Groepsdynamica
Hoofdstuk 1: Mensen in groepen:
Sociale psychologie:
= de wetenschap die zich bezighoudt met de manier waarop de gedragingen, gevoelens,
wensen en opvattingen van mensen worden beïnvloed door de sociale omgeving waarin ze
verkeren.
Wat is groepsdynamica?
= de wetenschappelijke discipline die processen in groepen en het groepsgedrag
bestudeert.
Doel:
groep observeren en begrijpen wat er gebeurt
groep of team positief beïnvloeden en cohesie versterken
Wat is groepsgedrag:
Gedrag dat eigen is aan de groep en je meestal alleen vertoont als je in die groep bent, als
individu ga je dit gedrag minder snel stellen.
Bv: Supporters van voetbalclub beginnen te vechten.
Wat is of wanneer speken we van een groep: (hoe meer groepskenmerken, hoe meer
echte groep)
Regelmatige interactie tussen minstens 2 personen (belangrijkste)
Identiteit: Groepsbewustzijn
Gemeenschappelijk doel: willen hetzelfde
Afhankelijkheid: zonder elkaar doel niet bereiken
De groepsdynamica kent 3 visies op het fenomeen ‘groep’:
De individualistische benadering beweert dat groepen geen eigenschappen van
zichzelf hebben. Een groep is slechts de optelsom van individuele gedragingen.
De groepsgerichte benadering stelt dat een groep een eigen identiteit heeft en dat
gedrag van groepsleden daardoor wordt beïnvloedt.
De interactionele benadering gaat ervan uit dat gedrag van groepsleden een product
is van de persoonseigenschappen van groepsleden en de specifieke kenmerken van
een groep.
Soorten groepen
Functie: (1) (groep kan meer functies tegelijk hebben)
o Overleggen, beoordelen en besluiten (managementteam)
o Produceren (filmploeg)
o Verzorgen en beschermen (gezin)
o Vrije tijd en recreatie (vriendengroep)
o Politiek, geloof, opvattingen (actiegroep)
o Therapie (zelfhulpgroep)
Formele en informele groepen: (2)
o Formeel: de groepskenmerken zijn expliciet (vastgestelde rolverdeling) en
duidelijk geformuleerd. (groep is aangesteld)
, o Informeel: groepskenmerken ontstaan spontaan vanuit interpersoonlijke
attractie
Reële (face-to-face) en virtuele groepen: (3)
o Bv: Chatgroep
Kenmerken van een herkenbaar patroon van een groep: Identiteit
Pas na een tijd krijgen groepen een vast en herkenbaar patroon, dit patroon maakt
structurele kenmerken in de interactie tussen groepsleden zichtbaar.
Gekenmerkt door:
Communicatiepatronen:
o (hoeveel en wie neemt het woord en wie niet) relationeel
Status en invloed:
o (diegene die meestal het woord neemt heeft een hogere status of meeste
invloed) relationeel
Cohesie:
o (groepssfeer, zowel positief als negatief) relationeel
Rollen:
o (welke rol heb je in die groep) structureel
Normen:
o (welke gedragingen worden wel of niet geaccepteerd in de groep) structureel
Wat is het groepsdynamisch onderzoek?
Bekijken van het gedrag van groepsleden (observatieonderzoek)
Kan onderzocht worden door 2 observaties:
Participerende observatie:
o onderzoeker die groepsproces observeert maar ook deelneemt aan het
groepsproces
o Voordeel: Je weet wat er in de groep speelt
o Nadeel: Beïnvloeding door eigen gedrag en moeilijker objectief blijven.
Observatie als buitenstaander:
o Geen groepslid en neemt niet deel
o Voordeel: objectiever en beter worden gekeken naar gedrag
o Nadeel: Observatiepatronen voelen zich bekeken (kan over gaan)
Ongestructureerde observatie:
o Alles opschrijven wat je opvalt, niet van tevoren vastleggen wat er
geobserveerd moet worden.
o Voordeel: rijk aan gedragingen vastleggen
o Nadeel: onderzoek hangt af wat onderzoeker belangrijk vindt. (subjectief)
Gestructureerde observatie:
o Van te voren vastgelegd wat er geobserveerd moet worden
o Hoe nauwkeuriger die gedragingen omschreven zijn, hoe groter de kans dat 2
onafhankelijke observatoren die naar hetzelfde groepsproces kijken.
o Voordeel: hoge interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
, (overeenkomst in bevindingen bij observatoren
Groepsdynamisch onderzoeken kan op verschillende manieren plaatsvinden:
Survey – onderzoek: Het ondervragen van groepsleden via interview of vragenlijst.
(worden vastgesteld in welke mate de groepsleden in een team gericht zijn op eigen gewin
en zich individualistisch opstellen of net niet.
Correlatieonderzoek: De samenhang tussen de verschijnselen.
Cohesie neemt af als het aantal groepsleden toeneemt.
Positieve samenhang: Als met toename het ene verschijnsel ook het andere
verschijnsel toeneemt.
Bv: Samenhang tussen groepssucces en groepscohesie
Bv: als je met de volleybal een match wint (groepssucces) gaat de sfeer ook omhoog
(groepscohesie)
Negatief: Als de toename van het ene verschijnsel gepaard gaat met een afname van
het andere verschijnsel.
Bv: Samenhang tussen groepsgrootte en groepscohesie.
Bv: Hoe groter je vriendengroep, hoeveelste minder close ben je met elkaar en
hoeveelste minder groepscohesie
Doel van een experimenteel onderzoek:
Oorzaken/gevolgen relaties bepalen
Energieën of spanningsvelden in groepen:
Erkenning vs afstemming (communicatie)
o Erkenning: laten zien dat je de andere ziet, zijn invloed ervaart niet
hetzelfde als gelijk geven.
o Afstemming: handelen op mekaar afstemmen voor het doel of cohesie te
bekomen.
Individueren vs affilieren/conformeren (1e fase van groep)
o Individueren: gevoel van uniek zijn, leren dat we uniek zijn
o Affiliëren/conformeren: behoefte om bij een groep te horen. Zoeken naar
onderlinge afhankelijkheid.
Bv: Je hebt een groepsproject met mensen die je niet kent, dan ga je eerst
naar gemeenschappelijkheden zoeken bij personen.
Autonomie vs afhankelijkheid
o Autonomie: zelf het initiatief nemen in groep
Iemand een keuze laten nemen
o Afhankelijkheid: ons door andere laten bepalen, geen initiatief nemen,
uitvoeren wat anderen zeggen
Iemand beslist voor jou.
Bv: Wil je met mij trouwen? Autonomie op zelf te kiezen
, De krachten in een groep: Groepsdynamiek
Inhoudskrachten:
o Wat wil ik bereiken met mijn groep?
o Taak, oplossing, doel
o Betrekkingsniveau: relatie t.o.v. elkaar hoe je iets zegt tegen de andere.
Manier waarop we communiceren is belangrijk vooral op welke toon.
o Bv: Mensen met een luide stem komen soms dominant over terwijl dit niet de
bedoeling is.
o Interventies: Erover praten hoe we deze situatie kunnen oplossen of beter
maken.
Procedurekrachten:
o Verschillende methodes om het doel te bereiken.
o Werkwijze, spelregels, structuur, rollen die worden opgenomen
o Methodiek/procedure: Bv: bij een klas die in het 2de semester samen gezet
zijn zou het een goede methode zijn om groepjes per 2 te maken van elke uit
1 klas om elkaar beter te leren kennen.
Interactiekrachten:
o Bv: Jij gaat nooit in op mijn voorstel
o Relatiepatronen, betrekking, posities, groepsproces, erkenning..
o Macht en onderlinge betrokkenheid
Innerlijke krachten: bestaansniveau
o Bv: iemand die zich niet goed voelt in de klas, laag zelfbeeld..
o Individuele proces van elk lid, bestaansniveau, motivatie..
o Maslow: Basisbehoefte in piramide
o Interventies: Zijn er afspraken van het begin of verwachtingen van elkaar?
Contextkrachten:
o Bv: Examenopdracht geeft veel invloed omdat je weet dat je hier punten voor
krijgt en dit geeft stress
o Omgeving, invloeden, tijd, structuur van buitenaf, ruimte, materiële...
o Alles wat richt rondom de groep bevindt.
o Bv: Verschil in cultuur glimlachen in een ander land kan andere betekenis
hebben.
Patronen:
Innerlijke processen en groepsprocessen
Terugkerend
‘Vaste plooien’
Leveren winst op
Vaste rollen binnen een groep
Wat als patronen energie en krachten in de weg beginnen zitten?
Bv: Leidersfiguur dat alles zelf begint te doen en niet meer luistert naar de groep:
Blokkering
Verdringing of taboes: Probleem omzeilen, we vinden het moeilijk om te zeggen dat
we iets niet fijn vinden.
Hoofdstuk 1: Mensen in groepen:
Sociale psychologie:
= de wetenschap die zich bezighoudt met de manier waarop de gedragingen, gevoelens,
wensen en opvattingen van mensen worden beïnvloed door de sociale omgeving waarin ze
verkeren.
Wat is groepsdynamica?
= de wetenschappelijke discipline die processen in groepen en het groepsgedrag
bestudeert.
Doel:
groep observeren en begrijpen wat er gebeurt
groep of team positief beïnvloeden en cohesie versterken
Wat is groepsgedrag:
Gedrag dat eigen is aan de groep en je meestal alleen vertoont als je in die groep bent, als
individu ga je dit gedrag minder snel stellen.
Bv: Supporters van voetbalclub beginnen te vechten.
Wat is of wanneer speken we van een groep: (hoe meer groepskenmerken, hoe meer
echte groep)
Regelmatige interactie tussen minstens 2 personen (belangrijkste)
Identiteit: Groepsbewustzijn
Gemeenschappelijk doel: willen hetzelfde
Afhankelijkheid: zonder elkaar doel niet bereiken
De groepsdynamica kent 3 visies op het fenomeen ‘groep’:
De individualistische benadering beweert dat groepen geen eigenschappen van
zichzelf hebben. Een groep is slechts de optelsom van individuele gedragingen.
De groepsgerichte benadering stelt dat een groep een eigen identiteit heeft en dat
gedrag van groepsleden daardoor wordt beïnvloedt.
De interactionele benadering gaat ervan uit dat gedrag van groepsleden een product
is van de persoonseigenschappen van groepsleden en de specifieke kenmerken van
een groep.
Soorten groepen
Functie: (1) (groep kan meer functies tegelijk hebben)
o Overleggen, beoordelen en besluiten (managementteam)
o Produceren (filmploeg)
o Verzorgen en beschermen (gezin)
o Vrije tijd en recreatie (vriendengroep)
o Politiek, geloof, opvattingen (actiegroep)
o Therapie (zelfhulpgroep)
Formele en informele groepen: (2)
o Formeel: de groepskenmerken zijn expliciet (vastgestelde rolverdeling) en
duidelijk geformuleerd. (groep is aangesteld)
, o Informeel: groepskenmerken ontstaan spontaan vanuit interpersoonlijke
attractie
Reële (face-to-face) en virtuele groepen: (3)
o Bv: Chatgroep
Kenmerken van een herkenbaar patroon van een groep: Identiteit
Pas na een tijd krijgen groepen een vast en herkenbaar patroon, dit patroon maakt
structurele kenmerken in de interactie tussen groepsleden zichtbaar.
Gekenmerkt door:
Communicatiepatronen:
o (hoeveel en wie neemt het woord en wie niet) relationeel
Status en invloed:
o (diegene die meestal het woord neemt heeft een hogere status of meeste
invloed) relationeel
Cohesie:
o (groepssfeer, zowel positief als negatief) relationeel
Rollen:
o (welke rol heb je in die groep) structureel
Normen:
o (welke gedragingen worden wel of niet geaccepteerd in de groep) structureel
Wat is het groepsdynamisch onderzoek?
Bekijken van het gedrag van groepsleden (observatieonderzoek)
Kan onderzocht worden door 2 observaties:
Participerende observatie:
o onderzoeker die groepsproces observeert maar ook deelneemt aan het
groepsproces
o Voordeel: Je weet wat er in de groep speelt
o Nadeel: Beïnvloeding door eigen gedrag en moeilijker objectief blijven.
Observatie als buitenstaander:
o Geen groepslid en neemt niet deel
o Voordeel: objectiever en beter worden gekeken naar gedrag
o Nadeel: Observatiepatronen voelen zich bekeken (kan over gaan)
Ongestructureerde observatie:
o Alles opschrijven wat je opvalt, niet van tevoren vastleggen wat er
geobserveerd moet worden.
o Voordeel: rijk aan gedragingen vastleggen
o Nadeel: onderzoek hangt af wat onderzoeker belangrijk vindt. (subjectief)
Gestructureerde observatie:
o Van te voren vastgelegd wat er geobserveerd moet worden
o Hoe nauwkeuriger die gedragingen omschreven zijn, hoe groter de kans dat 2
onafhankelijke observatoren die naar hetzelfde groepsproces kijken.
o Voordeel: hoge interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
, (overeenkomst in bevindingen bij observatoren
Groepsdynamisch onderzoeken kan op verschillende manieren plaatsvinden:
Survey – onderzoek: Het ondervragen van groepsleden via interview of vragenlijst.
(worden vastgesteld in welke mate de groepsleden in een team gericht zijn op eigen gewin
en zich individualistisch opstellen of net niet.
Correlatieonderzoek: De samenhang tussen de verschijnselen.
Cohesie neemt af als het aantal groepsleden toeneemt.
Positieve samenhang: Als met toename het ene verschijnsel ook het andere
verschijnsel toeneemt.
Bv: Samenhang tussen groepssucces en groepscohesie
Bv: als je met de volleybal een match wint (groepssucces) gaat de sfeer ook omhoog
(groepscohesie)
Negatief: Als de toename van het ene verschijnsel gepaard gaat met een afname van
het andere verschijnsel.
Bv: Samenhang tussen groepsgrootte en groepscohesie.
Bv: Hoe groter je vriendengroep, hoeveelste minder close ben je met elkaar en
hoeveelste minder groepscohesie
Doel van een experimenteel onderzoek:
Oorzaken/gevolgen relaties bepalen
Energieën of spanningsvelden in groepen:
Erkenning vs afstemming (communicatie)
o Erkenning: laten zien dat je de andere ziet, zijn invloed ervaart niet
hetzelfde als gelijk geven.
o Afstemming: handelen op mekaar afstemmen voor het doel of cohesie te
bekomen.
Individueren vs affilieren/conformeren (1e fase van groep)
o Individueren: gevoel van uniek zijn, leren dat we uniek zijn
o Affiliëren/conformeren: behoefte om bij een groep te horen. Zoeken naar
onderlinge afhankelijkheid.
Bv: Je hebt een groepsproject met mensen die je niet kent, dan ga je eerst
naar gemeenschappelijkheden zoeken bij personen.
Autonomie vs afhankelijkheid
o Autonomie: zelf het initiatief nemen in groep
Iemand een keuze laten nemen
o Afhankelijkheid: ons door andere laten bepalen, geen initiatief nemen,
uitvoeren wat anderen zeggen
Iemand beslist voor jou.
Bv: Wil je met mij trouwen? Autonomie op zelf te kiezen
, De krachten in een groep: Groepsdynamiek
Inhoudskrachten:
o Wat wil ik bereiken met mijn groep?
o Taak, oplossing, doel
o Betrekkingsniveau: relatie t.o.v. elkaar hoe je iets zegt tegen de andere.
Manier waarop we communiceren is belangrijk vooral op welke toon.
o Bv: Mensen met een luide stem komen soms dominant over terwijl dit niet de
bedoeling is.
o Interventies: Erover praten hoe we deze situatie kunnen oplossen of beter
maken.
Procedurekrachten:
o Verschillende methodes om het doel te bereiken.
o Werkwijze, spelregels, structuur, rollen die worden opgenomen
o Methodiek/procedure: Bv: bij een klas die in het 2de semester samen gezet
zijn zou het een goede methode zijn om groepjes per 2 te maken van elke uit
1 klas om elkaar beter te leren kennen.
Interactiekrachten:
o Bv: Jij gaat nooit in op mijn voorstel
o Relatiepatronen, betrekking, posities, groepsproces, erkenning..
o Macht en onderlinge betrokkenheid
Innerlijke krachten: bestaansniveau
o Bv: iemand die zich niet goed voelt in de klas, laag zelfbeeld..
o Individuele proces van elk lid, bestaansniveau, motivatie..
o Maslow: Basisbehoefte in piramide
o Interventies: Zijn er afspraken van het begin of verwachtingen van elkaar?
Contextkrachten:
o Bv: Examenopdracht geeft veel invloed omdat je weet dat je hier punten voor
krijgt en dit geeft stress
o Omgeving, invloeden, tijd, structuur van buitenaf, ruimte, materiële...
o Alles wat richt rondom de groep bevindt.
o Bv: Verschil in cultuur glimlachen in een ander land kan andere betekenis
hebben.
Patronen:
Innerlijke processen en groepsprocessen
Terugkerend
‘Vaste plooien’
Leveren winst op
Vaste rollen binnen een groep
Wat als patronen energie en krachten in de weg beginnen zitten?
Bv: Leidersfiguur dat alles zelf begint te doen en niet meer luistert naar de groep:
Blokkering
Verdringing of taboes: Probleem omzeilen, we vinden het moeilijk om te zeggen dat
we iets niet fijn vinden.