H4: Invloeden vanuit de wetenschap (II); informatieverwerking en emotie
4.1
Er zijn meerdere redenen waarom individuen verschillen in de manier waarop zij informatie
verwerken. Er moet voortdurend gekozen worden welke informatie voorrang krijgt voor
verwerking (onbewust). Mensen verschillen in persoonlijke ontwikkeling/ervaring en
daardoor maken zij in verschillende fases (onbewust) andere keuzes. Die keuzes worden
beïnvloed door gekleurde selectiviteit (bias). Soms zijn die keuzes zo disfunctioneel/habitueel
dat er wordt gesproken van psychopathologie.
4.2
Informatie wordt geregistreerd en verwerkt en kan uiteindelijk wel/niet tot actie leiden. Twee
functies van informatieverwerking zijn basaal: representatie en calculatie. Representatie is
de capaciteit om zaken en gebeurtenissen symbolisch (taal/in beelden) of niet-symbolisch (bv.
in neurale netwerken) vast te leggen, zodat we ons daarmee bezig kunnen houden. Calculatie
verwijst naar het vermogen om zulke representaties te manipuleren en te transformeren. In
alle gevallen is informatieverwerking betrokken bij het zich aanpassen aan en omgaan met de
omgeving.
- Cognitieve therapie richt zich vooral op inventariseren/corrigeren van disfunctionele
interpretaties (bewuste/explicitet interpretatieprocessen).
- Cognitieve psychologie biedt aanknopingspunten om ook andere onderdelen van het
informatie verwerkend proces te beïnvloeden (impliciet/onbewust).
4.3 cognitie en emotie
Cognitie en emotie beïnvloeden elkaar beide kanten op. Emoties kunnen negatief of positief
zijn, naarmate de gebeurtenissen waarop die emoties gebaseerd zijn negatief of positief
geëvalueerd worden (appraisal). De vraag of een emotionele beleving mogelijk is. Zonder
interpretatie van gebeurtenissen, ontstond door verschillen in definitie van cognitie. Wanneer
met cognitie interpreteerde als expliciet/bewust proces, dan zou emotie zonder cognitie
kunnen bestaan. Wanneer er breder gekeken wordt naar cognitie, dan zou cognitie
noodzakelijk zijn voor emotie.
Tweefactortheorie van emotie: Verschillende emoties zouden uit dezelfde arousal bestaan,
maar worden door de interpretatie van de betrokkene anders beleefd.
Vaak wordt emotie gezien als psychologisch proces waarin voelen, denken en gedrag met
elkaar in verband staan. Volgens Frijda is er onderscheid tussen de volgende 3 aspecten in het
emotionele proces:
- Appel: Het persoonlijk belang dat een gebeurtenis/gedachte voor iemand heeft en dat
direct als zodanig wordt ervaren (primaire appraisal). Wanneer er een persoonlijk
belang is, wordt het emotieproces verder in gang gezet.
, - Actiebereidheid: De neiging om iets met de ontstane situatie te gaan doen of juist de
neiging om het op te geven en er niets mee te doen. Dit is waar het om gaat, emoties
bereiden ons voor om wel/niet actie te ondernemen.
- Arousal: De opwinding die de emotionerende situatie bij ons teweegbrengt. Kan
worden gezien als fysiologische aspect van actievoorbereiding (hartslag omhoog/laag,
spierspanning, hormonen, etc.).
Wanneer emotie optreedt is er primaire en dan secundaire appraisal, beide kunnen
geheel/gedeeltelijk onbewust verlopen. Van het resultaat van deze evaluaties is men zich
meestal wel bewust. Bij emotie ervaart men altijd iets van een te benoemen gevoel,
onbewuste emoties bestaan niet.
Onbewuste cognities bestaan wel. Er wordt vanuit gegaan dat er eerst een waarneming
plaatsvindt aandacht wordt op waargenomen gericht informatie uit geheugen wordt
opgehaald op basis daarvan een meer bewust verlopende redenering en interpretatie.
Uiteindelijk volgt er een meetbare (expliciete) reactie.
4.4 waarneming
Cocktailparty-fenomeen: Op een feestje heb je geen idee wat er om je heen gezegd wordt,
tot je je eigen naam hoort of iets over een onderwerp dat je interesseert. Er was een
(onbewust) pre-attentief proces bezig met het in de gaten houden van de omgeving op
mogelijk relevante gebeurtenissen. We nemen niet al die gebeurtenissen waar, er is een
waarnemingsdrempel.
Subliminale waarnemingsexperimenten: Proefpersonen krijgen visuele prikkels
aangeboden, maar zo kort dat je het niet bewust kan waarnemen. Ze worden ook nog gevolgd
door ‘maskerende’ stimulus. Toch blijkt tijdens zulke onderzoeken dat de proefpersoon de
stimulus wel heeft waargenomen (onbewust).
Perceptual defense: Het fenomeen waarbij men onbewust bepaalde stimuli negeren omdat
deze als bedreigend of onaangenaam worden ervaren. Zo hebben deze stimuli minder impact
op bewustzijn.
Verborgen-co-variatiedetectie: Er kan onbewust worden waargenomen en aan die
onbewuste waarnemingen kunnen specifieke betekenissen worden toegekend.
Objectief aanwezige informatie vanuit de waarnemer wordt aangevuld tot ‘logische gehelen’.
Phi-fenomeen: Wanneer lichten om en om aan en uit gaan dan lijkt het alsof het heen en weer
gaat. Vaas van rubin: Men kan een afwisseling zien voor- en achtergrond.
Waarneming is geen passief proces, men onderkent twee aanvullende processen: Enerzijds
een stimulus gedreven proces (bottom-up) en anderzijds een top-downproces (individueel)
dat wordt gestuurd door reeds bestaande kennis. Hoe sterker het ene proces, hoe minder
invloed van het andere proces.