Minor sportvoeding
Inhoud
Minor sportvoeding................................................................................................. 1
Week 1.1: Energiesystemen en myologie...........................................................2
Sliding filament theory..................................................................................... 2
Welke factoren dragen bij aan fysiologische adaptaties?.................................3
Wat is het belangrijkste bij eiwitten, en wat is minder belangrijk?...................3
Spiervezels....................................................................................................... 3
Samentrekking van spieren: actine en myosine...............................................5
Soorten spiercontracties.................................................................................. 6
Energiesystemen.............................................................................................. 6
Week 1.2 Cardiovascular and pulmonary system & training principles...............7
Chronische aanpassingen van duursport.........................................................7
Training principes en mechanisme...................................................................8
Soorten trainingen........................................................................................... 9
Morphological/ fysiologische effecten..............................................................9
Metabolische effecten van aerobe training en de energiesystemen die daarbij
betrokken zijn................................................................................................ 11
Herstel en Alternatieve Trainingen.................................................................13
Week 1.3 Energy & energy balance..................................................................14
Energie en energiebalans............................................................................... 14
Basaal metabolisme en rustmetabolisme......................................................14
Factoren die BMR beïnvloeden.......................................................................14
Energiegebruik en Pal, MET............................................................................14
Energieverbruik: methodes en formules........................................................15
Energie-inname en macronutriënten..............................................................16
Coopertest...................................................................................................... 16
Gemiddelde caloriebehoefte..........................................................................16
Calorie, Joule en Watt..................................................................................... 16
Week 1.4 Koolhydraten en vet..........................................................................16
Wat zijn vetten?............................................................................................. 20
Vertering van vetten...................................................................................... 20
Absorptie van vetten...................................................................................... 21
Metabolisme van vetten................................................................................. 21
Wat zijn koolhydraten?................................................................................... 22
, Vertering van koolhydraten............................................................................22
Absorptive van koolhydraten.........................................................................23
Metabolisme van koolhydraten......................................................................24
Aanbevolen inname vetten en koolhydraten..................................................25
Effecten van respectievelijk lichaamsbeweging en voedselinname op
koolhydraat- en vetmetabolisme....................................................................25
Koolhydraat- en vetrijke producten................................................................25
Week 1.1: Energiesystemen en myologie
Sliding filament theory
De Sliding Filament Theory beschrijft hoe spiercontractie plaatsvindt door de
interactie tussen actine- en myosinefilamenten. Binnen dit proces zijn er twee
belangrijke stappen die ATP vereisen:
1. Loslaten van de myosinekop van actine
o Wanneer ATP bindt aan de myosinekop, vermindert dit de affiniteit
van myosine voor actine, waardoor de myosinekop loslaat van het
actinefilament.
2. Herstellen van de myosinekop (cocken van de myosinekop)
o ATP wordt gehydrolyseerd tot ADP en een fosfaatgroep (Pi). Deze
energie wordt gebruikt om de myosinekop terug te brengen in zijn
'cocked' (gespannen) positie, klaar om opnieuw te binden aan actine
en een nieuwe power stroke uit te voeren.
Daarnaast is ATP ook nodig voor het actief terugpompen van calciumionen (Ca²⁺)
naar het sarcoplasmatisch reticulum via de Ca²⁺-ATPase pomp, wat belangrijk
is voor spierrelaxatie.
De overige stappen van de sliding filament theorie, die geen ATP kosten:
- Rusttoestand (geen interactie tussen actine en myosine)
Beschrijving: In rust bevinden de actine- en myosinefilamenten zich op
een afstand van elkaar. De myosinekoppen zijn in hun "gebogen" (cocked)
positie, met ADP en Pi eraan gebonden. De calciumconcentratie is laag,
wat betekent dat de troponine-tropomyosine complexen op het
actinefilament de bindingsplaatsen voor myosine blokkeren.
Geen ATP wordt gebruikt in deze fase. De spier is in rust, en de binding
van myosine aan actine wordt verhinderd door de tropomyosine.
- Calcium komt vrij (initiëren van de contractie)
Beschrijving: Wanneer een actiepotentiaal de spiercel bereikt, wordt
calcium (Ca²⁺) vrijgegeven uit het sarcoplasmatisch reticulum naar het
cytosol van de spiercel. Calcium bindt zich aan troponine, wat een
verandering in de structuur van het troponine-tropomyosinecomplex
veroorzaakt. Hierdoor worden de bindingsplaatsen op actine vrijgegeven.
, Geen ATP wordt verbruikt voor het vrijgeven van calcium zelf. Het ATP-
gebruik komt pas later in de fase wanneer het calcium weer actief wordt
teruggepompt naar het sarcoplasmatisch reticulum (zie stap 6).
- Myosine bindt aan actine (formeren van een cross-bridge)
Beschrijving: Wanneer de bindingsplaatsen op actine vrijkomen door de
binding van calcium aan troponine, kunnen de myosinekoppen zich aan
actine hechten. Dit wordt de "cross-bridge" genoemd.
Geen ATP nodig in deze stap. Het proces van het binden van myosine aan
actine is puur mechanisch en vereist geen ATP, zolang de actineplaatsen
beschikbaar zijn.
- Power Stroke (myosine beweegt actinefilamenten)
Beschrijving: Wanneer de myosinekop zich aan actine heeft gebonden,
veroorzaakt de afgifte van ADP en Pi uit de myosinekop een kracht die de
myosinekop naar beneden trekt. Dit beweegt het actinefilament naar het
midden van de sarcomeer (de contractie van de spier). Dit is de
zogenaamde "power stroke".
Geen ATP wordt verbruikt in deze stap zelf, omdat de beweging van de
myosinekop veroorzaakt wordt door de chemische energie die vrijkomt bij
het loslaten van ADP en Pi, niet door ATP.
Welke factoren dragen bij aan fysiologische adaptaties?
- Genen
- Training
- Basisvoeding
- Rust
- Supplementen
Wat is het belangrijkste
bij eiwitten, en wat is
minder belangrijk?
1. Kwantiteit
2. Kwaliteit
3. Distributie (verdeling
van hoeveelheden)
4. Timing
Spiervezels
1 spiervezel zijn allemaal spiercellen bij elkaar.
Elke spiervezel heeft dus meerdere celkernen.
Ook zit er aan elkaar geschakelde actine en
myosine, oftewel het deel van de spier dat kan
samentrekken. Samen noemen we dat
myofibrillen. En er zit ook nog sarcoplasma in
(cytoplasma van een spiervezel) met daarin
onder andere myoglobine (daar kan zuurstof
aan binden), glycogeen (opslagvorm van
Inhoud
Minor sportvoeding................................................................................................. 1
Week 1.1: Energiesystemen en myologie...........................................................2
Sliding filament theory..................................................................................... 2
Welke factoren dragen bij aan fysiologische adaptaties?.................................3
Wat is het belangrijkste bij eiwitten, en wat is minder belangrijk?...................3
Spiervezels....................................................................................................... 3
Samentrekking van spieren: actine en myosine...............................................5
Soorten spiercontracties.................................................................................. 6
Energiesystemen.............................................................................................. 6
Week 1.2 Cardiovascular and pulmonary system & training principles...............7
Chronische aanpassingen van duursport.........................................................7
Training principes en mechanisme...................................................................8
Soorten trainingen........................................................................................... 9
Morphological/ fysiologische effecten..............................................................9
Metabolische effecten van aerobe training en de energiesystemen die daarbij
betrokken zijn................................................................................................ 11
Herstel en Alternatieve Trainingen.................................................................13
Week 1.3 Energy & energy balance..................................................................14
Energie en energiebalans............................................................................... 14
Basaal metabolisme en rustmetabolisme......................................................14
Factoren die BMR beïnvloeden.......................................................................14
Energiegebruik en Pal, MET............................................................................14
Energieverbruik: methodes en formules........................................................15
Energie-inname en macronutriënten..............................................................16
Coopertest...................................................................................................... 16
Gemiddelde caloriebehoefte..........................................................................16
Calorie, Joule en Watt..................................................................................... 16
Week 1.4 Koolhydraten en vet..........................................................................16
Wat zijn vetten?............................................................................................. 20
Vertering van vetten...................................................................................... 20
Absorptie van vetten...................................................................................... 21
Metabolisme van vetten................................................................................. 21
Wat zijn koolhydraten?................................................................................... 22
, Vertering van koolhydraten............................................................................22
Absorptive van koolhydraten.........................................................................23
Metabolisme van koolhydraten......................................................................24
Aanbevolen inname vetten en koolhydraten..................................................25
Effecten van respectievelijk lichaamsbeweging en voedselinname op
koolhydraat- en vetmetabolisme....................................................................25
Koolhydraat- en vetrijke producten................................................................25
Week 1.1: Energiesystemen en myologie
Sliding filament theory
De Sliding Filament Theory beschrijft hoe spiercontractie plaatsvindt door de
interactie tussen actine- en myosinefilamenten. Binnen dit proces zijn er twee
belangrijke stappen die ATP vereisen:
1. Loslaten van de myosinekop van actine
o Wanneer ATP bindt aan de myosinekop, vermindert dit de affiniteit
van myosine voor actine, waardoor de myosinekop loslaat van het
actinefilament.
2. Herstellen van de myosinekop (cocken van de myosinekop)
o ATP wordt gehydrolyseerd tot ADP en een fosfaatgroep (Pi). Deze
energie wordt gebruikt om de myosinekop terug te brengen in zijn
'cocked' (gespannen) positie, klaar om opnieuw te binden aan actine
en een nieuwe power stroke uit te voeren.
Daarnaast is ATP ook nodig voor het actief terugpompen van calciumionen (Ca²⁺)
naar het sarcoplasmatisch reticulum via de Ca²⁺-ATPase pomp, wat belangrijk
is voor spierrelaxatie.
De overige stappen van de sliding filament theorie, die geen ATP kosten:
- Rusttoestand (geen interactie tussen actine en myosine)
Beschrijving: In rust bevinden de actine- en myosinefilamenten zich op
een afstand van elkaar. De myosinekoppen zijn in hun "gebogen" (cocked)
positie, met ADP en Pi eraan gebonden. De calciumconcentratie is laag,
wat betekent dat de troponine-tropomyosine complexen op het
actinefilament de bindingsplaatsen voor myosine blokkeren.
Geen ATP wordt gebruikt in deze fase. De spier is in rust, en de binding
van myosine aan actine wordt verhinderd door de tropomyosine.
- Calcium komt vrij (initiëren van de contractie)
Beschrijving: Wanneer een actiepotentiaal de spiercel bereikt, wordt
calcium (Ca²⁺) vrijgegeven uit het sarcoplasmatisch reticulum naar het
cytosol van de spiercel. Calcium bindt zich aan troponine, wat een
verandering in de structuur van het troponine-tropomyosinecomplex
veroorzaakt. Hierdoor worden de bindingsplaatsen op actine vrijgegeven.
, Geen ATP wordt verbruikt voor het vrijgeven van calcium zelf. Het ATP-
gebruik komt pas later in de fase wanneer het calcium weer actief wordt
teruggepompt naar het sarcoplasmatisch reticulum (zie stap 6).
- Myosine bindt aan actine (formeren van een cross-bridge)
Beschrijving: Wanneer de bindingsplaatsen op actine vrijkomen door de
binding van calcium aan troponine, kunnen de myosinekoppen zich aan
actine hechten. Dit wordt de "cross-bridge" genoemd.
Geen ATP nodig in deze stap. Het proces van het binden van myosine aan
actine is puur mechanisch en vereist geen ATP, zolang de actineplaatsen
beschikbaar zijn.
- Power Stroke (myosine beweegt actinefilamenten)
Beschrijving: Wanneer de myosinekop zich aan actine heeft gebonden,
veroorzaakt de afgifte van ADP en Pi uit de myosinekop een kracht die de
myosinekop naar beneden trekt. Dit beweegt het actinefilament naar het
midden van de sarcomeer (de contractie van de spier). Dit is de
zogenaamde "power stroke".
Geen ATP wordt verbruikt in deze stap zelf, omdat de beweging van de
myosinekop veroorzaakt wordt door de chemische energie die vrijkomt bij
het loslaten van ADP en Pi, niet door ATP.
Welke factoren dragen bij aan fysiologische adaptaties?
- Genen
- Training
- Basisvoeding
- Rust
- Supplementen
Wat is het belangrijkste
bij eiwitten, en wat is
minder belangrijk?
1. Kwantiteit
2. Kwaliteit
3. Distributie (verdeling
van hoeveelheden)
4. Timing
Spiervezels
1 spiervezel zijn allemaal spiercellen bij elkaar.
Elke spiervezel heeft dus meerdere celkernen.
Ook zit er aan elkaar geschakelde actine en
myosine, oftewel het deel van de spier dat kan
samentrekken. Samen noemen we dat
myofibrillen. En er zit ook nog sarcoplasma in
(cytoplasma van een spiervezel) met daarin
onder andere myoglobine (daar kan zuurstof
aan binden), glycogeen (opslagvorm van