HOOFDSTUK 12 2
12.2 4
12.3 4
12.4 6
12.5 8
HOOFDSTUK 13 8
13.2 10
13.3 10
13.4 11
HOOFDSTUK 14 12
14.2 14
14.3 15
14.4 17
14.5 17
HOOFDSTUK 15 19
15.2 19
15.3 20
15.4 21
HOOFDSTUK 16 22
,HOOFDSTUK 12
Het poldermodel: De Nederlandse variant van het consensus- of harmoniemodel. Conflicten behoren
te worden opgelost door compromissen te sluiten in onderhandeling.
Er wordt overlegd tussen de politieke partijen die in de regering zitten, de
werkgeversorganisaties en de vakbonden van de werknemers.
Om een normale wet door te voeren moet de meerderheid van de kamer voor stemmen.
Zetels = macht dus
Bij een grondwets-aanpassing is een grote meerderheid nodig.
De cultuurdimensies van Hofstede (helpen met duidelijk maken wat de verschillen zijn tussen
verschillende culturen):
1. Mate van machtsafstand; de mate waarin minder machtige leden van van bijv. een gezin, school of
organisaties in een land verwachten en accepteren dat de macht ongelijk is verdeeld.
2. Individualistisch v s collectivistisch
3. mate van onzekerheidsvermijding; De mate waarin de dragers van een cultuur zich bedreigd voelen
door een onzekere of onbekende situatie. Dit gevoel wordt onder andere uitgedrukt in de behoefte aan
voorspelbaarheid en dus aan formele en informele regels.
4. Langetermijngerichtheid vs kortetermijngerichtheid
5. Masculien vs feminien; masculien= als emotionele sekserollen tussen mannen en vrouwen duidelijk
gescheiden zijn. Leden van dit soort samenlevingen stellen zich ook assertief op. Feminien= als
sekserollen elkaar overlappen. In deze samenlevingen wordt er bijna altijd naar samenwerking en
consensus gestreefd.
Internalisering: de normen en waarden worden als zo vanzelfsprekend gezien dat mensen ze als een
‘tweede natuur’ gaan ervaren. (sociale regels eigen maken, zodat deze regels na verloop van tijd niet
langer worden beschouwd als van buitenaf opgelegde voorschriften, maar als richtlijnen die men zelf
heeft gekozen)
enculturatie: het aanleren en verwerven van de cultuur waarin men is geboren.
Internaliseren;
Soorten kapitaal:
Economisch kapitaal: financieel bezit / inkomen
Sociaal kapitaal: De connecties, netwerken, de graad van eer en respect die een groep geniet.
Cultureel kapitaal: culturele competente, zoals kennis, houding, opvatting en smaak die gekenmerkt
zijn aan hogere sociale posities.
© 2019-2020 Ruben de Gans 2
, Politieke socialisatie in paradigma’s:
Funtionalisme-paradigma - Voortbestaan politieke bestuur bestuderen
- cultuur verwerven via rolverwachtingen die de
persoonlijkheid van personen kan vormen
- Identiteit is een product van de samenleving
- Socialisatie is het middel om de cultuur over te
brengen en voort te laten bestaan
Conflict-paradigma - Hoe geeft socialisatie betekenis op sociale
ongelijkheid
- Kijken naar effecten van opvoeding op ongelijkheid
- Interesse in emancipatiebewegingen
Sociaalconstructivisme-paradigma - Redeneren naar individu
- Individuen schetst een beeld van de werkelijkheid
(=sociale werkelijkheid) maar niet in isolement
- Persoonlijke ontwikkelingsproces wordt beïnvloed
door de omgeving
Rationele-actor-paradigma Doet niet veel onderzoek naar politieke socialisatie
Legitiem politiek systeem: een politiek regime dat wordt geaccepteerd door de bevolking
Systeem krijgt legitimiteit als de burgers bindingen hebben met het systeem =
legitimiteit van de rechtsstaat: Worden besluiten van de rechterlijke macht als onafhankelijk ervaren
en wordt er vertrouwd op het handelen van de overheid (aan de wet houden en rechtmatig handelen)?
democratie is volk soeverein (volk is officieel de baas)
6 politieke vereisten democratie:
1. Gekozen volksvertegenwoordiging die de regering controleren
2. Vrije, eerlijke en regelmatige verkiezingen
3. Vrijheid van meningsuiting
4. Toegang tot meerdere onafhankelijke informatiebronnen, geen censuur of een monopolie voor
staatsmedia
5. Vrijheid van vereniging (Vereniging op mogen stichten)
6. Inclusief burgerschap (Alle volwassenen hebben dezelfde rechten)
© 2019-2020 Ruben de Gans 3