Lesweek 1, college 1.
Vormen binnen het strafrecht:
Materieel strafrecht: de strafbare bepalingen > wanneer is iemand strafbaar.
Formeel strafrecht: de regels en processen die er bij komen kijken > hoe passen we het
strafrecht toe.
Bijzonder strafrecht: kan materieel of formeel strafrecht zijn, maar is een specifiekere vorm er
van (Opiumwet of wegenverkeerswet)
Penitentiair strafrecht: regelt het recht binnen de penitentiaire inrichtingen, dus binnen
gevangenissen en inlichtingen
Internationaal strafrecht: regelt het strafrecht tussen de verschillende staten, zodat ze
kunnen samenwerken om criminelen op te pakken die bijv. gevlucht zijn.
Volgorde van een strafproces:
Kenmerken inquisitoir proces:
Verdachte voorwerp van het onderzoek;
Verdachte geen gelijkwaardige procespartij
Verdachte geen zelfstandige rechten en bevoegdheden en ook niet dezelfde rechten als het
OM
Strafrechter actieve rol; ondervraagt zelf getuigen, doet zelf onderzoek, heeft invloed op de
bewijsvoering om de waarheidsvinding te bewerkstellingen
Kenmerken accusatoir proces:
Verdachte gelijkwaardige procespartij
Verdachte dezelfde rechten en bevoegdheden als het OM
Strafrechter is niet actief, is lijdelijk
Strafrechter verhoort partijen en doet zelf geen onderzoek
Partijen zijn verantwoordelijk voor het aanbrengen van bewijsmateriaal
Equality of arms (ze hebben gelijke rechten, officier is gelijk aan verdachte)
,In Nederland: gematigd inquisitoir proces:
Bevat kenmerken van beide soort processen (combinatie)
Belangrijke kenmerk: ambtshalve onderzoek plaatsvinden dat gericht is op het vaststellen van de
waarheid waarin de verdachte voorwerp van het onderzoek is.
Beginselen:
Legaliteitsbeginsel:
De regels moeten voorafgaand duidelijk en wettelijk zijn vastgesteld.
Het doel hierbij is om rechtszekerheid te creëren en om machtsmisbruik te voorkomen.
Het muilkorf arrest heeft geregeld dat de regels van het strafprocesrecht alleen door de
wetgever in formele zin kan worden vastgesteld.
Opportuniteitsbeginsel:
Het geeft het OM de bevoegdheid om te bepalen of ze een verdachte gaan vervolgen. Ze kunnen zo
kijken naar het algemeen belang en of het opportuun is om de verdachte te vervolgen.
Doel om de scherpte van het legaliteitsbeginsel te ontnemen.
Onschuldpresumptie:
Een persoon dient onschuldig te worden gehouden tot het tegendeel is bewezen.
Beginselen van behoorlijke strafrechtspleging:
Deze beginselen leveren waarborg voor het rechtvaardig handelen van de overheid, ook beschermen
ze de burger tegen machtsmisbruik van de overheid.
Vertrouwensbeginsel: de verdachte mag gerechtvaardigd vertrouwen op mededelingen van de
politie en justitie. Vereist dat de overheid handelt op een manier wat vertrouwen respecteert.
Zuiverheid van oogmerk/détournement de pouvoir: de (publieke) bevoegdheid mag niet
worden misbruikt. Het mag niet voor een ander doel worden gebruikt dan waarvoor zij is
aangegeven.
Gelijkheidsbeginsel: beslissingen (om tot vervolging over te gaan) moeten in gelijke gevallen
altijd gelijk behandeld worden.
Beginsel van willekeur: de overheid mag geen beslissingen maken die duidelijk oneerlijk en
onredelijk zijn. De besluiten moeten zorgvuldig, redelijk, eerlijk en goed onderbouwd zijn.
Zorgvuldigheidsbeginsel: de verplichting voor het openbaar bestuur om alle relevante
gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en afwegen.
Taken van de politie: (art. 3 PW)
Handhaving rechtsorde:
Strafrecht > OM
Openbare orde > Burgemeester
Hulpverlening
, Lesweek 1, college 2. (rechterlijk beslissingsmodel) (zelfde kleurtje doen)
Rechterlijk beslissingsmodel: de formele vragen (art. 348 en 249 Sv)
1. Is de dagvaarding geldig? (kijk naar art. 261 Sv)
Ja? > naar vraag 2.
Nee? Nietigheid der dagvaarding (art. 349 Sv)
2. Is de rechter bevoegd? (absolute en relatieve competentie)
Ja? > naar vraag 3.
Nee? Onbevoegdheid van de rechter (art. 349 Sv)
3. Is het OM ontvankelijk in zijn vervolging? (vervolgingsbeletselen)
Ja? > naar vraag 4.
Nee? Niet ontvankelijkheid OM (art. 349 Sv)
4. Moet de vervolging geschorst worden?
Ja? > schorsing der vervolging (art. 349 Sv)
Nee? Naar vraag 1 van de Materiële vragen.
Rechterlijk beslissingsmodel: de materiële vragen (art. 350, 351 en 352 Sv)
1. Kan het ten laste gelegde feit worden bewezen?
Nee? > Vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv)
Ja? > naar vraag 2.
2. Kan het ten laste gelegde feit worden gekwalificeerd?
Nee? > OVAR (ontslag van alle rechtsvervolging) (art. 352 lid 2 Sv)
Ja? > naar vraag 3.
3. Is de verdachte strafbaar?
Nee? > OVAR (ontslag van alle rechtsvervolging) (art. 352 lid 2 Sv)
Ja? > naar vraag 4.
4. Wordt een straf of maatregel opgelegd?
Nee? > rechterlijk pardon, 9a Sr.
Ja? > Straf of maatregel.