= studie van het zich ontwikkelende, nieuwe organisme vanaf bevruchting tot geboorte
- Startkaptiaal voor morfologie: anatomie, histologie, pathalogie en teratologie (=ziektebeeld)
- Stapsgewijs inzicht in
o Bouw van organisme
o Basispatroon van ingewikkelde structuren zoals CZS
o Interrelaties tussen structuren
o Resultaten van verkeerde stap in ontwikkeling bv. stop in ontwikkeling
- Fouten zowel bij humaan embryo als bij dieren
- De ontogenie is een korte reflectie van de fylogenie (evolutie)
Embryonale ontwikkeling kan verkeerd gaan bv. Thaliodomide = stof in softenon
- Geneesmiddel tegen ochtendmisselijkheid dat zorgde voor afwijkingen, was teratogeen
- Te korte armen, kon ook hartafwijkingen veroorzaken
- Hierdoor strenger toekijken op geneesmiddelen bij zwangere vrouwen
EMBRYOLOGIE EN MORFOLOGISCHE VERSCHIJNSELEN
5 belangrijke processen
- Celproliferatie door mitosen
- Groei
bv. Spiervezels
- Differentiatie (zeer belangrijk) → zorgt ervoor dat cellen allemaal verschillende functies hebben
- Celmigratie
bv. pigmentcellen afkomstig van ruggenmerg migreren naar huid => bruinen
Neurale lijst cellen gaan zich afzonderen van de neurale buis een gaat beginnen te migreren en gaan dan
bijvoorbeeld migreren naar jou gezicht
o Melanocyten en dentine zijn neurale lijst cellen
o Misbruik van alcohol tijdens de zwangerschap
▪ Door de metaboliet van alcohol gaat neurale lijst cellen niet correct kunnen
migreren en gaan dan zorgen voor de ontwikkeling van afwijkingen in het
gezicht
- Celdood
bv. apoptose (vlies tussen vingers embryo afsterven)
EMBRYOLOGISCHE PERIODES
PRENATALE PERIODE
Embryonale periode: vanaf de bevruchting tot dat de organogenese beëindigt is (gehemelte platen
versmelten met elkaar) komt overeen met primitieve gemeenschappelijke lichaamsvorm
- Bij mens eerste trimester
Foetale periode: vanaf primitieve lichaamsvorm tot geboorte, vooral groei want primordium is aanwezig
→ verfijning van organen en groei.
1
,Ontwikkeling van species specifieke kenmerken
POSTNATALE PERIODE:
= verdere ontwikkeling
- Diersoortverschillen
- Nestvlieders
Vb. paard en rund
- Nestblijvers→ lang bij het moeder blijven om te kunnen overleven
Vb. honden en katten
Dit is gelinkt aan de dracht duur, mensen zijn hier een uitzondering in
De ontwikkeling stopt niet bij geboorte want organen blijven groeien en verder ontwikkelen tot ten
vroegste puberteit, weefsels worden hernieuwd gedurende volledige leven
VOORTPLANTING
VOORTPLANTING CYLCUS
Tussen de vertebraten is het cyclus heel gelijkaardig
= individu dat seksueel matuur is → starting van de cyclus
Sperma + eier sprong → als deze in contact komen = fertilisatie
- We verkrijgen de cygote of de eicel
- Heel kort stadium want de eicellen beginnen direct te delen
Elk van deze cellen = blastomeren
- Potentieel om een embryo en vruchtvliezen zelf aan te maken, wat betekend dat deze totipotente
cellen zijn
- Kunnen de vruchtvliezen als embryo zelf aan maken
Blijft bestaan tot het modula stadium → rond met blokjes en centraal ook met blokjes
Dit is een tijdelijk stadium waar je al differentiatie verkrijgt dus er zijn niet echt meer totipotente cellen
- Ronde de eicel → zona pellucida (band van lipoproteïnen) nog aanwezig =blastula
- Celdeling plaatsvind begint embryo op te schuiven naar de baarmoeder toe (terwijl dat die deelt)
- In de baarmoeder zitten klieren → belangrijk voor voeding en verteringsenzymen.
Beginnen te vreten aan de zona pellucida waardoor er vocht in de zona pellucida komt en
doordringt tot in de embryo (buitenkant cellen maar cellen die centraal liggen gaan beginnen te
drijven op het vocht)
Op het moment dat centrale cellen beginnen op het vocht te liggen → cellen aan de buitenkant
(=trofoblast cellen, staat in voor de aanmaak van de vruchtvlies) ≠ binnenzijde (embryoblast
cellen/kiemschijf, kan embryo zelf aanmaken, deze zijn pluripotent(kunnen het embryo maken)
en zijn groter)
o Op dit moment is er al differentiatie opgetreden
- Embryo blijft groeien waardoor de zona pellucida gaat openbarsten. Embryo is dus naar buiten
gekomen = blastocyst
2
, - Op het moment dat wij een blastocyst hebben begint de organogenese en wij krijgen de
gastrulatie =maagvorming
- En dan krijgen we de foetale periode
Innesteling moet gebeuren door cel cel interactie, de trofoblast cellen moeten in contact komen met
de cellen van de endometrium, dus als je zona pellucida nog aanwezig is kan dit niet gebeuren
GAMETOGENESE
SPERMATOGENESE
Er zijn verschillende onderdelen van het mannelijk geslachtsorgaan nodig
- Copulatie orgaan = penis
- Gameten → spermatozoa wordt geproduceerd in de testes
- Bijbal is ook nodig voor de rijping van de spermatozoa
- 10-12 dagen om te migreren tot de cauda epididymis
- Prostaat/accessoire geslachtklieren → belangrijk voor vocht aanmaak = fructose (energie) en
gaan een beschermlaagje vormen over de sperma, dit is nodig zodat ze kunnen doorzwemmen
zonder beschadiging
- In de zaadbuis zitten de Sertoli cellen → heeft tentakels en is eigenlijk een dirigente
cel(differentatie van de spermatogien dirigeren) is ook een voedingscellen voor de kiemcellen,
staat onder invloed van het FSH
- In het parenchym zitten de Leydig cellen → staan in voor de productie van testosteron
Chemische stoffen gaan testiculaire intoxificanten zijn
- Sommige gaan de sertoli cellen attaqueren → al de germcellen lieten los
MEOTISCHE DELING
Mannen → 1 en 2 meotische deling start bij de pubertijd
- 1 meostische deling → primair naar secundair spermatocyt = eerste halvering
- 2 meotische deling → secundair spermatocyt vormt spermatiden, starten als ronden cellen een
gaan zicht transformeren tot spertaozoa = spermogenese
- Bijna geen species verschillen
- Duur heel gelijkaardig behalve bij de muis (volledig cyclus na een maand)
Meisjes → 1 meostische deling al gestart in de ovarium nog in de baarmoeder van de moeder. 2 meotische
deling wanneer de cyclus begint, voltrekt zich maar op de moment van de bevruchting
Je hebt meer kans op geboorte afwijkingen als je ouder bent want jou meotische deling gaat al zo lang
door
3
, SPERMIOGENESE
Cytoplasma moet worden afgestoten, over de kern wordt er een muts overgetrokken (=achrosoom) dat
gevuld is met hydrolytische enzymes, belangrijk voor de bevruchting.
Ondertussen condenseert de kern en vindt de vorming van de staart plaats (=flagel), belangrijk voor de
voortbeweging
- Sommige mannen hebben een eiwit te weinig/defectief op het achrosoom
Propulsie van de spermatozoa gebeurt door de vrouw, baarmoederwand en vaginawand gaat samen
trekken = sperma wordt naar de eileider vervoerd. Sperma cellen moeten zelf zwemmen van de uterus
naar de eileider.
Centriole is belangrijk op het moment van de bevruchting daar gaat de deling plaatsvinden
OVOGENESE
Follikels gaan in het ovarium open barsten en gaan opgevangen worden in de eileider dat uit verschillende
componenten bestaat infundibulum (trechter) en dan de eicel met de corona radiata gaan dan hier
verder migreren.
Als er dan copulatie en zaadlozing optreedt gaan deze via de vagina naar de baarmoeder en dan in de
eileider terecht komen om de eicel te gaan bevruchten.
VERSCHILLEN TUSSEN DIEREN
Zoogdieren
Rond de eicel zona pellucida = bescherming bestaat uit glycoproteïnen
- Spermatozoa gaat nooit gewoon door die schaal gaan
Amfibieën en vogels
Rond de eicel zit er een vitelliene membraan
Amfibieën → eikapsel in eileider
Vogels → voortplantingsstelsel
- Enkel aan de linker kant een ovarium, rechts gaat het zich niet ontwikkelen
- 5 verschillende regios → infundibulum, magnum, isthmus, schaalklier en vagina. GEEN uterus
RIJPING EICEL IN OVARIUM
Het ovarium bevat een reserve pool van primordiale follikels, op het moment dat wij geboren zijn ze al
sterk verminderd in aantal.
Op het moment dat de cyclus start, onder hormonale invloed gaat
- Primordiale follikel zich omvormen tot primaire follikel → hier zijn de follikelcellen die rond de
eicel zitten afgeplat en kubisch
- Verder prolifereren en krijgen we een secundaire follikel → veel meer follikelcellen rond de eicel.
Hier gaat zich een antrum vormen dat gevuld is met follikelvocht
4