Samenvatting Hematologie
Week 1.6
Bloed is een vloeibaar bindweefsel dat zorgt voor het transport (aanvoer van
voedingsstoffen zoals zuurstof, eiwitten en vitamines), het verwijderen van afval
(koolstofdioxide, stikstofrijk afval en cellulaire toxines), reparaties van het vaatstelsel
(bloedstelping) en bescherming tegen het binnen gedrongen micro-organismen. Het is ± 8%
lichaamsgewicht (ca. 5 L/min rondgepompt).
Bloed bestaat uit;
- Cellulaire componenten
Rode bloedcellen Erytrocyten O2 en CO2 transport 5x1012/L 1000
Witte bloedcellen Leukocyten Bescherming 5x109/L 1
Bloedplaatjes Trombocyten Stolling 9
200x10 /L 40
- Erytrocyten → Ook genoemd rode bloedcellen (RBCs)
- Trombocyten → Ook genoemd plaatjes
- Leukocyt → Ook genoemd witte bloedcellen (WBCs)
5 types:
1. Neutrofielen (60%) (de kern daarvan heeft allerlei verschillende vormen (vaak 3 tot 5
onderdelen), neutraal gekleurd)
2. Lymfocyten (30%)
3. Monocyten (7%)
4. Eosinofielen (2%) (herken je aan de zure kleurstof waarmee die reageert. Vaak 2
lobbige kernen)
5. Basofielen (1%) (herken je aan alle korrels
- Acellulaire componenten
o Water (zorgt voor stroming/niet stroperig) 90%
o Plasma-eiwitten 8%
▪ Albumine transport
▪ Globuline α/β: transport; γ: Ab
▪ Fibrinogeen stolling
▪ Complement
o Zouten, gas, hormonen, glucose, …
2%
Onderzoek van bloed:
- Hemo-cytometrie; tellen van bloedcellen
- Hemato-morfologie; wat is de staat van de cellen
(zijn ze mooi uitgerijpt of wildgroei)
In het plasma bevinden zich de acellulaire componenten.
De buffy coat zijn de witte bloedcellen (neutrofielen,
eosinofielen, basofielen, lymfocyten en monocyten). De
hematocriet is het volume van alle rode bloedcellen in je
bloed (alle erythrocyten).
, Bloedafname kan in verschillende vaten;
- Arterie: slagader. Kan alleen door een arts worden gedaan voor onderzoek naar
bloedgas analyse, O2, CO2 of pH).
- Vene: ader. Wordt door analisten afgenomen
- Capillair: haarvaten Kun je zelf doen als je bv diabetes hebt.
Anticoagulantia: plasma is hetzelfde + anticoagulantia - anticoagulantia
als serum, alleen bij serum zit er
geen antistolling. Het propje wordt
+ hypotone opl.
er dan uitgehaald zodat we alleen
nog serum overhouden.
Naast en anticoagulantia ook een
hypotone oplossing aan toegevoegd.
De zoutconcentratie is dan te laag,
de cel neemt dan water op. En dus
zullen de cellen knappen. Zodat dan
plasma + cellen hemolysaat serum + bloedprop
de intracellulaire cellen vrijkomen.
Het is belangrijk dat de buizen in de goede volgorde staan,
zodat de stollingsfactoren niet in andere buizen terecht
kunnen komen.
2) Wellicht rode bloedcellen geknapt, gevoelige
erytrocyten en dus knappen of sample is te oud.
3 en 4 ligt aan het bloed zelf.
3) geelzucht, leverproblemen
4) Persoon heeft vetten in zijn bloed.
Hematopoïese: proces van bloedcelproductie. In
het beenmerg zitten pluripotente stamcellen
(PPSC) die nog kunnen doorgroeien naar welke cel
er op dat moment nodig is. Door cytokines aan te
maken vertelt het lichaam welke cel er nodig is. Dit
kan door proliferatie (zelf naar een identieke
dochtercel) maar kan ook door differentiëren (naar
alle verschillende type bloedcellen).
Verschillende stamcellen:
- Totipotente stamcellen (zygote); na de verwekking
- Pluripotente stamcellen; kan alles nog worden
- Mulitipotente stamcellen; kan niet meer alles worden
- Unipotente stamcellen; kunnen naar 1 unieke cel door differentiëren
Week 1.6
Bloed is een vloeibaar bindweefsel dat zorgt voor het transport (aanvoer van
voedingsstoffen zoals zuurstof, eiwitten en vitamines), het verwijderen van afval
(koolstofdioxide, stikstofrijk afval en cellulaire toxines), reparaties van het vaatstelsel
(bloedstelping) en bescherming tegen het binnen gedrongen micro-organismen. Het is ± 8%
lichaamsgewicht (ca. 5 L/min rondgepompt).
Bloed bestaat uit;
- Cellulaire componenten
Rode bloedcellen Erytrocyten O2 en CO2 transport 5x1012/L 1000
Witte bloedcellen Leukocyten Bescherming 5x109/L 1
Bloedplaatjes Trombocyten Stolling 9
200x10 /L 40
- Erytrocyten → Ook genoemd rode bloedcellen (RBCs)
- Trombocyten → Ook genoemd plaatjes
- Leukocyt → Ook genoemd witte bloedcellen (WBCs)
5 types:
1. Neutrofielen (60%) (de kern daarvan heeft allerlei verschillende vormen (vaak 3 tot 5
onderdelen), neutraal gekleurd)
2. Lymfocyten (30%)
3. Monocyten (7%)
4. Eosinofielen (2%) (herken je aan de zure kleurstof waarmee die reageert. Vaak 2
lobbige kernen)
5. Basofielen (1%) (herken je aan alle korrels
- Acellulaire componenten
o Water (zorgt voor stroming/niet stroperig) 90%
o Plasma-eiwitten 8%
▪ Albumine transport
▪ Globuline α/β: transport; γ: Ab
▪ Fibrinogeen stolling
▪ Complement
o Zouten, gas, hormonen, glucose, …
2%
Onderzoek van bloed:
- Hemo-cytometrie; tellen van bloedcellen
- Hemato-morfologie; wat is de staat van de cellen
(zijn ze mooi uitgerijpt of wildgroei)
In het plasma bevinden zich de acellulaire componenten.
De buffy coat zijn de witte bloedcellen (neutrofielen,
eosinofielen, basofielen, lymfocyten en monocyten). De
hematocriet is het volume van alle rode bloedcellen in je
bloed (alle erythrocyten).
, Bloedafname kan in verschillende vaten;
- Arterie: slagader. Kan alleen door een arts worden gedaan voor onderzoek naar
bloedgas analyse, O2, CO2 of pH).
- Vene: ader. Wordt door analisten afgenomen
- Capillair: haarvaten Kun je zelf doen als je bv diabetes hebt.
Anticoagulantia: plasma is hetzelfde + anticoagulantia - anticoagulantia
als serum, alleen bij serum zit er
geen antistolling. Het propje wordt
+ hypotone opl.
er dan uitgehaald zodat we alleen
nog serum overhouden.
Naast en anticoagulantia ook een
hypotone oplossing aan toegevoegd.
De zoutconcentratie is dan te laag,
de cel neemt dan water op. En dus
zullen de cellen knappen. Zodat dan
plasma + cellen hemolysaat serum + bloedprop
de intracellulaire cellen vrijkomen.
Het is belangrijk dat de buizen in de goede volgorde staan,
zodat de stollingsfactoren niet in andere buizen terecht
kunnen komen.
2) Wellicht rode bloedcellen geknapt, gevoelige
erytrocyten en dus knappen of sample is te oud.
3 en 4 ligt aan het bloed zelf.
3) geelzucht, leverproblemen
4) Persoon heeft vetten in zijn bloed.
Hematopoïese: proces van bloedcelproductie. In
het beenmerg zitten pluripotente stamcellen
(PPSC) die nog kunnen doorgroeien naar welke cel
er op dat moment nodig is. Door cytokines aan te
maken vertelt het lichaam welke cel er nodig is. Dit
kan door proliferatie (zelf naar een identieke
dochtercel) maar kan ook door differentiëren (naar
alle verschillende type bloedcellen).
Verschillende stamcellen:
- Totipotente stamcellen (zygote); na de verwekking
- Pluripotente stamcellen; kan alles nog worden
- Mulitipotente stamcellen; kan niet meer alles worden
- Unipotente stamcellen; kunnen naar 1 unieke cel door differentiëren