Stof:
Hoofdstuk 1 en 2
Çoker & van der Linden (2022)
Hoofdstuk 3 en 4
Hoofdstuk 5, 6 en 7
Turner & Heo (2021)
Brosch (2021)
Nabi, Gustafson, & Jensen (2018)
,
,Artikelen:
1. Theoretisch kader: belangrijkste theorieën die de aanleiding vormen om
dit onderzoek te doen
2. Hypotheses: de verwachtingen die men vanuit de theorie heeft
3. Design: wat is er precies gemanipuleerd, en hoe? In wat voor soort
ontwerp is het experiment aan proefpersonen voorgelegd? Hoe werden
proefpersonen geselecteerd, hoeveel, uit wat voor populatie?
4. Afhankelijke variabelen: waarop werd een effect verwacht (en
waarom)? Hoe is dat geoperationaliseerd?
5. Resultaten: wat waren de hoofdeffecten? Wat waren er voor interactie-
effecten? Welke verwachte effecten waren er niet?
6. Conclusie: welke hypotheses worden ondersteund, waarom/waarmee?
Welke hypotheses worden verworpen, waarom? Welke onverwachte
dingen kwamen aan het licht?
7. Discussie: wat zijn punten voor verbetering en voor vervolgonderzoek,
volgens de auteurs? En welke punten van verbetering en opties voor
vervolgonderzoek zijn volgens jou relevant?
Het Integrative Model of Behavioral Prediction (IMBP)
, Het Integrative Model of Behavioral Prediction (IMBP) van Fishbein
en Yzer (2003) legt uit hoe gedrag wordt beïnvloed door verschillende
factoren. Het model toont aan dat gedrag voornamelijk wordt bepaald
door intentie, die op haar beurt afhankelijk is van drie
hoofddeterminanten: attitude, waargenomen norm, en self-efficacy
(eigen-effectiviteitsperceptie). Hieronder volgt een uitleg van het
model:
1. Gedrag
Gedrag is de uiteindelijke handeling die iemand uitvoert. Het wordt direct
beïnvloed door:
Intentie: De motivatie of bereidheid om het gedrag te vertonen.
Vaardigheden (skills): Heb je de kennis en vaardigheden om het
gedrag uit te voeren?
Omgevingsfactoren: Zijn er obstakels of ondersteuning aanwezig
in de omgeving? Bijvoorbeeld toegang tot middelen of regels.
2. Intentie
Intentie is de belangrijkste voorspeller van gedrag en wordt bepaald door:
1. Attitude: Hoe positief of negatief iemand over het gedrag denkt.
o Doelattitude: Wat je vindt van het object of het doel
(bijvoorbeeld: “Mondkapjes zijn nuttig”).
o Gedragsattitude: Wat je vindt van het gedrag zelf (bijvoorbeeld:
“Ik vind het goed om mondkapjes te dragen”).
o Attitudes worden gevormd door gedragsovertuigingen (wat
denk je dat er gebeurt door het gedrag?) en evaluaties (hoe
wenselijk vind je die gevolgen?).
2. Waargenomen norm: Wat je denkt dat anderen van je verwachten of
doen.
o Normatieve norm: Wat belangrijke anderen vinden dat jij moet
doen (bijvoorbeeld: “Mijn vrienden vinden dat ik gezond moet
eten”).
o Descriptieve norm: Wat je denkt dat anderen in dezelfde
situatie doen (bijvoorbeeld: “Andere mensen dragen
mondkapjes”).
o Dit wordt beïnvloed door normatieve overtuigingen (wat
anderen vinden) en motivatie om te conformeren(hoe
belangrijk je het vindt wat anderen denken).
3. Self-efficacy (eigeneffectiviteit): Hoeveel vertrouwen je hebt in je
vermogen om het gedrag uit te voeren.
o Dit wordt bepaald door efficacy beliefs (denk je dat je het
gedrag kunt uitvoeren?) en de waargenomen barrières.