Samenvatting – De Ware
Toedracht
Deel I
De effectiviteit van de alledaagse waarheidsvinding is mede te danken aan een mix van
diverse cognitieve instincten die we hebben meegekregen.
Deze cognitieve instincten leveren ons een soort short cuts waardoor we onmiddellijk
geloven wat we zien, afgaan op eerste indrukken en daaruit (te) snel een conclusie
trekken
Voor het evolutieproces is waarheidsvinding van belang omdat organismen die de ware
toedracht kennen, meer kansen hebben om te overleven en meer kans maken om zich voort
te planten.
Naast waarheid is daarvoor ook snelheid van beslissen van belang
o Wanneer waarheidsvinding ontzettend lang duurt zullen de tijgers de denker
hebben opgegeten voordat hij de waarheid gevonden heeft
Dus: ware kennis helpt, maar snelheid is ook essentieel
Om te overleven is het beter om qua waarheid de fout in te gaan dan qua overleven
Daarom volgen we het ‘better safe than sorry’ principe
Zolang de problemen alledaags zijn, zorgen de cognitieve instincten doorgaans voor een
betrouwbare uitkomt. Buiten de alledaagse context gaat het fout. De cognitieve instincten zijn
niet voor deze situaties geselecteerd, net zoals dat een vis alleen kan leven in het water en
niet op het land
Er kan dus veel mis gaan in ons zoeken naar de ware toedracht daarom is het
fundamentele idee dat we de waarheid zullen vinden als we onbevooroordeeld te
werk gaan
o Door te zoeken: het onbevangen zoeken naar feiten en open stellen voor de
feiten
o Door te zien: door vervolgens de feiten passief te registreren en
onbevooroordeeld waar te nemen
o Door te duiden: laat de feiten, de naakte feiten, voor zichzelf spreken. Duid
niet, interpreteer niet
o Door te wegen: wegen deze feiten vervolgens objectief. Laat je niet
beïnvloeden door je wens dat een bepaald scenario waar is.
Helaas is dit niet hoe het in de praktijk gaat: wanneer we zoeken, zien, duiden of
wegen doen we dat onvermijdelijk vanuit een bepaald perspectief
o Theorie-afhankelijkheid: Met een bepaald schepnet kun je bepaalde vissen uit het
water scheppen. Andere vissen zijn voor het net te groot of voor de mazen te klein.
Dus welk net je ook gebruikt, er zullen altijd vissen zijn die je met dat specifieke net
niet zult vangen omdat ze te groot of te klein zijn. Maar zonder net kan het ook niet.
dus voor vis-vergaren (info vergaren) heb je hoe dan ook een schepnet (een theorie,
een scenario) nodig. Je kunt niet zonder, maar elk net (theorie, scenario) schept ook
beperkingen voor de vissen (informatie) die je kunt vangen
, o Het alledaagse proces van waarheidsvinding: onbevangen zoeken en
onbevooroordeeld waarnemen leiden tot informatie, de feiten. Vervolgens
kijken we bij welk scenario die feiten passen. Passen ze goed bij scenario 1
en zijn ze strijdig met scenario 2 dan is de conclusie: naar alle
waarschijnlijkheid is scenario 1 waar
Hoofdstuk 2 – Deel I
Zien is een passieve onderneming waarin we niets toevoegen, maar slecht de passieve
ontvangers zijn van indrukken die de werkelijkheid waarheidsgetrouw weergeven.
John Locke: ‘net zo min als een spiegel de beelden van de voorwerpen die erin gespiegeld
worden, kan weigeren of veranderen of uitvlakken, zo min kan onze geest die beelden
weigeren, uitvegen of door nieuwe vervangen’
In feite spelen in het proces van waarnemen vele andere factoren dan de zintuigelijke
prikkels op ons netvlies een rol
Met andere kennis en andere theorieën kunnen we een andere waarneming krijgen
o Is die nieuwe theorie beter, dan is mijn waarneming meer waarheidsgetrouw
o Hierdoor is de verklaring ‘ik heb het zelf gezien’ niet zonder meer
bewijsmateriaal
Dit plaatje toont de ambiguïteit van de
zintuigelijke stimuli: wat we zien
verandert voortdurend, zó ambigu zijn de
gegevens die ons brein krijgt aangereikt
Hoe eenduidig en stabiel de
waarneming ook is, er zijn altijd
meerdere feitelijke situaties die
met de stimuli rijmen
Toch komen we uiteindelijk tot een eenduidige waarneming hoe dan?
Het brein interpreteert de informatie
Het waarnemen is een soort gevolgtrekking op basis van de stimuli plus: wat we zien,
wordt medebepaald door onze kennis
o Onbewuste gevolgtrekking: het waarnemen gaat snel en moeiteloos
De waarneming is dus niet passief
o Er is sprake van een actieve bewerking door het brein van de binnengekomen
stimuli op basis van onze kennis, waarbij kennis zeer breed moet worden
genomen = de waarneming is theoriegeladen
o De waarneming is daarmee afhankelijk van kennis die aan die waarneming
voorafgaat
Volgens James Gibson is het niet zozeer het brein, als wel de waarnemer zelf die actief is.
Het is de uitbundige informatie die we door te kijken naar een situatie kunnen ondervinden
die voor een eenduidige waarneming voldoende is.
Volgens Gibson is er geen ambiguïteit in de informatie die het brein bereikt.
o ‘ambiguïteit’: wat op meerdere, verschillende manieren begrepen kan worden
, oDe informatie en de eenduidigheid zijn vanaf het begin in het zien zelf
aanwezig
Om de informatie die bij het zien vergaard wordt op te merken en te gebruiken, is er
wel kennis nodig vóór we tot een eenduidige waarneming komen
Richard Gregory karakteriseert een waarneming als de beste hypothese van de betrokken
omgeving vormt.
Ze is de beste hypothese in het licht van de stimuli plus de kennis die het brein tot
zijn beschikking heeft
o Die hypothese is feilbaar
Zien is theoriegeladen: wat we zien is mede afhankelijk van de kennis en theorieën die door
ons brein gebruikt worden. de vraag is dan om welke kennis en theorieën gaat het?
- De theorieën die ons brein gebruikt vallen in twee groepen uiteen
o Niet vervangbaar: zijn slechts met grote moeite even uit te schakelen
o Wel vervangbaar: qua waarheid is hier dus winst te boeken door de juiste
theorie te gebruiken
Verantwoordelijkheid voor de waarheidzoeker
Niet vervangbare theorieën
Vormconstantheid: de manier waarop ons brein omgaat met
de informatie die het over vormen krijgt
hierdoor blijft de waargenomen vorm van een bepaald
voorwerp gelijk of constant
Daarnaast is er grootte-constantheid: hierdoor blijft de
waargenomen grootte van een bepaald voorwerp gelijk of
constant
Beide theorieën zijn niet-vervangbaar. We hebben in dat domein geen keus om de
werkelijkheid anders te zien.
Hier is die keus er ook niet.
De meeste mensen weten dat de
pijlen even lang zijn, maar
ondanks deze kennis kunnen we
niet veranderen wat we zien:
pijlen van ongelijke lengte
Vervangbare theorieën
Vervangen we zo’n theorie door een andere theorie dan gaan we iets anders zien.
Toedracht
Deel I
De effectiviteit van de alledaagse waarheidsvinding is mede te danken aan een mix van
diverse cognitieve instincten die we hebben meegekregen.
Deze cognitieve instincten leveren ons een soort short cuts waardoor we onmiddellijk
geloven wat we zien, afgaan op eerste indrukken en daaruit (te) snel een conclusie
trekken
Voor het evolutieproces is waarheidsvinding van belang omdat organismen die de ware
toedracht kennen, meer kansen hebben om te overleven en meer kans maken om zich voort
te planten.
Naast waarheid is daarvoor ook snelheid van beslissen van belang
o Wanneer waarheidsvinding ontzettend lang duurt zullen de tijgers de denker
hebben opgegeten voordat hij de waarheid gevonden heeft
Dus: ware kennis helpt, maar snelheid is ook essentieel
Om te overleven is het beter om qua waarheid de fout in te gaan dan qua overleven
Daarom volgen we het ‘better safe than sorry’ principe
Zolang de problemen alledaags zijn, zorgen de cognitieve instincten doorgaans voor een
betrouwbare uitkomt. Buiten de alledaagse context gaat het fout. De cognitieve instincten zijn
niet voor deze situaties geselecteerd, net zoals dat een vis alleen kan leven in het water en
niet op het land
Er kan dus veel mis gaan in ons zoeken naar de ware toedracht daarom is het
fundamentele idee dat we de waarheid zullen vinden als we onbevooroordeeld te
werk gaan
o Door te zoeken: het onbevangen zoeken naar feiten en open stellen voor de
feiten
o Door te zien: door vervolgens de feiten passief te registreren en
onbevooroordeeld waar te nemen
o Door te duiden: laat de feiten, de naakte feiten, voor zichzelf spreken. Duid
niet, interpreteer niet
o Door te wegen: wegen deze feiten vervolgens objectief. Laat je niet
beïnvloeden door je wens dat een bepaald scenario waar is.
Helaas is dit niet hoe het in de praktijk gaat: wanneer we zoeken, zien, duiden of
wegen doen we dat onvermijdelijk vanuit een bepaald perspectief
o Theorie-afhankelijkheid: Met een bepaald schepnet kun je bepaalde vissen uit het
water scheppen. Andere vissen zijn voor het net te groot of voor de mazen te klein.
Dus welk net je ook gebruikt, er zullen altijd vissen zijn die je met dat specifieke net
niet zult vangen omdat ze te groot of te klein zijn. Maar zonder net kan het ook niet.
dus voor vis-vergaren (info vergaren) heb je hoe dan ook een schepnet (een theorie,
een scenario) nodig. Je kunt niet zonder, maar elk net (theorie, scenario) schept ook
beperkingen voor de vissen (informatie) die je kunt vangen
, o Het alledaagse proces van waarheidsvinding: onbevangen zoeken en
onbevooroordeeld waarnemen leiden tot informatie, de feiten. Vervolgens
kijken we bij welk scenario die feiten passen. Passen ze goed bij scenario 1
en zijn ze strijdig met scenario 2 dan is de conclusie: naar alle
waarschijnlijkheid is scenario 1 waar
Hoofdstuk 2 – Deel I
Zien is een passieve onderneming waarin we niets toevoegen, maar slecht de passieve
ontvangers zijn van indrukken die de werkelijkheid waarheidsgetrouw weergeven.
John Locke: ‘net zo min als een spiegel de beelden van de voorwerpen die erin gespiegeld
worden, kan weigeren of veranderen of uitvlakken, zo min kan onze geest die beelden
weigeren, uitvegen of door nieuwe vervangen’
In feite spelen in het proces van waarnemen vele andere factoren dan de zintuigelijke
prikkels op ons netvlies een rol
Met andere kennis en andere theorieën kunnen we een andere waarneming krijgen
o Is die nieuwe theorie beter, dan is mijn waarneming meer waarheidsgetrouw
o Hierdoor is de verklaring ‘ik heb het zelf gezien’ niet zonder meer
bewijsmateriaal
Dit plaatje toont de ambiguïteit van de
zintuigelijke stimuli: wat we zien
verandert voortdurend, zó ambigu zijn de
gegevens die ons brein krijgt aangereikt
Hoe eenduidig en stabiel de
waarneming ook is, er zijn altijd
meerdere feitelijke situaties die
met de stimuli rijmen
Toch komen we uiteindelijk tot een eenduidige waarneming hoe dan?
Het brein interpreteert de informatie
Het waarnemen is een soort gevolgtrekking op basis van de stimuli plus: wat we zien,
wordt medebepaald door onze kennis
o Onbewuste gevolgtrekking: het waarnemen gaat snel en moeiteloos
De waarneming is dus niet passief
o Er is sprake van een actieve bewerking door het brein van de binnengekomen
stimuli op basis van onze kennis, waarbij kennis zeer breed moet worden
genomen = de waarneming is theoriegeladen
o De waarneming is daarmee afhankelijk van kennis die aan die waarneming
voorafgaat
Volgens James Gibson is het niet zozeer het brein, als wel de waarnemer zelf die actief is.
Het is de uitbundige informatie die we door te kijken naar een situatie kunnen ondervinden
die voor een eenduidige waarneming voldoende is.
Volgens Gibson is er geen ambiguïteit in de informatie die het brein bereikt.
o ‘ambiguïteit’: wat op meerdere, verschillende manieren begrepen kan worden
, oDe informatie en de eenduidigheid zijn vanaf het begin in het zien zelf
aanwezig
Om de informatie die bij het zien vergaard wordt op te merken en te gebruiken, is er
wel kennis nodig vóór we tot een eenduidige waarneming komen
Richard Gregory karakteriseert een waarneming als de beste hypothese van de betrokken
omgeving vormt.
Ze is de beste hypothese in het licht van de stimuli plus de kennis die het brein tot
zijn beschikking heeft
o Die hypothese is feilbaar
Zien is theoriegeladen: wat we zien is mede afhankelijk van de kennis en theorieën die door
ons brein gebruikt worden. de vraag is dan om welke kennis en theorieën gaat het?
- De theorieën die ons brein gebruikt vallen in twee groepen uiteen
o Niet vervangbaar: zijn slechts met grote moeite even uit te schakelen
o Wel vervangbaar: qua waarheid is hier dus winst te boeken door de juiste
theorie te gebruiken
Verantwoordelijkheid voor de waarheidzoeker
Niet vervangbare theorieën
Vormconstantheid: de manier waarop ons brein omgaat met
de informatie die het over vormen krijgt
hierdoor blijft de waargenomen vorm van een bepaald
voorwerp gelijk of constant
Daarnaast is er grootte-constantheid: hierdoor blijft de
waargenomen grootte van een bepaald voorwerp gelijk of
constant
Beide theorieën zijn niet-vervangbaar. We hebben in dat domein geen keus om de
werkelijkheid anders te zien.
Hier is die keus er ook niet.
De meeste mensen weten dat de
pijlen even lang zijn, maar
ondanks deze kennis kunnen we
niet veranderen wat we zien:
pijlen van ongelijke lengte
Vervangbare theorieën
Vervangen we zo’n theorie door een andere theorie dan gaan we iets anders zien.