DE VRAAG NAAR DE MENS
IN RELATIE TOT WETENSCHAP
EN TECHNIEK
, Eindtermen kwestie 2
9. De kandidaten kunnen de opvattingen van Lakoff & Johnson, Vroon & Draaisma,
Swaab, Dreyfus, Clark & Chalmers en O’Regan, Myin & Noë (hierna; Noë)) over de
vraag hoe wetenschap en techniek het mensbeeld veranderen uitleggen, vergelijken,
toepassen en evalueren. Daarbij kunnen zij de volgende standpunten betrekken:
• dat taal uitdrukt uit hoe we met ons lichaam in de wereld staan (Lakoff &
Johnson);
• dat mensbeelden historisch contingent zijn (Vroon & Draaisma);
• dat mensen hun brein zijn en het brein als een computer is (functionalistisch
cognitivisme, Swaab) en de evaluatie hiervan (Dreyfus, connectionisme);
• dat mensen niet alleen met hun brein denken, maar ook met hun lichaam in
een omgeving (4E-cognitivisme, Clark & Chalmers en Noë).
Lakoff & Johnson
Lakoff & Johnson stellen dat onze taal ‘overgoten’ is met metaforen, het ‘zit er vol’
mee. Als je hier bewust op gaat letten, dan ‘valt’ dit pas echt ‘op’ (opvallen is pas
een interessante metafoor…). Zij stellen dat ons conceptuele systeem werkt via
metaforen, dat is de manier waarop wij abstracties maken. Dat komt misschien het
duidelijkste naar voren als we kijken naar de manier waarop wij over onze
geestelijke wereld spreken. Wij hebben geen gedeelde toegang tot onze innerlijke
(subjectieve) beleving, daarom maken we gebruik van lichamelijke metaforen. Ook
bieden nieuwe wetenschappelijke inzichten of technologische ontwikkelingen een
rijke voedingsbodem voor nieuwe metaforen. Denk aan de opwindklok (drijfveer),
de stoommachine (stoom uit de oren) of de computer (opslaan in geheugen).
Oriëntatiemetaforen en ontologische metaforen (zie eindterm 10) laten zien dat
metaforen van mentale ervaringen geworteld zijn in onze lichamelijke ervaring.
Vroon & Draaisma
Wat betekent het om mens te zijn? Die vraag is door de geschiedenis heen op
zeer uiteenlopende wijze beantwoord. Hoe kan dat? Vroon & Draaisma geven
daar een mogelijk antwoord op. In navolging van Lakoff & Johnson stellen zij dat
metaforen een belangrijke manier zijn waarop wij onszelf als mensen begrijpen.
Vroon & Draaisma voegen hier echter twee zaken aan toe. Ten eerste zijn
metaforen wel noodzakelijk, maar wélke metaforen, dat is tijd en cultuur gebonden
(historisch contingent). Ten tweede stellen ze nadrukkelijk dat metaforen niet
neutraal zijn. Metaforen belichten bepaalde aspecten, maar daardoor worden
andere aspecten onderbelicht. Een voorbeeld, Descartes maakt een onderscheid
tussen subject (ik) en object (de wereld). Sinds Descartes zijn wij de wereld dus
gaan zien als een objectief ding dat los van ons staat. Als dit de manier is waarop
je naar de wereld kijkt, dan is het ineens helemaal niet zo vreemd dat we zo’n
negatieve impact hebben op de wereld (milieu en klimaat). Metaforen over de
mens helpen ons dus niet alleen om onszelf beter te begrijpen, maar ze hebben
ook een sterke invloed op het mensbeeld dat daaruit volgt. Wees dus erg
voorzichtig met welke metaforen je over jezelf gebruikt!
p.s. Denk bijvoorbeeld aan de metaforen van Hobbes (de mens is voor de mens een wolf) of
Rousseau (de mens als nobele wilde). Het is niet neutraal welk beeld je onderschrijft en dat zal
vervolgens invloed hebben op hoe jij jezelf als mens, maar ook andere mensen ervaart…
2