Korte Samenvatting / oefentoetsen / begrippen / Hoofdstuk 1
Marketingmix: Product, prijs, plaats (distributie) en promotie
Marketing heeft een multidisciplinair karakter
Bedrijfseconomie houdt zich bezig met de economische aspecten binnen een
bedrijfshouding (financieringen interne organisatie, administratief medewerker).
Commerciële economie houdt zich bezig met het verklaren van het handelen van klanten en
stelt bedrijven in staat om de producten optimaal af te stemmen op de wensen en behoeften
van de klant (ondernemer).
Algemene economie is een wetenschap waar vaak wordt uitgegaan van de rationele
consument die kiest voor het alternatief dat hem of haar het meeste nut oplevert
Micro marketing: marketing bekijken vanuit management van een bedrijf (organisatie
centraal)
Macro marketing: marketing bekijken op niveau van de samenleving (maatschappij centraal)
Meso marketing: ligt hier qua niveau tussenin. Gaat om de gezamenlijke uitgevoerde
marketingactiviteiten van bedrijven die actief zijn op dezelfde markt (bedrijfstak centraal)
- Bedrijfskolom: reeks personen en organisaties van oer producent tot consument, die
zijn betrokken bij de productie, distributie en verbruik van producten en diensten
(Samsung-Vodafone)
- Bedrijfstak: schakel van bedrijven die een gelijkwaardige functie in de productie of
handel van een bepaald product vervullen (Samsung-Apple). Hierbinnen heet een
groep organisaties die bepaalde overeenkomsten vertonen op het gebied van de
productietechniek en de geleverde producten een branche.
Marketingconcept (ondernemingsfilosofie, mindset van de manager die bij zo veel mogelijk
beslissingen de wensen en behoeften van de klant centraal stelt), 6 uitgangspunten:
tevreden klanten, geïntegreerde aanpak, breed omschreven werkterrein,
concurrentieanalyse, marktonderzoek en doelgroep keuze, winstbijdrage.
Segmenteren is het opsplitsen van de markt in kleinere groepen klanten
Breed omschreven werkterrein: beperkte omschrijvingen kunnen leiden tot marketing
bijziendheid (marketing myopia): niet doorhebben dat de behoefte op de markt is veranderd
Sleuteltaken van marketing:
Eerste taak marketing: opsporen en inventariseren van wensen en behoeften op de markt
(consumentengedrag)
Tweede taak marketing: uitvoeren van een uitgekiend marketingbeleid om in te spelen op de
vraag
- Naast de marketingmix ook aandacht besteden aan de 3 R’s:
Reputatie: het beeld dat de klant van het bedrijf en zijn merken heeft
(merkimago)
Relatie: door voortdurende interactie met de klant ontstaat er klantenbinding
en loyaliteit
Respons: het tot stand brengen van een proces van ruil met een vaste groep
klanten
,Begrippen
Doelgroep: deel van de markt waarop het bedrijf zich richt
Marketing: omvat de, op de markt afgestemde, ontwikkeling, prijsbepaling, promotie
en distributie van producten, diensten of ideeën en alle andere activiteiten die de
klanten toegevoegde waarde bieden; deze leiden systematisch tot een hogere omzet
of andere gewenste respons, een goede reputatie van de organisatie en een
duurzame relatie met de klant, waarbij alle partijen hun doelstellingen bereiken
Brancheorganisatie: zet zich in voor de belangen binnen een specifieke branche en de
deelnemers een gezamenlijke stem geeft
Missie: hoogste doel dat een onderneming wil bereiken (rol en ambities in het
afgebakende werkterrein)
Behoefte: hebben te maken met een tekort aan iets en met iemands sterke neiging
om dat tekort op te heffen
Vraag: aantal producten of diensten dat op basis van bepaalde wensen wordt gekocht
om een behoefte te bevredigen
Marketingmanagers: om niet in een neerwaartse spiraal van de tactische
concurrentie terecht te komen, moeten marketingmanagers niet alleen de
‘transactiegerichte’ marketinginstrumenten (4 P’s) optimaal inzetten, maar ook
aandacht besteden aan strategische factoren zoals de 3 R’s
Relatiemarketing: is voor de lange termijn
Ruil: creëren en uitwisselen van iets van waarde, moet logisch aansluiten bij wat de
consument van het bedrijf verwacht
Korte Samenvatting / oefentoetsen / begrippen / Hoofdstuk 3
, Koopbeslissingsproces, 5 fasen: behoefte beseffen, informatie zoeken, alternatieven evalueren
(evoked set), aankoopbeslissing, evaluatie na de koop (cognitieve dissonantie).
Consument heeft soms zoveel ervaring dat hij 1 van de 5 fases overslaat, 3 vormen van oriëntatie- en
koopgedrag:
- Uitgebreide besluitvorming: niet vaak kopen, aankoop van groot belang, hoge betrokkenheid
- Beperkte besluitvorming: enige ervaring met product, gemiddelde betrokkenheid
- Routinekoopgedrag: eerdere ervaringen, lage betrokkenheid, hoge aankoopfreq.
(levensmiddelen, fast moving consumer goods, korte levensduur, snelle omloop). Niet
gepland= impulsaankoop
Factoren die het consumentengedrag beïnvloeden:
1. Persoonlijke factoren: demografisch (leeftijd, inkomen, opleiding, godsdienst,
gezinsgrootte), lifestyle (activiteiten, interesses, opinies, zelfconcept, AIO-variabelen),
situationeel (waar, wanneer, hoe, 5 factoren: fysieke omgeving, aankoopreden,
sociale omgeving, tijd, toevalligheden)
2. Psychologische of interne factoren: behoeften en motieven, percepties,
leerprocesen, persoonlijkheid en attitudes
- Behoeften (hierarchie van Maslow): Behoeftehiërarchie onderscheidt diverse typen
behoeften, 5 niveaus: zelfontplooiing, waardering, sociale behoeften, veiligheid,
fysieke behoeften. Motieven (positief en negatief): innerlijke drang die de consument
aanzet tot actie
- Perceptie: proces waardoor iemand zich via 5 zintuigen van zijn omgeving bewust
wordt en daaraan een zekere betekenis toekent: subjectief (werkelijkheid door eigen
bril kijken en interpreteren o.b.v. zijn eigen ervaringen, vooroordelen en
bijgedachten), cumulatief (hoe vaker een prikkel of signaal wordt ontvangen, hoe
groter de kans dat het goed wordt gezien en geïnterpreteerd), selectief (alleen zien
en horen wat we willen (niet teveel informatie in reclame doen))
- Leerprocessen: Stimulus-responsmodel (vb hond): het Pavlov-effect, mens leert
voornamelijk door ervaring o.b.v. bepaalde stimuli (merknamen/verpakking):
stimulus (sterke innerlijke prikkel die aanzet tot actie, kan ook zwakker cue zijn),
respons (reactie op bepaalde stimulus of cue, zoals aankoop of merkvoorkeur),
versterking, reinforcement (positieve ervaring waardoor je met hetzelfde gedrag bij
een behoefte op de stimulus reageert). Cognitief leren is het oplossen van een
probleem zonder directe ervaring en analytisch denken en verwerken van informatie.
Cognitieve benadering: nu voldoende inzicht om alternatieven te kunnen afwegen
3. Sociale of externe factoren
- Cultuur: geheel van waarden, ideeën, attitudes, gewoontes en symbolen die de leden van
gemeenschap hebben ontwikkeld om aan hun gedrag en levenswijze vorm te geven
(aangeleerd, generatie op generatie overdragen). Subculturen houden zich veelal aan de
normen en waarden van de maatschappij waarin ze wonen, maar hebben ook bepaalde
leefregels, gewoontes en consumptiepatronen gemeen waarmee zij zich van de
overkoepelende cultuur onderscheiden
- Sociale klasse (welstandklassen): groep personen met vergelijkbare waarden, interesses,
lifestyle en gedrag, waarbij het onderscheid tussen de diverse maatschappelijke lagen is
gebaseerd op sociale status (sociaal geaccepteerd gedrag met de juiste manieren) en
waardering.
- Referentiegroep: groep personen die veel invloed heeft op iemands houding en
gedrag, omdat hij zich met die groep verbonden voelt of zich ermee vergelijkt, geldt
Marketingmix: Product, prijs, plaats (distributie) en promotie
Marketing heeft een multidisciplinair karakter
Bedrijfseconomie houdt zich bezig met de economische aspecten binnen een
bedrijfshouding (financieringen interne organisatie, administratief medewerker).
Commerciële economie houdt zich bezig met het verklaren van het handelen van klanten en
stelt bedrijven in staat om de producten optimaal af te stemmen op de wensen en behoeften
van de klant (ondernemer).
Algemene economie is een wetenschap waar vaak wordt uitgegaan van de rationele
consument die kiest voor het alternatief dat hem of haar het meeste nut oplevert
Micro marketing: marketing bekijken vanuit management van een bedrijf (organisatie
centraal)
Macro marketing: marketing bekijken op niveau van de samenleving (maatschappij centraal)
Meso marketing: ligt hier qua niveau tussenin. Gaat om de gezamenlijke uitgevoerde
marketingactiviteiten van bedrijven die actief zijn op dezelfde markt (bedrijfstak centraal)
- Bedrijfskolom: reeks personen en organisaties van oer producent tot consument, die
zijn betrokken bij de productie, distributie en verbruik van producten en diensten
(Samsung-Vodafone)
- Bedrijfstak: schakel van bedrijven die een gelijkwaardige functie in de productie of
handel van een bepaald product vervullen (Samsung-Apple). Hierbinnen heet een
groep organisaties die bepaalde overeenkomsten vertonen op het gebied van de
productietechniek en de geleverde producten een branche.
Marketingconcept (ondernemingsfilosofie, mindset van de manager die bij zo veel mogelijk
beslissingen de wensen en behoeften van de klant centraal stelt), 6 uitgangspunten:
tevreden klanten, geïntegreerde aanpak, breed omschreven werkterrein,
concurrentieanalyse, marktonderzoek en doelgroep keuze, winstbijdrage.
Segmenteren is het opsplitsen van de markt in kleinere groepen klanten
Breed omschreven werkterrein: beperkte omschrijvingen kunnen leiden tot marketing
bijziendheid (marketing myopia): niet doorhebben dat de behoefte op de markt is veranderd
Sleuteltaken van marketing:
Eerste taak marketing: opsporen en inventariseren van wensen en behoeften op de markt
(consumentengedrag)
Tweede taak marketing: uitvoeren van een uitgekiend marketingbeleid om in te spelen op de
vraag
- Naast de marketingmix ook aandacht besteden aan de 3 R’s:
Reputatie: het beeld dat de klant van het bedrijf en zijn merken heeft
(merkimago)
Relatie: door voortdurende interactie met de klant ontstaat er klantenbinding
en loyaliteit
Respons: het tot stand brengen van een proces van ruil met een vaste groep
klanten
,Begrippen
Doelgroep: deel van de markt waarop het bedrijf zich richt
Marketing: omvat de, op de markt afgestemde, ontwikkeling, prijsbepaling, promotie
en distributie van producten, diensten of ideeën en alle andere activiteiten die de
klanten toegevoegde waarde bieden; deze leiden systematisch tot een hogere omzet
of andere gewenste respons, een goede reputatie van de organisatie en een
duurzame relatie met de klant, waarbij alle partijen hun doelstellingen bereiken
Brancheorganisatie: zet zich in voor de belangen binnen een specifieke branche en de
deelnemers een gezamenlijke stem geeft
Missie: hoogste doel dat een onderneming wil bereiken (rol en ambities in het
afgebakende werkterrein)
Behoefte: hebben te maken met een tekort aan iets en met iemands sterke neiging
om dat tekort op te heffen
Vraag: aantal producten of diensten dat op basis van bepaalde wensen wordt gekocht
om een behoefte te bevredigen
Marketingmanagers: om niet in een neerwaartse spiraal van de tactische
concurrentie terecht te komen, moeten marketingmanagers niet alleen de
‘transactiegerichte’ marketinginstrumenten (4 P’s) optimaal inzetten, maar ook
aandacht besteden aan strategische factoren zoals de 3 R’s
Relatiemarketing: is voor de lange termijn
Ruil: creëren en uitwisselen van iets van waarde, moet logisch aansluiten bij wat de
consument van het bedrijf verwacht
Korte Samenvatting / oefentoetsen / begrippen / Hoofdstuk 3
, Koopbeslissingsproces, 5 fasen: behoefte beseffen, informatie zoeken, alternatieven evalueren
(evoked set), aankoopbeslissing, evaluatie na de koop (cognitieve dissonantie).
Consument heeft soms zoveel ervaring dat hij 1 van de 5 fases overslaat, 3 vormen van oriëntatie- en
koopgedrag:
- Uitgebreide besluitvorming: niet vaak kopen, aankoop van groot belang, hoge betrokkenheid
- Beperkte besluitvorming: enige ervaring met product, gemiddelde betrokkenheid
- Routinekoopgedrag: eerdere ervaringen, lage betrokkenheid, hoge aankoopfreq.
(levensmiddelen, fast moving consumer goods, korte levensduur, snelle omloop). Niet
gepland= impulsaankoop
Factoren die het consumentengedrag beïnvloeden:
1. Persoonlijke factoren: demografisch (leeftijd, inkomen, opleiding, godsdienst,
gezinsgrootte), lifestyle (activiteiten, interesses, opinies, zelfconcept, AIO-variabelen),
situationeel (waar, wanneer, hoe, 5 factoren: fysieke omgeving, aankoopreden,
sociale omgeving, tijd, toevalligheden)
2. Psychologische of interne factoren: behoeften en motieven, percepties,
leerprocesen, persoonlijkheid en attitudes
- Behoeften (hierarchie van Maslow): Behoeftehiërarchie onderscheidt diverse typen
behoeften, 5 niveaus: zelfontplooiing, waardering, sociale behoeften, veiligheid,
fysieke behoeften. Motieven (positief en negatief): innerlijke drang die de consument
aanzet tot actie
- Perceptie: proces waardoor iemand zich via 5 zintuigen van zijn omgeving bewust
wordt en daaraan een zekere betekenis toekent: subjectief (werkelijkheid door eigen
bril kijken en interpreteren o.b.v. zijn eigen ervaringen, vooroordelen en
bijgedachten), cumulatief (hoe vaker een prikkel of signaal wordt ontvangen, hoe
groter de kans dat het goed wordt gezien en geïnterpreteerd), selectief (alleen zien
en horen wat we willen (niet teveel informatie in reclame doen))
- Leerprocessen: Stimulus-responsmodel (vb hond): het Pavlov-effect, mens leert
voornamelijk door ervaring o.b.v. bepaalde stimuli (merknamen/verpakking):
stimulus (sterke innerlijke prikkel die aanzet tot actie, kan ook zwakker cue zijn),
respons (reactie op bepaalde stimulus of cue, zoals aankoop of merkvoorkeur),
versterking, reinforcement (positieve ervaring waardoor je met hetzelfde gedrag bij
een behoefte op de stimulus reageert). Cognitief leren is het oplossen van een
probleem zonder directe ervaring en analytisch denken en verwerken van informatie.
Cognitieve benadering: nu voldoende inzicht om alternatieven te kunnen afwegen
3. Sociale of externe factoren
- Cultuur: geheel van waarden, ideeën, attitudes, gewoontes en symbolen die de leden van
gemeenschap hebben ontwikkeld om aan hun gedrag en levenswijze vorm te geven
(aangeleerd, generatie op generatie overdragen). Subculturen houden zich veelal aan de
normen en waarden van de maatschappij waarin ze wonen, maar hebben ook bepaalde
leefregels, gewoontes en consumptiepatronen gemeen waarmee zij zich van de
overkoepelende cultuur onderscheiden
- Sociale klasse (welstandklassen): groep personen met vergelijkbare waarden, interesses,
lifestyle en gedrag, waarbij het onderscheid tussen de diverse maatschappelijke lagen is
gebaseerd op sociale status (sociaal geaccepteerd gedrag met de juiste manieren) en
waardering.
- Referentiegroep: groep personen die veel invloed heeft op iemands houding en
gedrag, omdat hij zich met die groep verbonden voelt of zich ermee vergelijkt, geldt