DE VRAAG NAAR DE MENS
IN RELATIE TOT WETENSCHAP
EN TECHNIEK
, Eindtermen kwestie 3
13. De kandidaten kunnen de opvattingen van Clark, Kockelkoren, Verbeek en De
Mul over de vraag of het wezen van de mens verandert door de omgang met
techniek en wetenschap uitleggen, vergelijken, toepassen en evalueren. Daarbij
kunnen zij de volgende standpunten betrekken:
• dat mensen van nature al technologische wezens zijn (Clark);
• dat omgang met techniek de zintuiglijke ervaring verandert (Kockelkoren);
• dat omgang met techniek het moreel oordeelsvermogen verandert (Verbeek);
• dat hedendaagse techniek de menselijke identiteit verandert (De Mul).
Andy Clark
Andy Clark sluit aan bij de stelling van Helmut Plessner dat de mens van nature
kunstmatig is (zie eindterm 7). Het is een wezenlijk element van de menselijke
natuur dat wij onze lichamelijke én geestelijke vermogens uitbreiden met
technologie. Het is echter niet slechts een kwestie dat wij deze technieken
gebruiken. Volgens Clark gaat het een stap verder, wij incorporeren (van het
Duitse korper = lichaam) deze technieken in onze lichamelijke ervaring en ons
denkvermogen.
Dit is een grote uitspraak. Om deze claim te verdedigen maakt Clark ons bewust
van neuraal opportunisme (of: neurale plasticiteit). Ons brein is lui en wil zoveel
mogelijk dingen uitbesteden. Zie bijvoorbeeld filmpjes over aandachtsblindheid
(dansende gorilla). Omdat dit uitbesteden zo’n wezenlijk onderdeel is van de
manier waarop ons brein functioneert is het heel erg flexibel geworden. Wij zijn
heel goed in staat om nieuwe dingen te gebruiken, sterker nog om ons nieuwe
dingen eigen te maken. Deze manier van spreken is niet figuurlijk, wij maken ze
letterlijk onderdeel van ons zelf.
Om dit laatste (enigszins vreemd klinkende) conclusie te onderbouwen wijst Clark
ons op een aantal experimenten waaruit blijkt hoe flexibel en veranderlijk ons
zelfbeeld is. Het experiment van ‘de verlengde neus’ laat zien hoe makkelijk het
voor ons is om ons lichamelijke zelfbeeld (jarenlang opgebouwd) in enkele
minuten te veranderen. Het tweede experiment ‘pijn in het… bureaublad’ laat zien
hoe het mogelijk is om relatief gemakkelijk objecten in je lichamelijke zelfbeeld op
te nemen, het voelt alsof het bureaublad onderdeel van je lichaam is geworden.
Hoewel er volgens Clark dus relatief gemakkelijk, redelijk fundamentele
veranderingen in ons zelfbeeld kunnen worden bewerkstelligd, verandert dit niets
aan ons wezen. Het behoort namelijk tot het wezen van de mens om niet
vastgepind te zijn aan wat ons van nature is gegeven. Wij zijn van nature al
technologische wezens en omgang met techniek en wetenschap veranderen daar
niets aan, maar geven daar juist vorm aan.
Petran Kockelkoren
In navolging van Don Ihde, gaat Kockelkoren uit van de empirische wending.
Dat betekent dat je bij technologische ontwikkeling niet moet uitgaan van het
abstracte en algemene begrip ‘techniek’. In plaats daarvan moet je kijken naar
2