Functies van het staatsrecht
1. Constituerende functie ≠ instellingsfunctie: de oprichting, instelling, inrichting en organisatie
van ambten.
- Art. 7 Statuut.
- Art. 118 lid 1 eerste zin Gw.
2. Attribuerende functie ≠ bevoegdheidsverlenende functie: het toekennen, intrekken
wegnemen en veranderen van bevoegdheden van ambten.
- Art. 118 lid 1 tweede zin Gw.
- Art. 73 lid 2 Gw.
3. Regulerende functie ≠ matigende functie: het vaststellen van de begrenzing van de
bevoegdheden van de ambten.
- Art. 9 lid 2 Gw.
- Art. 1 Gw.
4. (Legitieme functie: de bevolking moet de overheid accepteren als de overheid dwang
uitoefent, moet er ook draagvlak (acceptatie) bestaan).
Algemene bepaling – preambule
- Een algemene bepaling is een tekst die behoort tot het corpus van de Gw wel
rechtskracht.
- Een preambule is een tekst voorafgaand aan het corpus van de Gw geen rechtskracht.
Het verschil tussen een algemene bepaling en een preambule is van belang voor:
- (Toetsing door) de rechter: bij het opnemen van een algemene bepaling in de Gw krijgt de
rechter een actievere rol, waardoor hij vrijer kan omgaan met het toetsen van lagere
regelgeving aan de Gw, wat volgens de regering niet de bedoeling is.
- De wetgever: bij het opnemen van een algemene bepaling in de Gw dient de wetgever
rekening te houden met deze bepaling.
Rechtsstaat
Het rechtsstaat-begrip is het beste te plaatsen in het licht van de regulerende functie (grenzen die
worden gesteld aan het optreden van de overheid). Het begrip rechtsstaat is niet in onze Gw
opgenomen. Dus is het tot in zekere zin geen juridisch begrip. Maar… de rechtsstaat is wel een
belangrijk begrip! Dit komt tot uitdrukking in algemene bepalingen.
Elementen van de rechtsstaat
1. Het legaliteitsbeginsel.
2. Het vereiste van een voorafgaande algemene regel t.a.v. burgers belastend
overheidsoptreden.
Houdt sterk verband met het legaliteitsbeginsel.
3. Machtenscheiding:
- Wetgevende macht, art. 81 Gw.
- Uitvoerende macht, art. 89 lid 1 Gw.
- Rechtsprekende macht, art. 116 Gw.
4. Democratiebeginsel, art. 4 Gw.
5. Onafhankelijke rechter, art. 112 Gw.
6. Grond- en mensenrechten (zie vanaf WC 18).
Let op! Het legaliteitsbeginsel en het machtenscheidingsprincipe kunnen als op zichzelf staande
beginselen worden beschouwd, maar ook als elementen van de rechtsstaat.
,Legaliteitsbeginsel
Het legaliteitsbeginsel houdt in dat elk overheidsoptreden moet berusten op een algemene, dat wil
zeggen voor herhaalde toepassing vatbare, regel. Het legaliteitsbeginsel is niet expliciet in de Gw
vastgelegd, maar er zijn wel bepalingen die uitdrukking geven aan het legaliteitsbeginsel:
- Art. 1 Gw: gelijke gevallen gelijk behandelen verlangt dat er algemene regels bestaan, die
aangeven welke gevallen gelijk en ongelijk zijn.
- Art. 16 Gw: strafrechtelijk legaliteitsbeginsel.
- Art. 89 lid 2 Gw: voorschriften die door straffen kunnen worden gehandhaafd worden bij wet
bepaald.
HR Meerenberg
De regel was dat instellingen (waaronder Meerenberg) registers van hun patiënten moesten
aanleggen. De bestuurders van het krankzinnigeninstituut Meerenberg weigerden dit. Het nalaten
van de registratieplicht was i.s.m. een KB (AMvB afkomstig van de regering). Volgens de Blanketwet
1818 was een overtreding van een door de Kroon (de regering) vastgestelde regeling strafbaar. In de
praktijk hield de Blanketwet 1818 in dat de Kroon (de regering) via AMvB’s regels kon uitvaardigen en
hierop ook straffen kon zetten. Is de constructie waarbij de Koning een AMvB maakt conform de wet
(gaat de (uitvoerende) macht van de Koning zo ver? De bestuurders worden vrijgesproken aangezien
de regeling die de bestuurders hebben overtreden niet op een wet was gebaseerd
(legaliteitsbeginsel). Art. 104 Gw (oud) kende aan de Koning de uitvoerende macht toe, terwijl de
wetgevende macht wordt uitgeoefend door de Koning en de SG gezamenlijk. Daarom is het alleen
mogelijk dat de Koning de wetgevende macht heeft, in het geval dat dit aan hem door de Gw of door
delegatie in een WIFZ (wet vastgesteld door de regering + SG) is verleend. De Koning voerde aan dat
nergens in de wet stond dat hij geen AMvB’s mocht maken en het dus mocht. Vóór het Meerenberg-
arrest gold de regel dat wanneer de Gw een bevoegdheid niet uitdrukkelijk aan een specifiek orgaan
had toegekend, deze aan de Kroon (de regering) toekwam. De regeling die door de Koning was
opgesteld, was onverbindend want deze was niet op de wet gebaseerd.
1. Alle AMvB’s die met straffen te handhaven zijn, moeten berusten op een WIFZ (art. 89 lid 2
Gw).
2. De regering is zelfstandig bevoegd om AMvB’s op te stellen (art. 89 lid 1 Gw), zolang ze geen
voorschriften bevatten waaraan straffen verbonden zijn.
Ieder overheidsoptreden (dus ook dat van de regering) moet berusten op de wet.
HR Fluoridering
De gemeente Amsterdam besloot fluoride aan het drinkwater toe te voegen tegen tandbederf/voor
mondhygiëne. Burgers/eisers maken bezwaar en voeren aan dat de gemeente Amsterdam een
monopolie positie (het water wordt slechts door 1 partij, de gemeente Amsterdam, aangeboden)
heeft t.a.v. het verschaffen van het drinkwater. Bij KB werd de door de staatssecretaris verleende
toestemming vernietigd. De HR oordeelt dat de gemeente Amsterdam geen fluoride aan het water
mag toevoegen. De toevoeging van stoffen aan het drinkwater teneinde daarmee een geheel buiten
de eigenlijke drinkwatervoorziening gelegen doel (leveren van deugdelijk water) te dienen en
daarom een maatregel van zo een ingrijpende aard is (bewoners van de gemeente Amsterdam zijn
praktisch gedwongen de fluoride tot zich te nemen), dat zonder wettelijke grondslag niet kan worden
aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de aan hem opgedragen taak
de vrijheid heeft. Ook als het om feitelijk optreden (het toevoegen van fluoride aan het water) gaat
dient daartoe een uitdrukkelijke bevoegdheid te zijn.
Let op! Een uitzondering hierop zijn het objectieve (art. 103 Gw) en subjectieve (ongeschreven)
noodrecht.
Uit het legaliteitsbeginsel vloeit voort dat de wettelijke grondslag en het overheidshandelen o.b.v.
die grondslag hogere wettelijke normen in acht neemt.
, 1. Bovennationaal recht gaat voor (artt. 93 en 94 Gw).
2. Het centrale recht gaat voor het decentrale recht.
3. Binnen hetzelfde overheidsverband heeft dat recht dat sterker democratisch gelegitimeerd is
en procedureel zorgvuldiger tot stand komt en het recht dat de grondslag vormt voor de op
dat recht gebaseerde lagere regels, voorrang.
4. Inzake de verhouding tussen de verordeningen van diverse bedrijfslichamen geeft art. 101
Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: “Wet BO”) een gedetailleerde regeling.
WC 2 Het Statuut
Het Statuut is een overeenkomst tussen de landen van het Koninkrijk der Nederlanden en regelt de
verhoudingen tussen die landen. Het Statuut is o.g.v. art. 5 lid 2 Statuut de hoogste staatsregeling.
Het Koninkrijk vormt een staatsrechtelijk samenwerkingsverband van landen
dat trekken heeft van een federale staat, maar dan wel een zeer eigensoortige.
Federatie Deelstaten
De staat als geheel Lid 1 het Koninkrijk omvat 4 landen, te weten:
- Nederland
- Aruba
- Curaçao
- Sint-Maarten
Lid 2 deel van het Nederlandse staatsbestel maken
uit de (BES-)eilanden:
- Bonaire
- Sint-Eustatius
- Saba
Openbare lichamen o.g.v. art. 134 Gw.
, (Koninkrijks-)ambten/bevoegdheidsverdeling
Nederland Koninkrijk
Koning, art. 24 Gw Koning, artt. 1a en 2 Statuut
Raad van State, artt. 74 en 75 Gw Raad van state, art. 13 Statuut
Nederlandse RvS met evt.
aanvulling Raadslid uit een van de
Koninkrijkslanden (lid 2)
Ministerraad, art. 45 Gw Ministerraad van het Koninkrijk, artt.
7 en 8 Statuut
U Nederlandse ministerraad met
aanvulling van de gevolmachtigde
ministers:
Art. 10 Statuut
(aangelegenheden moeten
het betrokken land raken)
Art. 12 Statuut (intern appel:
bij meningsverschil is het
oordeel van de Nederlandse
ministers doorslaggevend)
Art. 81 Gw
Regering, art. 42 Gw Koninkrijksregering
SG, artt. 50 en 51 Gw SG (indirect in art. 5 lid 1 Statuut)
Maar, let op:
Bijzondere procedure
W m.b.t. Rijkswetten (art. 15
e.v. Statuut
Functie vertegenwoordigende
ambten bij wijziging van het
Statuut (art. 55 Statuut)
R Hoge Raad, art. 118 Gw Hoge Raad, art. 23 Statuut
Nederland heeft dus een sterk overwicht in dit bijzondere federale samenwerkingsverband.
Koninkrijksaangelegenheden
- Art. 3 (lid 1) Statuut hoofdmoot:
Handhaving van de onafhankelijkheid en verdediging (Defensie).
Buitenlandse betrekkingen (internationale politiek, economie en het sociale vlak).
Het Nederlanderschap (jo. art. 2 Gw).