OEFENTOETS STAATSRECHT
Amber Lankman
HBO-Rechten – NHL Stenden Hogeschool te Leeuwarden
, Oefenvragen week 1
Vraag 1: Welke aspecten vertoont een staat?
Een Staat is een land met zijn eigen onafhankelijk bestuur en een hiërarchische politieke organisatie
die gezag uitoefent over een bevolking, gelegitimeerd door een vorm van recht, waarvan de naleving
wordt afgedwongen met een monopolie op het gebruik van geweld.
Vraag 2: Welke drie machten onderscheidde Montesquieu? Is er sprake van verticale of horizontale
scheiding van machten? Leg uit.
Een wetgevende macht die wetten opstelt, een uitvoerende macht die het dagelijks bestuur van de
Staat uitoefent en een rechterlijke macht die deze uitvoering toetst aan de wet. Er is sprake van een
horizontale scheiding van machten omdat de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht nooit
bij 1 en dezelfde persoon of instantie mogen berusten.
Vraag 3: Waaruit bestaat het Koninkrijk Der Nederlanden? Onderbouw het antwoord met wet- en
regelgeving.
Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit 4 landen. Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Dit
staat in art. 1 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Vraag 4: Wat is het verschil tussen een federatie en een eenheidsstaat?
Een eenheidsstaat is een staat waarvan de macht uitsluitend bij een centrale overheid ligt. Bij een
federatie is de soevereiniteit gedeeld tussen het centrale, nationale of federale niveau en de
deelstaten. Een federatie is een staat gevormd door het geheel van samenstellende delen die een
belangrijk gedeelte van hun oorspronkelijke soevereiniteit overdragen aan de federatie/overheid.
Een eenheidsstaat is een staat waarbij de soevereiniteit bij het centrale gezag ligt en van daaruit
vindt wetgeving en bestuur plaatst.
Soevereiniteit gaat over de zelfbeschikking van de staten. Wanneer de staat de hoogste macht voert,
is een staat soeverein.