Ontwikkeling van het kind in interactie met gezinsleden beschrijven, begrijpen en
optimaliseren.
Wat betekent het als er een interactie is tussen opvoedgedrag en kindkenmerken? College 2
Hoe beïnvloeden broers en zussen elkaars ontwikkeling? College 3b
Hoe verschilt opvoedgedrag tussen gezinnen met vaders, moeders, of een vader en een
moeder? College 4 en 5
Opvoed taken per ontwikkelingsfase:
Babytijd: vier domeinen van opvoedgedrag:
- Verzorgende opvoeding (fysieke behoeften)
- Sociale opvoeding (interactie en hechting)
- Didactische opvoeding (stimuleren van leren en ontdekken)
- Materiële opvoeding (omgeving creëren voor ontwikkeling)
Sensitiviteit van ouders is cruciaal: het vermogen om signalen van het kind correct waar te
nemen en te interpreteren
Domeinen kunnen onafhankelijk zijn van elkaar, het kunnen onafhankelijke vaardigheden zijn
voor ouders, waarin hun specialiteiten kunnen verschillen.
Visuele weergave van de behoeften van het kind en de
rol die ouders hierin spelen. Roze handjes geven de
ouder weer. Twee taken: veilige haven en veilige basis
zijn. Bij sensitiviteit denken we vaak aan het onderste
deel van de cirkel (veilige haven om naar terug te
keren). Het gaat er ook juist om dat de ouder een
veilige basis is waar vanuit het kind kan ontdekken.
Eén van de taken van de ouder is om een goede balans
te vinden, tussen de veilige basis en de veilige haven.
Waarom is sensitiviteit zo belangrijk? Sensitiviteit van de ouder voorspelt de gehechtheid van
het kind. Daarom is het belangrijk dat een ouder sensitief kan reageren. Helpt het kind om
een beeld te vormen van hoe de sociale wereld eruitziet.
Eerste tekenen van gehechtheid
- Vanaf 8-9 maanden: want vanaf 9 maanden kan er in theorie een nieuw kindje zijn.
Vanuit de evolutionaire theorie wordt gedacht dat de gehechtheid dan zichtbaar
wordt, omdat het voor het kindje dan nuttig is om erg gehecht te zijn aan je ouder.
- Angst voor vreemden: vanaf 8 maanden
Onderzoek Mcelwain:
- Hypothese: ouderlijke sensitiviteit is vooral belangrijk als baby's stress ervaren.
, - De resultaten gaven aan dat een grotere gevoeligheid van de moeder voor angst na 6
maanden (maar niet na 15 maanden) geassocieerd was met een grotere kans op een
veilige hechting tussen baby en moeder.
- Het bescherming gerelateerde gedrag van moeders tijdens het eerste levensjaar,
wanneer het kind bijzonder kwetsbaar is, kan relevant zijn voor het bevorderen van
latere veiligheid.
- Een moeilijk temperament van het kind was niet gerelateerd aan de mate van
gevoeligheid van de moeder en kwam niet naar voren als significante voorspeller van
gehechtheid.
Hoe zien verschillen in gehechtheid eruit tussen kinderen?
Je kunt gehechtheid meten door te kijken welke reactie kinderen hebben op kinderen.
Hiervoor wordt van 12 tot 24 maanden vaak de strange situation procedure gebruikt. Hierna
is hij niet meer zo nuttig, omdat kinderen dan meer vaardigheden hebben en meer manieren
om zichzelf te reguleren. Het kind speelt in een kamer met twee mensen (moeder een
vreemde). Op een gegeven moment loopt de moeder weg en de vreemde persoon blijft in de
kamer met het kindje.
• Wanneer het kindje met de moeder is, ga je kijken of het kind gaat ontdekken.
• Als de moeder de kamer verlaat, kijk je of het kindje heel overstuur is.
➢ Gedrag van het kind tijdens de aanwezigheid van de moeder.
Bij veilige hechting: kalm en ruimte ontdekken.
➢ Reactie van het kind als reactie op afwezigheid van de moeder.
Bij veilige hechting: overstuur, huilen, klampt vast aan de moeder.
➢ Reactie van het kind als reactie op terugkeer van de moeder.
Bij veilige hechting: kindje zoekt troost op, maar laat zich snel troosten.
Gehechtheidsstijlen:
Veilig (65%): deze hechting vindt plaats wanneer het kindje kan vertrouwen op de
zorgfiguren en wanneer de zorgfiguren nabijheid, bescherming en emotionele steun bieden
aan het kindje.
• Ouder: sensitief, responsief, consistent
• Kind: exploratief, verdriet bij weggaan van de ouder, troost bij terugkeer van de ouder
Onveilig-vermijdend (20%): bij deze hechtingsstijl stelt het kind zich zeer vermijdend op t.o.v.
de zorgfiguur. Het kindje is vroegtijdig zelfstandig.
• Ouder: afstandelijk, weinig betrokken
• Kind: weinig exploratief, emotioneel afstandelijk bij het weggaan en de terugkeer van de
ouder.
Onveilig-ambivalent (10%): deze hechting komt voor bij kinderen die separatieangst ervaren.
• Ouder: inconsistent, soms sensitief, soms afstandelijk.
• Kind: weinig exploratief, overstuur bij het weggaan van de ouder, combinatie van angst,
onzekerheid en boos bij de terugkeer.
Onveilig-gedesorganiseerd (5%): bij deze kinderen is er sprake van afwisselende kenmerken
van de bovenstaande hechtingsstijlen. Soms zoekt het kindje toenadering bij de ouder, maar
levert dit zowel stress als angst op.
• Ouder: extreem inconsistent, beangstigend, intrusief of passief.
• Kind: zeer passief of juist erg boos.
,Gehechtheid heeft invloed op je interne werkmodel = gedachten en overtuigingen
gebaseerd op eerdere ervaringen. Je interne werkmodel gaat over jezelf, anderen en de
relatie tussen jezelf en anderen. Deze dingen beïnvloeden je verwachtingen, acties en
reacties in sociale situaties → als je op vroege leeftijd leert dat je ouders er niet voor je zijn,
verwacht je dit later ook van je partner/vrienden.
Als je iets bent gewend, kan het zijn dat je oude situatie bekender aan voelt omdat je niet
anders bent gewend.
Veilig gehecht: geloof en vertrouwen in dat in je behoeften zal worden voorzien.
Onveilig vermijdend: (onbewust) geloof dat niet in je behoeften zal worden voorzien.
Onveilig ambivalent: er niet vanuit kunnen gaan dat in je behoeften zal worden gezien.
Onveilig gedesorganiseerd: verward en zonder strategie over of in je behoeften zal worden
voorzien.
Gehechtheidstijlen zijn redelijk stabiel (70/80%).
Partner en vriendschapskeuze dragen bij aan consistentie intergenerationele transmissie van
gehechtheid.
- Kan wel veranderen (dus kans voor optimaliseren) Model van Baumrind 1
- Veel Weinig
ondersteunin ondersteuning
Ontwikkelingsfase peuter- en kleutertijd: g
Warmte: affectie, steun/waardering en positieve Veel Democratisch
Autoritair
emoties. controle (autoritatief)
Controle: onderscheid tussen gedragscontrole Weinig ToegeeflijkVerwaarlozend
(positief) en psychologische controle (negatief) Zie controle (permissief)
uitwerking artikel Joussemet et al. Gedragscontrole
hoort bij autoritatieve opvoeding en is gezond voor de ontwikkeling. Psychologische controle
past meer bij autoritaire opvoeding en kan schadelijk zijn. De balans tussen controle en
warmte is cruciaal voor een positieve opvoedingsstijl.
Autonomy support verwijst naar opvoedgedrag waarbij ouders de zelfstandigheid en eigen
keuzes van hun kind stimuleren, in plaats van te controleren of te dwingen. Autonomy
support sluit het beste aan bij de autoritatieve opvoedingsstijl (hoge warmte, hoge
gedragscontrole). Autonomie en veilige hechting versterken elkaar: een veilig gehecht kind
voelt zich comfortabel bij exploratie, terwijl autonomie-ondersteunende ouders deze groei
faciliteren.
Opvoedgedrag adolescentie
Ouders kunnen wel voorspellen wat er is met hun kind, maar kan het niet tot actie gezet
worden. Tot dat het kind het zelf verteld.
Monitoring: ouderlijk toezicht en bewustzijn van activiteiten van het kind, een voorspeller
van risicogedrag.
Verandering in relatie kwaliteit: communicatie wordt belangrijker dan fysieke nabijheid.
(Herstelt doorgaans voor een belangrijk deel in latere adolescentie)
Samenvattend:
Babytijd: sensitiviteit
Kindertijd: warmte en gedragscontrole
Adolescentie: monitoring en communicatie
, Gezinspedagogiek als academische discipline:
Gezinspedagogiek is een empirisch-analytische wetenschap. Dit betekent dat opvoedkundige
claims worden getoetst aan waarnemingen en data, in plaats van aannames of
volkswijsheden.
Pedagogische mythes ontstaan door:
- Volkswijsheden zonder wetenschappelijke basis.
- Verlangen naar simpele antwoorden.
- Selectieve perceptie en herinnering.
- Verkeerd interpreteren van correlaties als oorzakelijke verbanden.
Voorbeelden van mythes:
"Kinderen gedragen zich goed omdat hun ouders hen goed opvoeden."
"Je persoonlijkheid wordt bepaald door of je de oudste, middelste of jongste bent."
Pedagogische ideeëngeschiedenis van John Bowlby en Mary Ainsworth; Hoofdstuk 4
Eind 19e eeuw kwam de Mental Hygiene Movement: als je lichaam gezond en schoon kon
houden/maken, dan moet dat ook mogelijk zijn voor de geest. Hierdoor was er meer
aandacht voor de geestelijke gezondheid. Rond dezelfde tijd was de psychoanalyse in
opkomst. Sigmund Freud herleidde psychische problemen van volwassenen naar echte of
ingebeelde gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden tijdens de kinderjaren. Hierop volgde
dat de opvoeding de verdere ontwikkeling van het kind kan beïnvloeden of schade kan
veroorzaken. Er was meer focus op de ouders; met name op de moeder
De gehechtheidstheorie beschrijft hoe de vroege sociaal-emotionele ontwikkeling van
kinderen een essentiële rol speelt in het later persoonlijk en intermenselijk functioneren.
John Bowlby en Mary Ainsworth die worden gerekend tot de meest eminente
gedragswetenschappers van de twintigste eeuw.
John Bowlby; werd geboren in 1907 in Londen. Komt voort uit een hogere Engelse sociale
klasse en werd opgevoed door gouvernante en zagen hun ouders beperkt. Vanaf 1925
studeren aan medicijnen en psychologie in Cambridge en London. Hij werkte vrijwillig op
twee zogenaamde “progressieve scholen” sterk beïnvloed door psychoanalytische
denkbeelden.
Psychoanalyse: De meest invloedrijkste theorie in de psychologie in de jaren 20 en 30 in
vorige eeuw. Psychoanalyse wordt gevormd door de theorie van psychoanalyse, waarin
gefocust wordt op de onbewuste geest; onbewuste mentale processen.
Affectieloos karakter: kinderen die niet staat bleken een emotionele band met anderen aan
te gaan.
Hij werd opgeleid tot psychoanalyticus. Bowlby had echter duidelijk verschillende ideeën
over de oorzaak van “de geestelijke aandoeningen” waarmee kinderen werden aangemeld.
De anderen oordeelde dat deze aandoeningen het gevolg waren van onderbewuste
fantasieën uit de kindertijd, terwijl Bowlby van mening was dat emotionele stoornissen
verband hielden met feitelijke gebeurtenissen in het leven van het kind.