1. Omschrijf wat onder het bbp wordt verstaan.
Het BBP wordt gevormd door het saldo van de toegevoegde waarde van de binnenlandse bedrijven
en de overheid (C+I+O+E-M) gedurende een jaar.
2. In welke categorieën worden de goederen uit het bruto binnenlands product ingedeeld?
Cunsumptiegoederen binnenland, investeringsgoederen binnenland en export (goederen bestemd
voor het buitenland)
3. Wat zijn in het kader van het bbp investeringsgoederen?
Investeringsgoederen zijn goederen met een gebruiksduur van langer dan één jaar, die door bedrijven
worden gebruikt voor de vervanging en/of uitbreiding van hun productiecapaciteit.
4. Welk kortetermijneffect hebben de productie en de afzet van investeringsgoederen op de
ontwikkeling van het bbp?
Het kortetermijneffect: de toename van productie en afzet van investeringsgoederen leidt tot een
toename van het bbp.
5. Beschrijf het mogelijke langetermijneffect van de productie en de afzet van investeringsgoederen
op de ontwikkeling van het bbp.
Het langetermijneffect: productie en afzet van investeringsgoederen leiden tot het instandhouden
(vervangingsinvesteringen) en/of het uitbreiden van de productiecapaciteit
(uitbreidingsinvesteringen). De omvang van de productiecapaciteit is een van de bepalende factoren
voor de grootte van het bbp.
6. Hoe kan, uitgaande van het bruto nationaal product tegen factorkosten, het netto nationaal
inkomen tegen marktprijzen worden berekend?
Door het te vermeerderen met de indirecte belastingen en te verminderen met de prijsverlagende
subsidies krijg je het bruto nationaal product tegen marktprijzen. Door die te verlagen met de
afschrijvingen van bedrijven en overheid krijg je het netto nationaal product tegen marktprijzen.
7. Het nationaal inkomen kan naar enkele inkomstenbronnen worden onderscheiden, noem er vier
en geef kort aan waarvoor zij een beloning vormen.
Pacht beloning voor factor natuur
Rente/dividend beloning voor factor kapitaal
Lonen beloning voor factor arbeid
Winst beloning voor het ondernemersinitiatief
8. Wat geeft het begrip conjunctuur aan?
Conjunctuur geeft de schommelingen in de markteconomie aan, de conjunctuurcyclus.
9. Geef drie kenmerken van een periode van hoogconjunctuur.
Toenemende bedrijvigheid
Werkloosheid is relatief laag
Veel particuliere consumptie
10. Geef drie kenmerken van een periode van laagconjunctuur.
, Werkloosheid is hoog of stijgende
Minder investeringen in vaste activa
Afnemende productieaantallen
11. Van een land zijn de volgende macro-economische cijfers bekend:
De export = 140
De import = 125
Het begrotingstekort = 15
Bereken het particuliere spaarsaldo. Laat ook uw berekening zien.
Particuliere spaarsaldo = S+I
(S+I) + (B-O) = (E-M)
(S+I) + (-15) = (140-125)
(S+I) -15 = 15
S+I = 30 Het particuliere spaarsaldo is dus 30.
, H2 Prijsvorming
1. Noem vijf factoren die de vraag naar een consumptiegoed beïnvloeden.
a) De prijs van het goed
b) De prijs van substitutiegoederen
c) De inkomens van consumenten
d) Het aantal consumenten
e) Het behoefteschema van consumenten
f) Technische vooruitgang (vraag neemt af, vraag verschuift naar geavanceerder model bijv.)
2. Wat is een collectieve vraagcurve?
De collectieve vraagcurve geeft aan welke hoeveelheden van een goed tegen uiteenlopende prijzen
op een bepaald moment worden gevraagd. De collectieve vraag is de sommatie van alle individuele
vraagschalen.
3. Geef aan in welke situatie de collectieve vraagcurve naar rechts verschuift.
g) Bij prijsstijging van substituten
h) Door een inkomensstijging van de bevolking
i) Door reclame of voorlichting
j) Door technische ontwikkelingen
4. Noem twee oorzaken waardoor de collectieve vraagcurve een dalend verloop heeft.
k) Door de ongelijke inkomensverdeling zal de gevraagde hoeveelheid van een goed groter zijn
bij een lagere prijs omdat het goed binnen het bereik komt van een grotere groep personen.
l) Zij die bij de hogere prijs al als koper optraden, zullen bij een lagere prijs meer van dit goed
willen kopen.
5. Noem twee situaties, waarbij de prijselasticiteit van een vraagschaal voor elk punt van de
vraagschaal hetzelfde is en vermeld daarbij tevens de prijselasticiteitscoëfficiënt.
m) Indien de vraagcurve een verticaal verloop heeft; volkomen inelastisch (Ep = 0)
n) Indien de vraagcurve een horizontaal verloop heeft, volkomen elastisch (Ep = ∞)
6. Complementaire goederen worden vaak gedefinieerd als goederen waarvoor de kruiselingse
elasticiteit van de vraag negatief is. Leg met behulp van een voorbeeld uit dat de kruiselingse
elasticiteit van de vraag van complementaire goederen negatief is.
Door een prijsstijging van bijv. koffie zal de vraag naar zowel koffie als koffiemelk afnemen.
Stel dat de prijs van koffie stijgt met 10% en stel dat daardoor de vraag naar koffie met 5% afneemt,
en ook de vraag naar koffiemelk met 5% afneemt.
De relatieve verandering in de gevraagde hoeveelheid koffiemelk gedeeld door de relatieve
verandering in de prijs van koffie is dan: Ek = –5%/+10% = –0,5 en dus negatief.
, H3 Abstracte marktvormen
12. Verklaar hoe een geknikte vraagcurve ontstaat en teken deze.
De geknikte vraagcurve ontstaat doordat de gedifferentieerdheid van
de producten niet ver uiteenloopt. Een prijsverhoging door één
aanbieder zal er toe leiden dat een deel van de vragers zal
overschakelen naar het product van een andere aanbieder, terwijl een
prijsverlaging nauwelijks invloed heeft op de afzet, aangezien andere
aanbieders de prijs overeenkomstig zullen verlagen.
13. Wat houdt de reactiehypothese in?
Dit houdt in dat wanneer een van de aanbieders zijn prijs verhoogt, de andere aanbieders niet tot
een prijsverhoging overgaan. Maar als een van de aanbieders de prijs verlaagt, de andere aanbieders
onmiddellijk zullen volgen.
14. Hoe vindt concurrentie plaats indien bij het oligopolie is overgegaan tot non-pricing
competition?
Non-price competition houdt in dat de ondernemers de prijs niet als concurrentiemiddel gebruiken,
maar concurreren door extra serviceverlening, acties of het verstrekken van brochures die de koper
nuttige informatie verstrekken etc. Bijv. benzinemaatschappijen die zegels, drinkglazen of
handdoeken verstrekken.
15. Geef voor het monopolie vier elementen aan waardoor deze markt wordt gekarakteriseerd.
Onvolledige mededinging; de aanbieder kan invloed uitoefenen op de prijs (hij is prijszetter)
Er is slechts één aanbieder (concurrentie ontbreekt).
Het verhandelde product is uniek, dus volstrekt heterogeen (geen substitutie door andere
producten mogelijk.
De aanbieder heeft een zeer sterke economische machtspositie door het ontbreken van
concurrentie.
16. Leg aan de hand van de grafiek de totstandkoming van de evenwichtsprijs uit. Ga daarbij uit van
een onevenwichtige situatie met een prijs boven en een prijs beneden de evenwichtsprijs.
Bij prijs p1 overtreft de aangeboden hoeveelheid qa1 de gevraagde
hoeveelheid qv1. Wil een evenwichtsprijs ontstaan, dan zal de prijs moeten
dalen: de gevraagde hoeveelheid neemt toe (wegens de dalende vraagcurve)
en de aangeboden hoeveelheid neemt af (door de stijgende aanbodcurve).
Bij prijs p2 overtreft de gevraagde hoeveelheid qv2 de aangeboden
hoeveelheid qa2. Er ontstaat opwaartse prijsdruk: de gevraagde hoeveelheid
neemt af en de aangeboden hoeveelheid neemt toe. Bij de evenwichtsprijs
Ep zijn vraag en aanbod aan elkaar gelijk. Geen van de marktpartijen heeft
aanleiding zijn marktpositie te wijzigen.
17. Omschrijf het begrip 'consumers surplus' of 'consumentenpremie'.
De consumentenpremie is het verschil tussen de prijs die de koper maximaal wenst te betalen en de
prijs die de koper werkelijk betaalt.
18. Wat wordt onder prijsdiscriminatie verstaan?