Inleiding Bestuursrecht
Week 1
Bestuursrecht: het recht voor (legitimerend), van (instrumenteel) en tegen (waarborg)
het bestuur.
Het bestuursrecht regelt zaken omtrent de volgende hoofdvragen:
-hoe is het bestuur georganiseerd?=organisatie (H1, 2 en 10 Awb)
-welke bevoegdheden heeft het bestuur?=bevoegdheden (H3, 4 en 5 Awb)
-aan welke rechtsbronnen heeft het bestuur zich te houden?=normering (H2, 3 en 4
Awb)
-hoe kan het bestuur ervoor zorgen dat burgers zich aan de voor hen geldende
rechtsnormen houden?=handhaving (H5 Awb)
-welke juridische bescherming is er voor burgers tegen beslissingen en handelingen van
het openbaar bestuur?=rechtsbescherming (H1, 6-9 Awb)
Het algemeen deel van bestuursrecht ziet toe op de centrale onderwerpen en
leerstukken van het bestuursrecht, waar de Awb met name betrekking op heeft. Het
bijzondere deel is eigenlijk altijd aanwezig. Zo handelt een bestuur altijd op een
bijzonder deel van het bestuursrecht. Voorbeelden zijn het omgevingsrecht, waartoe
o.a. het milieurecht, het waterrecht, het vreemdelingenrecht, etc. toe behoren. Hierin
komen de abstracte onderwerpen van het bestuursrecht naar voren.
Het legaliteitsvereiste houdt in dat het bestuur voor vele handelingen een grondslag
nodig heeft in een (democratisch tot stand gekomen) wet en dient te handelen conform
die wet wanneer het deze handelingen verricht. Hierbij kan het overheidsoptreden zowel
belastend (met beperkingen/verplichtingen) als begunstigend (met voordelen) zijn. Voor
de eerste is het duidelijk dat het overheidsoptreden altijd op de wet gebaseerd dient te
zijn (strikte toepassing). De tweede is aan discussie onderhevig (rekkelijke toepassing).
Het legaliteitsvereiste kent twee aspecten: 1. bevoegdheden berusten op wettelijke
grondslag (positief-funderend) en 2. Bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in
overeenstemming met de wet (negatief-begrenzend).
Het specialiteitsbeginsel houdt in dat het bestuur bij de uitvoering van een bepaalde
wettelijke regeling slechts die belangen mag behartigen ter bescherming waarvan de
betrokken regeling in het leven is geroepen.
Bij conflicten van regelgeving gelden de volgende regels: bijzonder gaat voor
algemeen, jong gaat voor oud en hoog gaat voor laag.
Week 1
Bestuursrecht: het recht voor (legitimerend), van (instrumenteel) en tegen (waarborg)
het bestuur.
Het bestuursrecht regelt zaken omtrent de volgende hoofdvragen:
-hoe is het bestuur georganiseerd?=organisatie (H1, 2 en 10 Awb)
-welke bevoegdheden heeft het bestuur?=bevoegdheden (H3, 4 en 5 Awb)
-aan welke rechtsbronnen heeft het bestuur zich te houden?=normering (H2, 3 en 4
Awb)
-hoe kan het bestuur ervoor zorgen dat burgers zich aan de voor hen geldende
rechtsnormen houden?=handhaving (H5 Awb)
-welke juridische bescherming is er voor burgers tegen beslissingen en handelingen van
het openbaar bestuur?=rechtsbescherming (H1, 6-9 Awb)
Het algemeen deel van bestuursrecht ziet toe op de centrale onderwerpen en
leerstukken van het bestuursrecht, waar de Awb met name betrekking op heeft. Het
bijzondere deel is eigenlijk altijd aanwezig. Zo handelt een bestuur altijd op een
bijzonder deel van het bestuursrecht. Voorbeelden zijn het omgevingsrecht, waartoe
o.a. het milieurecht, het waterrecht, het vreemdelingenrecht, etc. toe behoren. Hierin
komen de abstracte onderwerpen van het bestuursrecht naar voren.
Het legaliteitsvereiste houdt in dat het bestuur voor vele handelingen een grondslag
nodig heeft in een (democratisch tot stand gekomen) wet en dient te handelen conform
die wet wanneer het deze handelingen verricht. Hierbij kan het overheidsoptreden zowel
belastend (met beperkingen/verplichtingen) als begunstigend (met voordelen) zijn. Voor
de eerste is het duidelijk dat het overheidsoptreden altijd op de wet gebaseerd dient te
zijn (strikte toepassing). De tweede is aan discussie onderhevig (rekkelijke toepassing).
Het legaliteitsvereiste kent twee aspecten: 1. bevoegdheden berusten op wettelijke
grondslag (positief-funderend) en 2. Bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in
overeenstemming met de wet (negatief-begrenzend).
Het specialiteitsbeginsel houdt in dat het bestuur bij de uitvoering van een bepaalde
wettelijke regeling slechts die belangen mag behartigen ter bescherming waarvan de
betrokken regeling in het leven is geroepen.
Bij conflicten van regelgeving gelden de volgende regels: bijzonder gaat voor
algemeen, jong gaat voor oud en hoog gaat voor laag.