Auteurs: Jan Donders en Flip de Kam
Uitgever: Amsterdam University Press
Druk 2021, ISBN 978 94 6372 657 3
Samenvatting bestaat uit:
Hoofdstuk 1 Kennismaking met de collectieve sector
Hoofdstuk 2 De onmisbare overheid
Hoofdstuk 3 Politieke besluitvorming
Hoofdstuk 4 Overheid en economie
Hoofdstuk 5 De houdbaarheid van de overheidsfinanciën
Hoofdstuk 6 Ouderdomspensioen
Hoofdstuk 7 Het begrotingsbeleid
Hoofdstuk 8 Inkomsten van de overheid
Hoofdstuk 9 Sociale Zekerheid (vooral dia’s van college)
Hoofdstuk 10 Zorg (vooral dia’s van college)
Hoofdstuk 11 Maatschappelijke kosten-batenanalyse
Hoofdstuk 12 De decentrale overheden
Hoofdstuk 13 De Europese Unie
Hoofdstuk 13 (oude boek) Privatisering en marktwerking
Hst. 1 Kennismaking met de collectieve sector
§1.2
Collectieve sector = Publieke sector: rijk, overige publieke lichamen (provincie, waterschap en gemeente)
en de instellingen die de sociale verzekeringen verzorgen (uitkeringen en ziektekosten).
Ruime definitie collectieve sector = Publieke en semi-publieke sector: Alle instellingen waarvan de
activiteiten voor het overgrote deel uit collectieve middelen worden bekostigd, zoals scholen, ziekenhuizen.
Collectieve middelen (lasten): belastingen, niet belastingontvangsten (aardgasopbrengsten, winstuitkeringen
door overheidsondernemingen aan de schatkist, opbrengst boetes en retributies (afgifte paspoort). Deze
hebben een dwingend karakter! Bij wet geregelde betalingen aan de overheid, waar geen rechtstreekse,
individuele en met de betaling samenhangende prestatie van de kant van de overheid tegenover staat.
Collectieve sector: dwingend karakter. Non-profit = niet dwingend.
Bij overheidsfinanciën speelde de term collectievelastendruk een belangrijke rol.
Collectievelastendruk: kengetal verhouding tussen de totale opbrengst van de collectieve lasten en het
bruto binnenlands product.
Nadeel is dat de lastendruk niet enkel door beleidsmaatregelen, maar ook door veranderingen in de
economie. (bv mensen kopen meer 21% spullen-> meer opbrengst van collectieve middelen, meer uitvoer
i.p.v. consumptie eigen land:->dan minder btw-opbrengst door uitvoer vrijgesteld)
Let op: sociale uitkeringen en aanvullende pensioenen maken geen onderdeel uit van bbp.
1
,Bbp= bruto binnenlands product = marktwaarde van de productie op het grondgebied van een bepaald
land. (tegen marktprijzen) En valt uiteen in:
1. Beloning van werknemers van bedrijven en overheid;
2. Netto exploitatieoverschot van bedrijven;
3. Afschrijvingen van bedrijven en overheid;
4. Verschil tussen de product gebonden belastingen en de product gebonden subsidies.
Netto exploitatieresultaat: beloning van de kapitaalverschaffers. Bestaat uit: rentevergoedingen op geleend
geld, huur en pacht door ter beschikking gestelde onroerende zaken en de winst van de onderneming.
Netto binnenlands product = bbp -/- afschrijvingen.
BBP tegen basisprijzen= bbp -/- saldo van de product gebonden belastingen en product gebonden
subsidies.
BBP= nationale bestedingen (consumptieve bestedingen van de huishoudens en overheid, de investeringen
in vaste activa van bedrijven en overheid, verandering in waarde van de voorraden + uitvoersaldo (het
verschil tussen uitvoer en invoer)
Nationale bestedingen (binnenlandse bestedingen) + uitvoer goederen en diensten = totale bestedingen.
Totale bestedingen -/- invoer van goederen en diensten = BBP.
Beleidsmatige lastenontwikkeling: aanpassing van belasting- en premietarieven en de beleidsmatige
aanpassing van de grondslagen van de belastingen en premies. Kortom: de verandering waardoor gezinnen,
bedrijven en buitenland meer of minder belastingen of soc. Premies gaan betalen a.g.v.
overheidsmaatregelen. (Let op verhoging van eigen bijdrage ziektekosten is dus geen beleidsmatige lasten
ontwikkeling. Terwijl dit wel een lastenverzwaring is. Dit is private zorguitgave en leiden niet tot een hogere
opbrengst van de collectieve lasten)
Begrotingssaldo =(EMU-saldo) = Bepaald saldo speelt een rol in de afspraken met het begrotingsbeleid die
de lidstaten van de EU met elkaar hebben gemaakt.
Afspraak is EMU tekort mag ten hoogste 3% van het bbp bedragen. Vastgelegd in Pact van Stabiliteit en
Groei.
Wanneer inkomsten van de collectieve sector de uitgaven overtreffen, realiseert de overheid een overschot
op de begroting: begrotingsoverschot. Bij een tekort: begrotingstekort.
Elementen van de definitie van het EMU-saldo:
1. Saldo heeft betrekking op de gehele collectieve sector. (rijk, opl’s en inst Soc.zek)
2. Niet op kasbasis, maar op transactiebasis. Niet tijdstip betaling maar tijdstip van
transactie/bestelling. Bij inkomsten is periode waarop zij verschuldigd zijn.
3. Financiële transacties zijn NIET relevant. Dus niet: Aan-en verkoop van aandelen, verlenen van
kredieten, aflossingen van eerder verstrekte leningen. Aan en verkoop van onroerende zaken vallen
WEL binnen EMU!
4. Aflossingen van overheidsschulden blijven buiten beschouwing.
EMU= financieringssaldo = begrotingssaldo minus deelname aan bedrijven uit kredietverstrekking.
Financieringssaldo = bedrag waarmee schuld overheid verandert.
Feitelijk begrotingssaldo: o.b.v. actuele cijfers. In hoogconjunctuur ontvangt de overheid extra inkomsten en
tegelijk minder uitgaven i.v.m. lage werkloosheid. Laagconjunctuur minder inkomsten en meer uitgaven door
hoge werkloosheid.
Conjunctuur geschoonde overheidssaldo = het saldo na correctie voor de invloed van de conjunctuur. Dit
saldo is gelijk aan saldo wanneer economie in neutrale situatie t.o.v. conjunctuur.
Structurele begrotingssaldo = naast correctie van de conjunctuur ook correctie van incidentele factoren. (Dus
redding bank, corona,)
2
,Pact voor stabiliteit en groei bepaalt max. 3% begrotingstekort van bbp, een maximale overheidsschuld van
60% van het bbp, structureel begrotingstekort mag max 0,5 van bbp.
Feitelijk saldo -/+ invloed conjunctuur -/ invloed incidentele factoren = structureel saldo
Overheidsschuld= EMU-schuld
Bruto schuld = schuld overheid bij obligatiehouders en haar overige schuldeisers.
Netto schuld = bruto schuld -/- waarde van sommige bezittingen van de overheid.
Brussel rekent met bruto schuld tegen nominale waarde (niet marktwaarde) max 60% bbp. Indien deze norm
overschrijdt dan jaarlijks een vermindering van deze quote moet realiseren die – gemiddeld over een periode
van 3 opvolgende jaren – minimaal 1/20e deel van de overschrijding bedraagt.
Schuldquote: verhouding tussen de schulden van een overheid of land en haar bruto binnenlands product
(bbp).
Ontwikkeling van schuldquote dus ook afhankelijk van noemereffect bbp: de groei van het nominale bbp.
Financiële transacties tellen niet mee bij de bepaling van het begrotingssaldo! Terwijl de overheidsschuld wel
wijzigt.
Relatie overheidsschuld en overheidstekort. Overheidstekort een vast % van bbp dan is schuldquote op lange
termijn gelijk aan overheidstekort / (gedeeld door) trendmatige groei nominale bbp.
Plafondwaarde voor schuld in Pact voor Stabiliteit en Groei. Uitgangspunt was 3% struct. Ec. groei en 2%
inflatie p/j -> trendmatige groei nom. Bbp van 5%. Plafondwaarde en feitelijk te kort van 3% bbp = 3/5 = 60%.
De 3% en 2% is te hoog ingeschat, maar 1% +1%= 2% met een tekort van 3% is dan 3/2= 150%! Om niet
door het plafond van 60% te gaan, mag de schuld maar 1,2% van bbp
zijn.
§1.3 Groei collectieve sector: Door
Afscheid nachtwakersstand: Volgens de klassieke economen hoeft de overheid uitsluitend de veiligheid te
garanderen en eigendomsrechten te beschermen en naleven van contracten veilig stellen. Naar: de overheid
moet meer taken vervullen: ook zorgen voor voorzieningen waarvan maatsch. baten groot zijn, maar die
zonder overheidsoptreden onvoldoende tot stand komen. Vb. infrastructuur, onderwijs. En later ook a.g.v.
marktimperfecties. Verminderd vertrouwen in de werking van prijsmechanisme heeft gezorgd voor sterke
groei van de collectieve sector.
Adam Smith: prijsmechanisme stuurt in het belang van de samenleving, overheid moet zich hier niet te veel
mee bemoeien. (Wanneer een tekort van product > stijgt de prijs >vrager haken af. Anderzijds bij hogere prijs
zal een andere aanbieder sneller toe treden tot de markt > prijs tot natuurlijke niveau)
Wet van Wagner: toenemende complexiteit van de samenleving > meer overheidsbemoeienis. Door
bevolkingsgroei, industrialisatie en verstedelijking > hogere overheidsuitgaven voor adequaat
bestuursapparaat en goede infrastructuur. Geleidelijke groei
Plateautheorie: versnelde groei overheidsuitgaven bij crisis, maar na afloop dalen de overheidsuitgaven
maar blijven op een hoger niveau dan daarvoor. (De belastingdruk blijft hoog want burger is er inmiddels
aangewend). Schoksgewijze groei
Stelsel van sociale zekerheid en inkomensverdeling in de jaren 60/70, ook de zorguitgaven in jaren 70 en
groei deelname onderwijs
Politieke economie: politici proberen de verkiezingen te winnen en zorgen er zo voor dat deelbelangen tot
stand komen: extra overheidsuitgaven. Ook willen ministers en ambtenaren een zo hoog mogelijk budget
(budgetmaximalisatie)
3
, Kostenziekte van Baumol: lonen in sectoren met lage productiviteitsgroei, zoals onderwijs en
gezondheidszorg, stijgen om gelijke tred te houden met sectoren waar de productiviteit wel toeneemt. Dit leidt
tot hogere kosten in deze sectoren zonder een overeenkomstige stijging in productiviteit. Geleidelijke groei
§1.4 Krimp collectieve sector na 1983
Heroverweging rol overheid: tot 2005 het laagste niveau. Opeenvolgende kabinetten streven welbewust een
kleinere overheid na i.v.m. een onverantwoord overheidstekort. Daarmee dienstverlening van de overheid
onder druk. Internationalisering van de economie dwingt tot verlaging van de lastendruk.
Groei aantal uitkeringsontvangers in 60/70. Bovenmatige loonstijging door krapte op de arbeidsmarkt, sterke
stijging van belastingdruk op het looninkomen, door verhoging van de uitkeringen (ontmoediging van het
effectieve arbeidsaanbod en versterkt macht van vakbeweging). Daarnaast: oliecrisis.
Oorzaak of gevolg toename coll.uitg door stagnerende werkgelegenheid: beiden. > uitbouw verzorgingsstaat
leidt tot een toename van de lastendruk en daarmee op toename van lonen, maar ook het tekortschietende
banengroei door expansie collectieve sector en het aantal uitkeringen toeneemt. Een zichzelf versterkend
effect. (Let op groei werkgelegenheid en groei arbeidsaanbod)
In jaren 80 eind aan ongunstige spiraal. Door sterke groei werkgelegenheid, minder mensen uitkering.
Loonmatiging, verlaging lastendruk.
i/a ratio= inactieven/actieven. Bij ratio 43: tegenover 100 werkenden staan 43 mensen met uitkering.
Kredietcrisis: de collectieve uitgaven stijgen als gevolg van de recessie (door kredietcrisis) de uitgaven quote
loopt op: kabinet gaat niet bezuiniging terwijl het bbp daalt (noemer effect).
Bezuinigingen Rutte.
§1.5 Samenstelling overheidsuitgaven 1950-2021:
Soc.zakerheid: groei 1950-83, 1984-2005: krimp, vooral door de i/a ratio.
zorguitgaven gehele periode stijgen (Baumol, nieuwe medicijnen /technologie: stijging prijs, vergrijzing
bevolking, stelsel recht op zorg, stelsel zorgverkeringen)
Onderwijs: stijgt 1950/80: grotere toegankelijkheid, Baumol, 1984/2005 daling door ontgroening (minder
kinderen geboren)
Overdrachten bedrijven.stijgen1950/83 subsidies OV en de WIR, daarna daling door landbouw,
volkshuisvesting, OV en afschaffing WIR
Collectieve uitgaven:
1. Uitgaven voor (her)verdeling: Herverdelingsuitgaven: sociale zekerheid, collectief gefinancierde zorg,
onderwijs en overdrachten bedrijven.
2. Overig beleid: openbaar bestuur, veiligheid, defensie, infrastructuur, internationale samenwerking
3. Rentelasten (secundaire overheidsuitgaven)
Primair overheidstekort = tekort zonder rentelasten.
Samenvatting
Overheid financiert uitgaven via heffingen met karakter van collectieve last.
Wanneer uitgaven hoger zijn dan de inkomsten: overheidstekort. Tekort definitie o.b.v. EMU saldo
Invloed conjunctuur maakt feitelijk saldo grotere uitschieters dan het structurele saldo.
Groei overheidssector door corrigeren prijsmechanisme.
Aantekeningen sheets:
Motieven voor overheidsingrijpen: markt werkt niet, herverdeling, visie overheid op maatschappij: kan niet
alles aan de markt overlaten.
4