Week 1: Module 1 (Hoofdstuk 1+2)
Hoofdstuk 1
Business-onderzoek is systematisch onderzoek met als doel nuttige informatie voor
besluitvorming genereren, zodat managementdilemma’s opgelost kunnen worden.
Soorten onderzoek
Onderzoek kan geclassificeerd worden als:
- Rapporterend onderzoek (Reporting study): uitgevoerd om data te verkrijgen of
statistieken te genereren. Kennis en skills zijn nodig om informatiebronnen te
gebruiken.
Sommige onderzoekers vinden dit geen ‘echt’ onderzoek, echter kan data grote
waarde hebben.
- Beschrijvend onderzoek (Descriptive study): probeert antwoorden te krijgen op de
wie, wat, wanneer, waar en hoe vragen. De onderzoeker beschrijft of definieert een
fenomeen, hierbij wordt een gebeurtenis of karakteristiek geobserveerd.
- Verklarend onderzoek (Explanatory study): creëert een theorie als antwoord op de
waarom, of hoe-vraag. Redenen voor een fenomeen worden gegeven. De
onderzoeker gebruikt theorien of hypotheses voor het ontstaan van een fenomeen.
- Voorspellend onderzoek (Predictive study): voorspelt wanneer en in welke situaties
een fenomeen zich voor kan doen. De onderzoeker zijn van grote waarde, wanneer je
een fenomeen kan voorspellen kun je het namelijk ook beheersen.
- Ontwerpend onderzoek (Designing study): ontwikkelt een oplossing voor een
context specifiek probleem (overtreffende trap van verklarend en voorspellend
onderzoek). Ontwerpend onderzoek bouwt sterk voort op theorie en de werking naar
het voorgestelde ontwerp heeft in de praktijken en voorname rol.
Toegepast onderzoek (applied research) heeft een probleemoplossende focus, basis is de
managementvraag. Het wil antwoord geven op vragen gerelateerd aan acties, prestaties of
beleid (een managementvraag). Het doel van toegepast onderzoek is praktisch en met
directe toepassing.
Fundamenteel onderzoek (basic research) is algemener, er is sprake van een research gap:
een kennisprobleem binnen de literatuur. Het doel is te onderzoeken hoe organisaties
opereren om zo kennis bij te brengen voor het vakgebied. De uitkomsten dragen indirect bij
aan toepassingen in de praktijk.
,Goed onderzoek genereert data die ook echt gebruikt kan worden en volgt de structuur van
de wetenschappelijke methode (scientific method):
- Doel is duidelijk gedefinieerd: moet de schaal, beperkingen en de betekenissen van
alle relevante termen bevatten
- Onderzoeksproces is gedetailleerd: procedures moeten in detail beschreven worden
- Onderzoeksontwerp is goed gepland: om objectieve resultaten te behalen
- Hoge ethische standaarden worden toegepast: voorkomt schade bij deelnemers en
stimuleert verantwoordelijk gedrag
- Beperkingen worden eerlijk onthuld: effect hiervan moet omschreven worden
- Adequate analyse van de behoeften van de besluitvormer vindt plaats: data moet
helpen om een beslissing te maken en bevindingen te presenteren die leiden tot een
conclusie
- Bevindingen worden onbevooroordeeld gepresenteerd: goed onderzoek heeft niet
als doel de besluitvormer een goed beeld te geven over de onderzoeker
- Conclusies worden gerechtvaardigd: goed onderzoek specificeert de
omstandigheden waaronder de bevindingen van toepassing zijn
- Ervaring van de onderzoeker wordt gereflecteerd: goed onderzoek moet
kwalificaties van de onderzoeker bevatten, zodat lezer de ervaring, reputatie en
onschendbaarheid van de onderzoeker kunnen beoordelen.
Onderzoeksfilosofieën
Positivisme (positivism) komt voort uit natuurlijke wetenschapen, drie basisprincipes zijn:
- De sociale wereld bestaat extern en wordt objectief bekeken
- Onderzoek is waardevrij
- De onderzoeker is onafhankelijk en neemt een objectieve rol in
Interpretivisme (interpretivism) suggereert dat de sociale wereld niet begrepen kan worden
door natuurlijke wetenschappen, en dat sociale wetenschappen een andere kijk nodig
hebben. Drie basisprincipes zijn:
- De sociale wereld is geconstrueerd en er wordt subjectieve betekenis gegeven door
mensen
- De onderzoeker is onderdeel van wat geobserveerd wordt
- Onderzoek wordt gedreven door belangen
Realisme (realism) deelt principes van positivisme en interpretivisme (ligt er ergens tussen
in). Het vindt dat sociale wetenschappen kunnen vertrouwen op de benadering van
natuurwetenschappen, maar het bevat ook het begrijpen van mensen en hun gedrag.
Subjectieve interpretaties zijn niet uniek en mensen worden allemaal beïnvloedt door
externe krachten. Realisme identificeert dus deze krachten en hoe mensen de situatie
interpreteren. Kritisch realisme erkent de kloof tussen de realiteit van de onderzoeker en de
echte realiteit.
Wetenschappelijk redeneren
Deductie (deduction) stelt dat de conclusie moet volgen uit de gegeven redenen, deze
hebben geleid tot de conclusie en vormen bewijs (sterkere relatie tussen redenen en
conclusie dan bij inductie). Een juiste deductie voldoet aan twee voorwaarden:
, - Redenen moeten overeenkomen met de echte wereld (true)
- Conclusie moet noodzakelijkerwijs volgen uit de redenen (valid). Een deductie is
valide als het onmogelijk is dat de conclusie vals is als de redenen juist zijn.
Gegevens worden verzameld om hypothesen in relatie tot een theorie te toetsen.
Theorie -> data, algemeen -> specifiek
Inductie (induction) trekt een conclusie uit een of meerdere feiten/ bewijsstukken. De
conclusie verklaart de feiten, en de feiten steunen de conclusie. De conclusie fungeert als
hypothese, waarbij ook nog andere verklaringen waar kunnen zijn. De gegevens worden
verzameld om fenomenen te verkennen, patronen en thema’s te identificeren.
Sequentieel gebruik van deductie en inductie heet reflectieve redenatie (reflective
thought).
- Het observeren van een fenomeen en het afvragen waarom is hierbij het
inductiegedeelte
- Het ontwikkelen van een hypothese en deze vervolgens testen is het
deductiegedeelte
Theorie en onderzoek
Theorieën (theories) zijn de generalisaties die we maken over variabelen en de relaties
tussen variabelen. Met deze generalisaties maken we beslissingen en worden uitkomsten
voorspeld. Een theorie is een systematische set van onderling verbonden concepten die
fenomenen voorspellen en verklaren. Een hypothese is een uitspraak over de link tussen
twee variabelen, terwijl een theorie de logica omvat waarom deze twee variabelen
gerelateerd zijn.
Theorie helpt op veel nuttige gebieden:
- Beperkt het aantal feiten dat we moeten onderzoeken
- Suggereert welke onderzoeksbenaderingen van de grootste waarde zijn
- Suggereert een systeem welke de onderzoeker kan gebruiken om data op de
handigste manier te classificeren
- Vat alle kennis over een object samen en laat de overeenkomsten van de observaties
zien
- Kan worden gebruikt of fenomenen die nog gevonden kunnen worden te voorspellen
Modellen
Modellen hebben vele functies, structuren en er zijn veel types. Over het algemeen
representeren modellen fenomenen door het gebruik van overeenkomsten. Het verschil met
theorie is dat een theorie een verklarende rol heeft en modellen een representerende rol.
Drie hoofdfuncties van modellen:
- Beschrijven
- Verklaren
- Simuleren
Hoofdstuk 2
Onderzoek wordt beschreven als een sequentieel proces met goed gedefinieerde stappen, in
werkelijkheid lopen de stappen vaak door elkaar.