INLEIDING
3 basisvragen:
1: Wat verklaart de ordening van het samenleven?
2: Hoe wordt het individuele beïnvloed door het maatschappelijke?
3: In wat voor samenleving leven wij? (Maatschappijdiagnose)
(4: Hoe onderzoeken we dat allemaal op een wetenschappelijke manier?) -> nvt
= studie van het menselijke sociale leven met als onderwerp ons eigen gedrag als
sociale wezen
Materieel/ feitelijk object wordt gedeeld met andere disciplines = mens
Formele object = de wijze waarop deze discipline het sociale benadert = eigen aan
sociologisch perspectief
Sociologiebeoefening is een driedelig gebeuren (sociologische driehoek)
Theorievorming
(ondersteunen) van
Empirisch onderzoek
sociale sturing
SOCIAAL
Binnen het dominante taalgebruik refereert dit naar omgangsvormen
Je hebt sociale relaties/ verhoudingen/ betrekkingen (intiem/zakelijk) -> bouwstenen
->Deze steunen op het sociaal handelen van twee of meer deelnemers (Weber)
Giddens -> sociologie = studie van het menselijke sociale leven -> onderwerp = eigen
gedrag als sociale wezen
, SOCIAAL HANDELEN
Handelen = sociaal handelen = als het gericht is op anderen
= Het handelen van één actor georiënteerd op het handelen van een of meer andere
actoren -> Wederzijds (WEBER)
• Actoren met handelingsvermogen nodig = agency (bepaald hoe we handelen,
niet voorgeprogrammeerd) -> nemen van beslissingen bijvoorbeeld
• Zorgt voor sociale relaties/ verhoudingen/ betrekkingen
• Samenhandelen ontstaat door dit sociaal gebeuren (actoren die hun handelen
op elkaar afstemmen -> bijvoorbeeld de les: studenten luisteren en babbelen
niet, studenten ook afhankelijk van docent en andere studenten)
• 2 soorten actoren
o Individuele actoren
o Collectieve actoren
• Iedere handeling verwijst ook naar een voorgaande handeling -> verwachting dat
er een handeling volgt
Samenhandelen heeft 4 universele kenmerken
1. Zelfreferentieel: Reageren op het zichtbare, sociaal handelen reageert steeds op
ander sociaal handelen
2. Dynamisch/ momentaan: verschilt van moment tot moment, tijd nodig ->
voortdurend verandering
3. Contingent: Het had altijd anders kunnen zijn. Komt ook door de agency -> hun
handelen heeft gevolgen
Je weet dat er een handeling volgt, maar je weet de inhoud van de
handeling niet
4. Reflexief gemonitord: Geobserveerd en gestuurd door betrokken actoren
(Giddens)
GEVOLG: afhankelijkheidsverhoudingen en sociale verbanden/ verhoudingen
Veralgemeende afhankelijk = iedereen is van anderen afhankelijk bv. geboorte,
onderwijs, politici
Sociaal verband = specifiek geheel van onderlinge afhankelijkheidsverhoudingen
(Nobert Elias), eventueel deel van ruimer sociaal netwerk bv. proffen (netwerken
binnen KUL) – onderwijsinstellingen (netwerken binnen beleid rond onderwijs)
= een samenhangend geheel van sociale bindingen met een zekere
duurzaamheid en voor derden observeerbare grenzen
4 grote soorten bindingen en verbanden
Binding Bijvoorbeeld Verband Bijvoorbeeld
Cognitieve (sociale) Kennisoverdracht Cognitief (sociaal) School
Economische Brood kopen bij bakker Economisch Werknemers bij bakker
Politieke Burgers en politici Politieke Partijen
Affectieve Geliefden Affectieve Gezinnen
,VERALGEMEENDE OF GEGENERALISEERDE AFHANKELIJKHEID
Omwille van taakspecialisatie
➔ We zijn van veel gespecialiseerde beroepsbeoefenaars (een beetje) afhankelijk
Complementair hieraan
➔ Van weinig zijn we sterk afhankelijk -> affectieve bindingen
Sociaal netwerk
= een lange ketting van afhankelijkheden
Bijvoorbeeld een school
DE SAMENLEVING
De samenleving = De maatschappij
‘’Margaret Tatcher: There’s no such thing as society. There are individual men and
women and there are families.’’
Er bestaat weldegelijk zoiets als de maatschappij = geheel van sociale relaties, sociale
verbanden, netwerken, …
4 kenmerken kunnen ook toegepast worden op de maatschappij
1. JA
2. Verandert voortdurend
3. Niet mechanisch of gedetermineerd want men kan niet voorspellen hoe het
over 100 jaar is
4. Niet onder controle DUS niet in zijn geheel gemonitord
Ruimtelijke grenzen aan de maatschappij? Bijvoorbeeld De Vlaamse Maatschappij?
DE MODERNE MAATSCHAPPIJ = FUNCTIONEEL GEDIFFERENTIEERDE
WERELDMAATSCHAPPIJ
• Arbeidsdeling, taakspecialisatie, functionele differentiatie bv. alles wordt steeds
opgesplitst in verschillende taken
• Mondialisering, globalisering: afhankelijkheidsverhoudingen worden mondiaal
bijvoorbeeld e-revolutie
o Steeds meer bindingen, maar ook transcontinentaal
= de verruiming, verdieping en versnelling van de wereldwijde verbondenheid
• Spanning: kosmopolitisme (wereldbewustzijn) >< nationalisme
Samen aan 1 zeil trekken (één mondiale Ergens thuis voelen in kleiner verband –
wereld), wereldafhankelijkheid meer identificeerbaar
➔ Politieke standpunten steeds
meer
Cirkelmodel -> niet sociologie want stelt individu centraal
, SOCIAAL ENGAGEMENT: WILLEN SOCIOLOGEN DE WERELD BETER MAKEN?
Methoden -> onderzoek -> objectief: andere onderzoekers = zelfde uitkomst =
wetenschappelijk sociologisch DOEL
Sociologisch onderzoek = sociaal handelen en beïnvloed wat het onderzocht heeft ->
kennis ook gebruiken om de wereld beter te maken (=activisme)
Principe van scheiding tussen feiten en waarden -> Empirische vaststellingen zijn
mogelijk, en staan los van eventuele waardering of evaluatie (WEBER)
SOCIOLOGISCHE VERBEELDINGSKRACHT MILLS
>< egocentrisch maatschappijbeeld (Elias)
Zelf overzien, en meer kijken naar de relaties -> OOK bij individuele moeilijkheden kijken
naar het sociale probleem hierachter
= Het vermogen om zichzelf te observeren als een knooppunt van én in menigvuldige
sociale bindingen, verbanden of netwerken die het eigen denken en handelen mede
vorm geven.
SOCIALE STRATIFICATIE, ARMOEDE EN BELEID P39-70
- Invloed maatschappelijke (beleid bijvoorbeeld) op individuele
- In België, vergeleken met andere landen, 21,6% kans op armoede of sociale
uitsluiting -> armoede en sociale uitsluiting gaan vaak samen
Materiele deprivatie: dat je je zaken niet kan veroorloven.
Kan ook in combo met andere achtergrond kenmerken bijvoorbeeld werk, eigendom,
onderwijs, gezinssamenstelling, gender
ONBEDOELDE VS PERVERSE EFFECTEN
Onbedoeld Pervers
Uitkomsten die anders uitvallen dan Tegenovergestelde bereiken van wat
werd bedoeld door de handelende actor werd beoogd
Bijvoorbeeld Mattheüs effect, campagnes
rond e-sigaretten steunen
Bedoeling van sociologen is om deze effecten op te sporen
Bijvoorbeeld paradox van de sociologische verbeeldingskracht -> Rationeel
nastreven van gewenste resultaten tevens ongewenste gevolgen kan bekomen
BELEID
Sociale zekerheid: kan niet alles dekken -> werk is belangrijk DUS subsidiëren van
kinderopvang?
Mensen met laag inkomen moeten minder betalen