3.1
Van crossmodale plasticiteit is sprake als een deel van de hersencortex dat eerst bepaalde
informatie verwerkte, later andere informatie gaat verwerken. Zo blijkt de visuele cortex bij blinden
tastinformatie te verwerken in plaats van visuele informatie.
Delen van de hersenschors die geen informatie (meer) krijgen van het zintuig waarbij ze horen,
worden door een ander zintuig gekaapt. Zo is bijvoorbeeld bij blinde mensen het gehoor extreem
ontwikkeld. Hun gehoorcortex is vele malen groter dan bij ‘normale’ horende mensen.
De natuurlijke selectie tijdens de evolutie heeft ervoor gezorgd dat elk dier – de mens incluis – die
zintuigen heeft ontwikkeld die van belang zijn bij het overleven in de omgeving waarin hij leeft.
Verandert die omgeving (bijvoorbeeld tijdelijk als je geblinddoekt bent) dan verandert ook al de
werking van de zintuigen.
Evolutie betekent ontwikkeling. Hier wordt het begrip gebruikt in het kader van de evolutietheorie.
3.2
Bij waarneming (perceptie) moet je niet alleen denken aan de gegevens (informatie) die we krijgen
uit de wereld om ons heen. We krijgen ook permanent informatie vanuit ons eigen lichaam, maar
meestal zijn we ons van het laatste niet bewust.
Kennis en ervaring hebben invloed op wat wij waarnemen en andersom: wat wij veel waarnemen
beïnvloedt ons kennis en ervaring.
Men spreekt van de waarneming van de buitenwereld en de binnenwereld.
De buitenwereld is de wereld of werkelijkheid ‘om’ ons heen. Deze wereld nemen we vooral waar
met onze bekendste en belangrijkste zintuigen: ogen, oren, neus, tong en huid.
De binnenwereld is dat wat ‘in’ ons is: onze spieren, ingewanden, klieren en organen. Binnenwereld
en buitenwereld worden gescheiden door onze huid. We hebben zintuigen om onze binnenwereld
waar te nemen. Onder andere pijn, maar ook evenwicht, stand van armen en benen, enzovoort.
Het activeren van onze zintuigen door prikkels wordt gewaarwording genoemd. We worden iets
gewaar door prikkels (stimuli) uit onze leefomgeving of ons lichaam te registreren. Deze prikkels
worden opgevangen door de zintuigen en vervolgens getransporteerd naar de hersenen.
In eerste instantie zijn deze prikkels een ‘enorme chaos’. In die chaos brengen onze hersenen orde
aan door prikkels te selecteren, te ordenen en er betekenis aan te verlenen. Ooit, toen we jong
waren, hebben onze hersenen dit geleerd.
Waarnemen is het organiseren, identificeren en interpreteren in en door onze hersenen van de
zintuiglijke prikkels met als doel het begrijpen van de omgeving (en ook het eigen lichaam).
Een zintuig heeft vele receptoren (cellen) die actief worden bij bepaalde prikkels uit de omgeving. Als
zij actief worden, zenden ze een signaal (via zenuwbanen) naar de hersenen.
,Een voorbeeld is een receptor in de neus die actief wordt als een bepaald geurmolecuul in voldoende
mate in de neus aanwezig is.
Elk zintuig wordt in een bepaald deel van de hersenen aangestuurd en daar worden ook de
binnenkomende prikkels geïnterpreteerd.
Zintuigen, receptoren, gewaarwording waarneming interpretatie & betekenisgeving
Een zintuigsysteem is de combinatie van een zintuigorgaan (zoals het oog) met de receptoren en het
bijbehorende deel van de hersenschors waar de prikkels (zoals de visuele prikkels) geregistreerd en
geïnterpreteerd worden.
Vanouds onderscheidt men bij mensen vijf zintuigen (gezicht, gehoor, tast, reuk en smaak) die
informatie geven over de buitenwereld. In feite hebben we er veel meer. Daarbij moet gedacht
worden aan het waarnemen van pijn, temperatuur, evenwicht, beweging, tijd, enzovoort.
Automutilatie betekent zelfbeschadiging of zelfverminking. Het kan variëren tussen onschuldig
krabben bij jeuk tot zelfamputatie. Het komt vaak maar niet alleen voor bij mensen met bepaalde
psychische stoornissen (zoals borderline persoonlijkheidsstoornis) en/of een verstandelijke
beperking. Het voelen van pijn vervult dus een overlevingsfunctie.
3.3
Met bewustwording worden de interpretatie en betekenisgeving bedoeld.
Een interpretatie is een persoonlijk oordeel over de betekenis van een waarneming.
Betekenisgeving betekent dat wat wordt waargenomen herkend wordt, dat er wellicht een naam of
woord aan wordt gegeven en ook een waardering. Bij een betekenisvolle waarneming kun je meestal
een woord verbinden aan wat je ziet. Bijvoorbeeld: ‘Hé dat geurtje ken ik’, ‘Volgens mij wordt er
rodekool gekookt’ en ‘Bah, daar hou ik niet van’.
Bij waarnemingsprocessen speelt het eerder geleerde en daarmee de culturele achtergrond van de
waarnemer, een grote rol.
Cultuur is dat deel van de omgeving dat de mens geschapen heeft in tegenstelling tot de natuur. Het
slaat onder meer op normen, waarden en opvattingen. Naast immateriële ideeën betreft het ook
materiële zaken zoals een moskee, een fiets, een kledingstuk of een bordeel. Een cultuur is geen
vaststaand gegeven, ze kan vrij snel veranderen.
Een subjectieve psychologische ervaring slaat op het verschijnsel dat in een bepaalde situatie waar
meerdere mensen zijn, elke aanwezige persoon verschillende dingen zullen opvallen; dat wat er
wordt waargenomen verschillend gewaardeerd wordt, en dat later ook verschillende zaken
herinnerd worden.
In de spiegeltheorie van de waarneming wordt gesteld dat wat wij waarnemen een correcte
weergave (afspiegeling) is van de werkelijkheid.
Een spiegel is passief, vangt op en registreert. In deze opvatting wordt de waarnemer als passief
,gezien. De meeste mensen gaan ervan uit dat wat je waar-neemt ook waar is. Er zijn echter veel
vraagtekens bij deze zienswijze te zetten.
In de sleuteltheorie van de waarneming wordt gesteld dat wat wij waarnemen, wordt bepaald door
de kenmerken van de werkelijkheid en de kenmerken van de waarnemer. Iemand neemt alleen waar
wat hij nodig heeft, fijn of juist angstaanjagend vindt.
In deze theorie krijgt de waarnemer een actieve rol. Dit betekent dat er verschillen zullen zijn tussen
de waarnemingsprocessen van verschillende individuen. Ieder individu vervult die rol weer anders,
neemt dus iets anders waar.
De sleuteltheorie stelt vooral de interpretatie van de werkelijkheid voorop.
In de sleuteltheorie maakt men bij het waarnemen onderscheid tussen primaire en secundaire
eigenschappen van het waargenomene.
De primaire eigenschappen van de werkelijkheid zijn de ‘echte’ of ‘objectieve’ eigenschappen. Ze zijn
meestal in cijfers uit te drukken, zoals een bepaalde concentratie van een geurstof, de lengte van
iemand in centimeters of de hardheid van geluid in decibel.
De secundaire eigenschappen van de werkelijkheid zijn die eigenschappen die de waarnemer
ervaart. Dit zijn niet de ‘objectieve’, maar juist subjectieve of relationele eigenschappen. We vinden
iets sterk(er) of lekker(der) ruiken, groot/ groter of klein(er) of hard(er) of zacht(er).
De sleuteltheorie vindt haar oorsprong in de biologie en de evolutietheorie. De aanhangers beweren
dat elke diersoort (de mens incluis) een eigen manier van waarnemen heeft, een manier die past als
een sleutel op een slot. Mensen nemen die aspecten uit de werkelijkheid waar, die belangrijk zijn
voor de overleving als individu en als soort.
De evolutietheorie is de natuurwetenschappelijke of biologische verklaring voor de evolutie (of
ontwikkeling) van het leven op aarde en het ontstaan en uitsterven van soorten organismen op
aarde. Ze beschrijft het proces waarbij erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen
veranderen in de loop van de generaties als gevolg van genetische variatie, voortplanting en
natuurlijke selectie. Een van de grondleggers van de theorie is Charles Darwin (1809- 1882).
Het kleurenspectrum is het gedeelte van het elektromagnetisch spectrum dat gezien kan worden
door het menselijk oog. Het wordt ook wel zichtbaar licht genoemd. Het bestaat uit de kleuren van
de regenboog met de kleurenvolgorde violet-indigo-blauw- groen-geel-oranje-rood.
Een karikatuur is een voorstelling van een situatie of een persoon waarbij de meest kenmerkende
trekken sterk overdreven worden. Vanuit de waarneming geredeneerd: wij zien, horen, ruiken,
enzovoort vooral die kenmerken van de werkelijkheid die erg belangrijk voor ons zijn. Daarmee
‘verwaarlozen’ of hebben we geen besef van andere kenmerken.
, 3.4
Selectiviteit is een van de waarnemingsprocessen. Het slaat op ons vermogen (en noodzaak) om
binnenkomende prikkels te ordenen en al naargelang het belang, er aandacht aan te besteden of
juist te negeren. We selecteren wat relevant is.
Bij het selecteren spelen twee processen een rol: adaptatie en relativiteit.
Adaptatie of aanpassing bij waarnemen is een manier om te selecteren tussen alle prikkels die onze
zintuigen bereiken. Onze zintuigen passen zich aan aan prikkels die stabiel blijven. Die nemen we na
enige tijd niet meer waar, dat wil zeggen ze trekken onze aandacht niet. Dit hangt samen met een
belangrijk kenmerk van onze zintuigen: deze zijn extreem gevoelig voor veranderingen in de prikkels
die we ontvangen.
Een saccade of oogsprong is een snelle beweging van de ogen. Het oog verandert daarmee het punt
waarop het geconcentreerd is (fixatiepunt). Hierdoor kunnen we stilstaande objecten zien. Erg
belangrijk, bijvoorbeeld bij het lezen.
Relativiteit is een derde proceskenmerk van waarnemen. Het slaat op het verschijnsel dat wij geen
‘objectieve’ aspecten van de werkelijkheid waarnemen, maar altijd vergelijkingen tussen objecten of
tussen situaties. De buitentemperatuur is warmer, kouder of hetzelfde als gisteren. We nemen geen
graden Celsius waar. We nemen verhoudingen waar. Dit betekent dat onze waarneming nooit
absoluut of objectief is, maar altijd relatief.
Anders gezegd: we nemen verhoudingen waar. Dit betekent dat onze waarneming nooit absoluut of
objectief is, maar altijd relatief.
Selectie adaptatie relativiteit interpretatie & betekenisgeving
Wij verwerken informatie van onze zintuigen in principe op twee manier: Het bottom-upproces en
het top-downproces.
Het bottom-upproces bij waarnemen slaat op de invloed van de prikkels die wij ontvangen op wat
we uiteindelijk waarnemen. Deze invalshoek wordt ook wel ‘datagestuurde waarneming’ genoemd.
Het bottom-upproces is het mechanisme waar de meeste mensen als eerste aan denken. Een visuele
prikkel bereikt de ogen of een geluidsprikkel de oren; dat wordt doorgezonden naar de hersenen en
wij zien of horen iets. Als dit het enige proces zou zijn, dan zouden er niet veel verschillen bestaan
tussen wat mensen waarnemen.
Het top-downproces bij waarnemen slaat op de invloed van je kennis (en verwachtingen) op wat je
waarneemt. Deze invalshoek wordt ook wel ‘theorie gestuurde waarneming’ genoemd.
Het top-downproces is gebaseerd op wat onze hersenen verwachten waar te nemen op grond van
kennis, herinneringen of emoties. Dit proces verklaart waarom onze waarnemingsresultaten zo
kunnen verschillen. Mensen verlenen in hun hersenen betekenis aan de prikkels die opgevangen zijn
op grond van hun behoeften, kennis, emotionele toestand, enzovoort. Wat een persoon ziet, hoort
of ruikt kan iets anders zijn dan wat een ander ziet, hoort of ruikt, ook al verkeren zij tegelijkertijd in
eenzelfde situatie.