus bereiken we het doel?: menselijke
reactie op het recht.
Functie van het recht
Steeds afwegingen (voor- en nadelen), om samenlevingskosten te
verlagen. REM: dit idee toepassen op recht, menselijke constructie met als
functie het verlagen van samenlevingskosten. Hiermee recht verklaren en
beoordelen:
Verklaren:
- Mededelingsplicht verkoper (art. 7:17 lid 2 BW): verkoper heeft info
al, dus mededeling is goedkoper dan onderzoek door koper;
- Erfdienstbaarheden (art. 5:70 BW): bijv. zonder recht van overpad
kan je niet van huis naar openbare weg komen;
- Voorrangsregels (art. 15 RVV 1990): anders moet men bij elke
kruising stoppen en onderling regelen wie eerst mag;
- Diefstalverbod (art. 310 Sr): anders investeren in vermijden resp.
mogelijk maken van afpakken van spullen;
, Beoordelen: of rechtsregels bijdragen aan kostenverlaging
(efficiëntie). Als voordelen > nadelen (‘Kaldor-Hicks’).
Rechtvaardigheid versus efficiëntie
Vaak is wat we ‘rechtvaardig’ vinden ook de efficiënte oplossing!
Aansprakelijkheid bij OD. MAAR: ‘rechtvaardig’ kan (mede) afhangen van
positie: botsing tussen auto die te hard rijdt en fietser die door rood rijdt.
Efficiëntie kijkt steeds naar beide kanten.
Menselijke reactie op het recht Belangrijke aspecten: gedragsprikkels,
transactiekosten, risico’s. (‘INC/TAC/RISK’)
1. Welke gedragsprikkels geeft het recht?
• Negatieve sanccties om het gedrag te ontmoedigen: boetes,
aansprakelijkheid, belasting.
• Positieve sancties om het gedrag te stimuleren: subsidies,
toeslagen, beloningen.
2. Hoe hoog zijn de transactiekosten?
• Hoe makkelijk/moeilijk is overleg en afspraken maken?
• Als makkelijk: mensen komen er samen uit en vinden de beste
oplossing voor alle betrokkenen (zie verder bij Coase).
• Als moeilijk: recht moet meer helpen (zie Coase).
3. Welke risico’s spelen mee en hoe zijn die verdeeld?
• Ligt risico bij A, B of gespreid?
• Risico’s beïnvloeden gedrag (bijv. hogere prijs vragen, meer
onderzoek doen, activiteit niet aandurven).
• Relevant: wie kan risico beter dragen? (bijv. betere informatie,
beter kunnen spreiden, rijker).
Voor verklaren en beoordelen van rechtsregels zijn gedragsprikkels,
transactiekosten en risico’s allemaal relevant!
De rationele keuze theorie is een ideaaltypen, dat is een theoretische
gedachtenconstructie die in werkelijkheid NIET bestaat maar helpt het
probleem beter te begrijpen. Het zijn gedachtenconstructies die essentiële
aspecten benadrukken en zijn behulpzaam bij analyseren van ‘echte
wereld’: verduidelijken ‘waar het probleem zit’ (en hoe recht kan helpen bij
oplossing. Voorbeelden:
• 0 TAC (transactiekosten) helpt bij het begrijpen van het probleem. Via
het recht kan men de TAC verlagen of een oplossing dwingend opleggen.
• Volledige informatie informatieplichten, want in werkelijk is er
onvolledige informatie.
• Risico-neutraliteit verzekeringen, mensen afschermen van risico’s.
• Volkomen concurrentie mededingingsrecht dat verbiedt misbruik te
maken van een machtspositie.
Pareto-verbetering: verandering waarbij niemand erop achteruitgaat en
tenminste 1 persoon erop vooruitgaat. Pareto-optimum: situatie van
waaruit geen Pareto-verbeteringen mogelijk zijn.
Kaldor-Hicks: KH-verbetering: verandering waarbij de ‘winnaars’ de
‘verliezers’ kunnen compenseren. KH-optimum: situatie van waaruit geen
, KH-verbeteringen mogelijk zijn.
Waar mensen samenleven en schaarse middelen moeten delen, ontstaan
conflicten. Negatief extern effect: ‘gevolg van productie of consumptie dat
niet voor rekening van producent of consument komt.’ Productie en
consumptie ruim zien: ‘activiteiten’.
Voorbeelden van negatieve externe effecten:
- Milieuverontreiniging;
- Hinder (geluid, stank, minder zonlicht, parkeerdrukte, ...);
- Schade;
- Risico’s/ onveiligheid.
‘Veroorzaker’ houdt er geen rekening mee:
• Oefent activiteit te vaak uit;
• Neemt te weinig voorzorg.
Eigenlijk is activiteit ‘te goedkoop’, omdat actor niet alle kosten draagt die
de activiteit veroorzaakt (hij draagt alleen productiekosten). Oplossing:
‘internaliseren’. Dan draagt actor wél alle kosten. Recht kan hierbij helpen:
• Belastingen (‘ecotaks’);
• Schadevergoeding (bij gevaarzetting/ hinder);
• Boetes bij normoverschrijving (administratief of strafrecht);
• Regulering die voorzorg vereist voordat je vergunning krijgt;
MAAR: partijen kunnen het probleem zelf misschien oplossen? Ronald
Coase.
Coase-theorema
Belangrijk idee: ‘wederkerigheid van maatschappelijke kosten’. Niet ‘A
veroorzaakt hinder voor B’, maar ‘A en B hebben last van elkaar’.
Misschien is de ander wel de ‘cheapest cost avoider’! DUS: partijen
hebben last van elkaar.
Voorbeeld Arts (A) en Bakker (B):
• A en B: beide €100.000 winst indien geen last van de ander;
• A kan spreekkamer isoleren voor €40.000;
• B kan stillere machines kopen voor €50.000;
• Beste oplossing: A isoleert.
Gezamenlijke welvaart: €100.000 + (€100.000-€40.000) = €160.000.
Coase: zonder transactiekosten komt die oplossing tot stand! Bij
afwezigheid transactiekosten: Ongeacht inhoud van rechtsregel,
wenselijke oplossing komt tot stand. Welvaart dus steeds €160.000.
• Verdeling van welvaart verschilt wel:
• A: €60.000 <->B: €100.000
• A: €105.000 <-> B €55.000 (als A en B op €45.000 uitkwamen)
MAAR: transactiekosten kunnen dit frustreren. Stel: €12.000
transactiekosten te betalen door degene die de transactie wil. B wil door
TAC maximaal €38.000 betalen
(anders > €50.000 bij elkaar), maar A wil €40.000 krijgen. Transactie lukt
niet, dus B koopt stillere machines! Dus: als TAC groter zijn dan
‘ruilvoordeel’, lukt transactie niet. Rol van het recht wordt dan groter; Kies