,samenvatting basisvaardigheden grammatica hoofdstuk 1 woordbenoemen oefentoets kernbegrippen tentamen PABO toelatingstoets
, samenvatting basisvaardigheden grammatica hoofdstuk 1 woordbenoemen oefentoets kernbegrippen tentamen PABO toelatingstoets
Dit zal wel dom klinken, maar ken je de geur van gummetjes en potloden van
de basisschool nog? Ik heb hetzelfde sentiment bij dit document. Er komt weer
een vloed aan (hele logische) kennis en vooral herinneringen voorbij. Ow ja dat
was ook zo. Met de tijd vergeet je gewoon dingen. Alles is heel logisch en
prettig uitgelegd SUCCES!!!!
1.1 Lidwoord
Bepaalde lidwoorden: de, het
Onbepaalde lidwoord: een
Als het of een niet in combinatie met een zelfstandig naamwoord voorkomt,
noem je het geen lidwoord.
- In heb het gezien
- Het sneeuwt al twee dagen
- Een of twee minuten geleden
Soms kom je een oude naamvalsvorm van de lidwoorden tegen, zoals der
en des.
- Leden der Staten Generaal
- Vader des vaderlands
1.2 Zelfstandig naamwoord
Woorden waar de, het, een voor kan.
Zelfstandige naamwoorden benoemen meestal mensen, dieren of dingen. Ook
eigenschappen, idealen, ruimten, tijden en hoeveelheden zijn zelfstandige
naamwoorden. Meestal staat er een lidwoord voor het zelfstandig naamwoord. Een
zelfstandig naamwoord heeft de volgende kenmerken:
1. Zelfstandige naamwoorden kun je verkleinen Boot
- bootje
2. Zelfstandige naamwoorden kun je in het meervoud zetten Boot -
boten
3. Soms kun je van een andere woordsoort een zelfstandig naamwoord maken
Het gaat stormen (werkwoord)
Het stormen hield maar niet op (zelfstandig naamwoord)
Als je een lidwoord voor een werkwoord zet, verandert het werkwoord in een
zelfstandig naamwoord.
- Het gaat stormen (werkwoord)
- Het stormen hield maar niet op (zelfstandig naamwoord)
Voorbeeld:
- Mijn hond heeft na een minuut al genoeg van het rennen.
- Het roken van een sigaret is hier verboden