H1 Macro-economie
Algemene Economie
De algemene economie tracht algemene en economische verschijnselen van bepaalde
volkshuishoudingen te analyseren, te verklaren en te voorspellen (zoals werkgelegenheid,
investeringsniveau of de rentestand).
Symbolen in het uitgebreide kringloopschema (open economie)
C = consumptie
I = investeringen van bedrijven
S = besparingen van de gezinnen
O = overheidsbestedingen
B = belastingen
E = export
M = import
Saldo’s vanuit het kringloopschema
Nationaal product Yph = C + I + O + (E – M)
Beschikbaar inkomen consumptiehuishoudingen Ych = C + S + B
Particuliere spaarsaldo = (S – I)
Begrotingssaldo = (B – O)
Nationale spaarsaldo = (S – I) + (B – O)
Exportsaldo = (E – M)
Vergelijking -> (S – I) + (B – O) = (E – M)
Nationale rekeningen
Worden gevormd door de in- en uitgaande geldstromen die per sector geregistreerd worden
(bedrijven, gezinnen, overheid en het buitenland).
Geven een overzicht van in geld waardeerbare economische activiteiten van een nationale economie,
gedurende een bepaalde periode. In NL wordt gepubliceerd door het CBS.
Bruto binnenlands product (BBP)
Het totaal van de toegevoegde waarden die het bedrijfsleven (binnenlandse bedrijven + overheid) in
een bepaald land voortbrengt. De goederen uit het BBP worden onderverdeeld in de categorieën
consumptiegoederen binnenland, investeringsgoederen binnenland en goederen bestemd voor
buitenland (export).
BBP = C + I + O + E – M
Groei van het BBP
Nominale groei = groei gemeten in euro’s
Reële groei = groei in volume (gecorrigeerd voor prijswijzigingen)
Bruto nationaal inkomen/product (BNI/BNP)
De totale beloning voor de productiefactoren van een bepaald land, oftewel het bruto primair
inkomen waarbij de primaire inkomens bestaan uit inkomens verkregen door het beschikbaar stellen
van productiefactoren in het productieproces (loon, huur, pacht, rente, dividend en winst).
BNI = BBP – saldo primaire inkomens uit het buitenland
,Bruto beschikbaar nationaal inkomen (BBNI)
Bruto primair inkomen – directe belastingen – sociale premies + sociale uitkeringen + saldo overige
inkomensoverdrachten
Nationaal inkomen (Y)
Het nationaal inkomen is de totale beloning voor de binnenlandse productiefactoren en wordt
beschouwd als een belangrijke maatstaf voor de welvaart van een land.
Y = C + I + O + (E – M)
Inkomen per hoofd van de bevolking
Het nationaal inkomen (Y) gedeeld door het aantal inwoners van een land.
Waardering van economische grootheden
Economische grootheden kunnen worden gewaardeerd tegen factorkosten (beloning van de
productiefactoren) of tegen marktprijzen (inclusief kostprijsverhogende belastingen en
prijsverlagende subsidies).
Samenhang tussen verschillende grootheden
Bruto binnenlands product (BBP) tegen factorkosten
Af/bij: Saldo primaire inkomens uit het buitenland a
Bruto nationaal product (BNP/BNI) tegen factorkosten
Bij: Kostprijsverhogende belastingen
Af: Prijsverlagende subsidies a
Bruto nationaal product (BNP/BNI) tegen marktprijzen
Af: Afschrijvingen bedrijven en overheid a
Netto nationaal product/inkomen (NNP/NNI) tegen marktprijzen
Invloed van de overheid op het nationaal inkomen
Directe invloed -> overheidsbestedingen, zowel overheidsconsumptie als
overheidsinvesteringen
Indirecte invloed -> Hangt samen met overheidsmaatregelen, bijv. belastingwetgeving. Dit
heeft indirect invloed op de bestedingen en consumptie van gezinnen bijv.
Investeringsgoederen
Dit zijn goederen met een gebruiksduur van langer dan één jaar (vaste activa), die door bedrijven
worden gebruikt voor de vervanging en/of uitbreiding van hun productiecapaciteit.
Het lange termijn effect van productie en afzet van investeringsgoederen lijdt tot het
instandhouden of uitbreiden van de productiecapaciteit, welke een bepalende factor betreft
voor de grootte van het BBP.
Op korte termijn leidt een toename van productie en afzet van investeringsgoederen tot een
toename van het BBP.
Welvaart
Mate waarin de behoeften worden bevredigd (voor gezinshuishoudingen zou dan C een maatstaf
kunnen zijn)
Vijf fases van de conjunctuurcyclus
, 1. Fase van toenemende bedrijvigheid (expansie)
2. Fase van ongeveer gelijkblijvende bedrijvigheid op hoog niveau (hausse)
3. Fase van afnemende bedrijvigheid met een daling naar een zeer laag niveau (recessie)
4. Fase van laagconjunctuur op ongeveer gelijk niveau (depressie)
5. Fase waarbij de conjunctuur weer aantrekt in de richting van hoogconjunctuur (herstel)
Conjunctuurindicatoren
Het nationaal product/inkomen (Y)
De productie van verwerkende industrie
De particuliere consumptie
De investeringen in vaste activa
De uitvoer
De werkloosheid
Economisch beleid
Alle maatregelen van de overheid die gericht zijn op het beïnvloeden van de economie.
Doelstellingen die horen bij het (macro)economische beleid zijn:
Volledige werkgelegenheid (max. 3% werkloosheid)
Stabiele prijzen
Evenwichtige betalingsbalans
Evenwichtige economische groei
Verantwoorde verdeling van de welvaart
Gezond milieu
, H2 Prijsvorming
Bedrijfskolom
De keten van bedrijfshuishoudingen die de oerproducent en de consument van een bepaald goed
met elkaar verbindt.
De bedrijfskolom bestaat uit verschillende schakels (bedrijfstakken) die zich elk met een bepaalde
fase van het totale productieproces bezighouden.
Differentiatie
Verticale verbijzondering in de bedrijfskolom (het aantal schakels neemt toe).
Integratie
Verticale samenvoeging in de bedrijfskolom (het aantal schakels neemt af).
Voorwaartse integratie = onderneming neemt activiteiten over van een volgende fase in de
bedrijfskolom
Achterwaartse integratie = onderneming neemt activiteiten over van een voorgaande fase in
de bedrijfskolom.
Specialisatie
Horizontale verbijzondering in de bedrijfskolom (het aantal bedrijfstakken neemt toe)
Parallellisatie
Horizontale samenvoeging in de bedrijfskolom (het aantal bedrijfstakken neemt af)
Factoren die de vraag naar goederen bepalen:
1. Het aantal consumenten
2. De prijs van het betreffende goed
3. De prijs van substitutiegoederen
4. Het inkomen van de consument
5. Het behoefteschema van de consument
Collectieve vraagcurve
De collectieve vraagcurve geeft aan welke hoeveelheden van een goed tegen uiteenlopende prijzen
op een bepaald moment worden gevraagd. De collectieve vraag is de sommatie van alle individuele
vraagschalen.
Oorzaken van verschuivingen van de (collectieve) vraagcurve:
1. Inkomenswijziging bij de consument
2. Groei en afname van de bevolking
3. Prijswijzigingen van substitutiegoederen
4. Technische ontwikkelingen (bijv. leidend tot ontstaan nieuwe substitutiegoederen)
5. Voorlichting en reclame
6. Vergrijzing van de bevolking (bijv. meer vraag naar medicijnen hierdoor)
Prijselasticiteit van de vraag
Dit is de mate waarin de gevraagde hoeveelheid (gevolg) reageert op een prijsverandering (oorzaak).
De elasticiteit wordt uitgedrukt in een getal, de prijselasticiteitscoëfficiënt (Ep).
Ep = relatieve verandering van de vraag / relatieve verandering van de prijs
Algemene Economie
De algemene economie tracht algemene en economische verschijnselen van bepaalde
volkshuishoudingen te analyseren, te verklaren en te voorspellen (zoals werkgelegenheid,
investeringsniveau of de rentestand).
Symbolen in het uitgebreide kringloopschema (open economie)
C = consumptie
I = investeringen van bedrijven
S = besparingen van de gezinnen
O = overheidsbestedingen
B = belastingen
E = export
M = import
Saldo’s vanuit het kringloopschema
Nationaal product Yph = C + I + O + (E – M)
Beschikbaar inkomen consumptiehuishoudingen Ych = C + S + B
Particuliere spaarsaldo = (S – I)
Begrotingssaldo = (B – O)
Nationale spaarsaldo = (S – I) + (B – O)
Exportsaldo = (E – M)
Vergelijking -> (S – I) + (B – O) = (E – M)
Nationale rekeningen
Worden gevormd door de in- en uitgaande geldstromen die per sector geregistreerd worden
(bedrijven, gezinnen, overheid en het buitenland).
Geven een overzicht van in geld waardeerbare economische activiteiten van een nationale economie,
gedurende een bepaalde periode. In NL wordt gepubliceerd door het CBS.
Bruto binnenlands product (BBP)
Het totaal van de toegevoegde waarden die het bedrijfsleven (binnenlandse bedrijven + overheid) in
een bepaald land voortbrengt. De goederen uit het BBP worden onderverdeeld in de categorieën
consumptiegoederen binnenland, investeringsgoederen binnenland en goederen bestemd voor
buitenland (export).
BBP = C + I + O + E – M
Groei van het BBP
Nominale groei = groei gemeten in euro’s
Reële groei = groei in volume (gecorrigeerd voor prijswijzigingen)
Bruto nationaal inkomen/product (BNI/BNP)
De totale beloning voor de productiefactoren van een bepaald land, oftewel het bruto primair
inkomen waarbij de primaire inkomens bestaan uit inkomens verkregen door het beschikbaar stellen
van productiefactoren in het productieproces (loon, huur, pacht, rente, dividend en winst).
BNI = BBP – saldo primaire inkomens uit het buitenland
,Bruto beschikbaar nationaal inkomen (BBNI)
Bruto primair inkomen – directe belastingen – sociale premies + sociale uitkeringen + saldo overige
inkomensoverdrachten
Nationaal inkomen (Y)
Het nationaal inkomen is de totale beloning voor de binnenlandse productiefactoren en wordt
beschouwd als een belangrijke maatstaf voor de welvaart van een land.
Y = C + I + O + (E – M)
Inkomen per hoofd van de bevolking
Het nationaal inkomen (Y) gedeeld door het aantal inwoners van een land.
Waardering van economische grootheden
Economische grootheden kunnen worden gewaardeerd tegen factorkosten (beloning van de
productiefactoren) of tegen marktprijzen (inclusief kostprijsverhogende belastingen en
prijsverlagende subsidies).
Samenhang tussen verschillende grootheden
Bruto binnenlands product (BBP) tegen factorkosten
Af/bij: Saldo primaire inkomens uit het buitenland a
Bruto nationaal product (BNP/BNI) tegen factorkosten
Bij: Kostprijsverhogende belastingen
Af: Prijsverlagende subsidies a
Bruto nationaal product (BNP/BNI) tegen marktprijzen
Af: Afschrijvingen bedrijven en overheid a
Netto nationaal product/inkomen (NNP/NNI) tegen marktprijzen
Invloed van de overheid op het nationaal inkomen
Directe invloed -> overheidsbestedingen, zowel overheidsconsumptie als
overheidsinvesteringen
Indirecte invloed -> Hangt samen met overheidsmaatregelen, bijv. belastingwetgeving. Dit
heeft indirect invloed op de bestedingen en consumptie van gezinnen bijv.
Investeringsgoederen
Dit zijn goederen met een gebruiksduur van langer dan één jaar (vaste activa), die door bedrijven
worden gebruikt voor de vervanging en/of uitbreiding van hun productiecapaciteit.
Het lange termijn effect van productie en afzet van investeringsgoederen lijdt tot het
instandhouden of uitbreiden van de productiecapaciteit, welke een bepalende factor betreft
voor de grootte van het BBP.
Op korte termijn leidt een toename van productie en afzet van investeringsgoederen tot een
toename van het BBP.
Welvaart
Mate waarin de behoeften worden bevredigd (voor gezinshuishoudingen zou dan C een maatstaf
kunnen zijn)
Vijf fases van de conjunctuurcyclus
, 1. Fase van toenemende bedrijvigheid (expansie)
2. Fase van ongeveer gelijkblijvende bedrijvigheid op hoog niveau (hausse)
3. Fase van afnemende bedrijvigheid met een daling naar een zeer laag niveau (recessie)
4. Fase van laagconjunctuur op ongeveer gelijk niveau (depressie)
5. Fase waarbij de conjunctuur weer aantrekt in de richting van hoogconjunctuur (herstel)
Conjunctuurindicatoren
Het nationaal product/inkomen (Y)
De productie van verwerkende industrie
De particuliere consumptie
De investeringen in vaste activa
De uitvoer
De werkloosheid
Economisch beleid
Alle maatregelen van de overheid die gericht zijn op het beïnvloeden van de economie.
Doelstellingen die horen bij het (macro)economische beleid zijn:
Volledige werkgelegenheid (max. 3% werkloosheid)
Stabiele prijzen
Evenwichtige betalingsbalans
Evenwichtige economische groei
Verantwoorde verdeling van de welvaart
Gezond milieu
, H2 Prijsvorming
Bedrijfskolom
De keten van bedrijfshuishoudingen die de oerproducent en de consument van een bepaald goed
met elkaar verbindt.
De bedrijfskolom bestaat uit verschillende schakels (bedrijfstakken) die zich elk met een bepaalde
fase van het totale productieproces bezighouden.
Differentiatie
Verticale verbijzondering in de bedrijfskolom (het aantal schakels neemt toe).
Integratie
Verticale samenvoeging in de bedrijfskolom (het aantal schakels neemt af).
Voorwaartse integratie = onderneming neemt activiteiten over van een volgende fase in de
bedrijfskolom
Achterwaartse integratie = onderneming neemt activiteiten over van een voorgaande fase in
de bedrijfskolom.
Specialisatie
Horizontale verbijzondering in de bedrijfskolom (het aantal bedrijfstakken neemt toe)
Parallellisatie
Horizontale samenvoeging in de bedrijfskolom (het aantal bedrijfstakken neemt af)
Factoren die de vraag naar goederen bepalen:
1. Het aantal consumenten
2. De prijs van het betreffende goed
3. De prijs van substitutiegoederen
4. Het inkomen van de consument
5. Het behoefteschema van de consument
Collectieve vraagcurve
De collectieve vraagcurve geeft aan welke hoeveelheden van een goed tegen uiteenlopende prijzen
op een bepaald moment worden gevraagd. De collectieve vraag is de sommatie van alle individuele
vraagschalen.
Oorzaken van verschuivingen van de (collectieve) vraagcurve:
1. Inkomenswijziging bij de consument
2. Groei en afname van de bevolking
3. Prijswijzigingen van substitutiegoederen
4. Technische ontwikkelingen (bijv. leidend tot ontstaan nieuwe substitutiegoederen)
5. Voorlichting en reclame
6. Vergrijzing van de bevolking (bijv. meer vraag naar medicijnen hierdoor)
Prijselasticiteit van de vraag
Dit is de mate waarin de gevraagde hoeveelheid (gevolg) reageert op een prijsverandering (oorzaak).
De elasticiteit wordt uitgedrukt in een getal, de prijselasticiteitscoëfficiënt (Ep).
Ep = relatieve verandering van de vraag / relatieve verandering van de prijs