KT2501 Revalidatie Geneeskunde
Patiënten casussen zijn minder belangrijk voor tentamen.
HC REVA 1
Deel 1 Introductie in de revalidatiegeneeskunde
Revalidatiegeneeskunde
Doel: Blijvende gevolgen van een ziekte, aandoening of ongeval voorkomen of zo gering mogelijk
houden. De gevolgen van bv ziekte, ongeval, aandoeningen, ouderdom op dagelijks functioneren
zoveel mogelijk beperken en de participatie in het dagelijks leven zo groot mogelijk houden, door:
- Diagnosticeren van verstoord functioneren (oorzaak vastleggen en een prognose maken)
- Verstoord functioneren weer herstellen.
Diagnosegroepen: hersenen, bewegingsapparaat, dwarslaesie, neurologie, chronische pijn, organen,
amputaties.
Chronische pijn: pijn die langer dan 6 maanden aanhoudt. Vaak is er geen duidelijke oorzaak van de
pijn, en wordt de patiënt door de pijn beperkt in zijn dagelijks leven.
Poliklinische revalidatie: de patiënt gaat regelmatig naar de revalidatie-instelling, maar overnacht er
niet. Bij klinische revalidatie blijft de patiënt ook ’s nachts in het revalidatiecentrum. In het ziekenhuis
vindt vaak alleen poliklinische behandeling plaats.
Interactieve vraag 1: Wat is de grootste diagnosegroep die poliklinische revalidatiebehandeling krijgt
in Nederland? -> aandoeningen van het bewegingsapparaat.
Voorbeeld: onderbeenamputatie: meestal als gevolg van vaatlijden (en diabetes is een grote
risicofactor). De stoornis is dan het geamputeerde been (curatieve geneeskunde is gericht op het
herstellen van de stoornis en daarmee de ziekte). De revalidatiearts is dan vooral geïnteresseerd in
de activiteit in het dagelijks leven die daarmee niet meer uitgevoerd kan worden: lopen, en de
participatie die deze patiënt belangrijk vindt: deelname aan de voetbaltraining.
De revalidatiearts moet inschatten of er een indicatie is om een revalidatie te starten. Een deel gaat
bv ook naar de geriatrische zorg, i.p.v. te revalideren.
De doelen van de revalidatie is afhankelijk van de patiënt. Ook moet het meetbaar zijn (eis van
zorgverzekering) en reëel haalbaar.
Bij de revalidatie is een heel team van verschillende specialismen bezig. De revalidatiearts leidt en
coördineert dit proces. Specialismen binnen de revalidatiegeneeskunde: fysiotherapie, ergotherapie,
logopedie, psychologie/orthopedagoog, maatschappelijk werker, orthopedische
instrument/schoenmaker, revalidatiearts, verpleegkundige, handtherapeut.
Prognose is afhankelijk van: ziektebeeld, cognitieve factoren, sociale factoren, omgevingsfactoren.
Interactieve vraag 2: welke discipline is geen onderdeel van een revalidatieteam? Psycholoog,
bewegingsagoog, osteopaat, logopedist? -> osteopaat.
Functionele prognose: voorspelling van het te verwachten niveau van functioneren. Hierin worden
de volgende punten beschreven: communicatie, mobiliteit, ADL, dagbesteding, relaties, psychisch.
,Patiënten hebben een consult in het ziekenhuis. Bij een indicatie voor revalidatie moet je nog kijken
of je dit klinisch of poliklinisch gaat doen. Bij een klinische behandeling: patiënt kan nu niet naar huis,
je verwacht dat de stoornis grote gevolgen op het dagelijks functioneren van de patiënt gaat hebben,
maar verwacht dat de patiënt over een aantal maanden wel zelfstandig in zijn thuissituatie kan
functioneren. Als de patiënt wel naar huis kan, dan kan de revalidatie ook poliklinisch plaatsvinden
(in een revalidatiecentrum of ziekenhuis). Is de verwachting dat de revalidatie heel lang (meer dan
een jaar) gaat duren, dan vindt de behandeling vaak plaats in een verpleeghuis (GRZ): dit is minder
intensief en kot meer tijd. Kan soms ook voor gekozen worden als overbrugging naar een klinisch
revalidatieproces.
Revalidatie is ook mede behandeling: je wilt bijvoorbeeld dat een patiënt niet te lang in bed blijft
liggen, om contracturen te voorkomen. Rust zorgt voor verdwijnen van de spiermassa en verstijving.
Het is belangrijk dat de patiënt goed doorbewogen wordt o.l.v. een fysiotherapeut, om dit zo veel
mogelijk te voorkomen en ervoor te zorgen dat de patiënt i.i.g. nog in
een rolstoel terecht kan komen. De revalidatie arts stuurt dit proces
aan en zorgt ervoor dat het plaatsvindt.
Ook wil je bv voorkomen dat doorligwonden (decubitus) ontstaat.
Interactieve vraag 3: wat is geen complicatie die je wil voorkomen in
de ziekenhuisfase van de revalidatie van een dwarslaesiepatiënt?
Decubitus, urineweginfectie, geen controle over de ontlasting,
contractuurvorming. -> geen controle over de ontlasting.
Beslisboom op basis waarvan beslist wordt of er wel of geen
revalidatie nodig is
Deel 2: International classification of functioning, disability and health (ICF)
Registratie van ziekten, diagnoses en doodsoorzaken. Later
nog kwam een classificatie voor problemen op gebied van
menselijk functioneren samenhangend met ziekte en
aandoeningen.
Het is gericht op het formuleren in neutrale/positieve termen
m.b.v. functioneren en de factoren die daarop van invloed
zijn. Termen voor negatieve aspecten zijn wel beschikbaar. Er
wordt niet gesproken over ‘handicap’, maar meer over
‘participatie’. Bevat ook externe en persoonlijke factoren.
Dingen die in het ICF model terug komen zijn:
- Gezondheid beschreven vanuit lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen
- Individueel en maatschappelijk perspectief
- Context en omgevingsfactoren, omdat functioneren afhankelijk is van de omgeving
Beschrijven van functioneren: wat zijn de beperkingen, participatieproblemen, achteruitgang of
achterstand in functioneren?
- Functies: fysiologische en mentale eigenschappen van het menselijk functioneren. Denk aan
sensorische functies en pijn, stem en spraak, functies van circulatiesysteem, hematologisch
systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel.
, - Anatomische eigenschappen: vorm van ledematen/organen/hersenen. Dikte of
aanhechtingsplaats van een spier. Stand van ledemaat, decubitus (doorligwonden, graad 1-
4), scoliose.
- Activiteiten: onderdelen van iemands handelen: zitten, transfers (van bed naar stoel
bewegen), staan, schoonmaken, boodschappen, ADL, formuleren en nemen van beslissingen,
toiletgang, lopen, fietsen.
- Participatie: deelnemen aan maatschappelijk leven, bijv. het verkeer, eigen huishouden, in
openbaar spreken, baan hebben, sporten, gezinsrol/opvoeding, verzorging partner/kind.
- Externe factoren: fysieke en sociale omgeving: huis, aanwezigheid van hulpmiddelen,
werkomgeving (hoe is werk aangepast aan situatie?), kwaliteit van de buitenlucht, vrienden,
sociale normen en geldende wetten.
- Persoonlijke factoren: individuele achtergrond: coping stijl, opleidingsniveau/intelligentie,
motivatie, leerbaarheid, trainbaarheid, geaardheid, geloof.
Interactieve vraag 1: welk onderdeel van het ICF-model behoort tot het domein ‘functies’? Sociale
status, werk/arbeid, traplopen, slikken? -> slikken.
ICF schema heeft een dynamisch karakter: interventies op 1 aspect hebben ook een invloed op de
andere aspecten.
Interactieve vraag 2: Welk onderdeel van het ICF-model behoort tot het domein ‘participatie’?
Stressgevoeligheid, werken als politie agent, jezelf douchen/wassen, fietsen -> werken.
Deel 3: Dwarslaesie
Dwarslaesie: schade aan het ruggenmerg.
Oorzaken: trauma, ziektes (scoliose, tumoren, wervelinzakkingen,
infectieus, etc.).
Trauma’s die een dwarslaesie veroorzaken zijn vaak jonge mannen.
Val van hoogte is de meest voorkomende oorzaak in NL, terwijl bv in
Zuid-Afrika dit steek en schotwonden zijn. Daarom is de etiologie
altijd belangrijk.
Klinisch beeld
Spinale shock fase: direct na ongeval: totale slappe paralyse,
complete areflexie, complete gevoelloosheid. Deze spinale shock
kan enkele weken duren. Daarna ontstaan onder het niveau van de
parese sensibiliteitsstoornissen, spasticiteit, blaas en
darmstoornissen.
Complete dwarslaesie: geen verbetering van functie.
Incomplete dwarslaesie: kan zich mogelijk nog herstellen.
Op radiologische eigenschappen is een incomplete laesie niet van een complete laesie te
onderscheiden, maar het is wel van belang voor de prognose. Je wilt onderzoeken of het ruggenmerg
nog enigszins signalen doorlaat. Dit doe je door te testen of er in het meest caudale deel van je
lichaam nog enigszins gevoel is of spiergevoel -> stuk dat door dermatoom S4 aangestuurd wordt.
Hierin bevindt zich je anus. Voor het onderzoek: vinger tegen de anus: voel je dit? En vervolgens
vinger naar binnen en vragen of de patiënt zijn sfincter aan kan spannen. Als patiënt beide dingen
niet kan, is er een complete dwarslaesie. Je weet dan dat de patiënt nooit meer zal kunnen lopen.
Patiënten casussen zijn minder belangrijk voor tentamen.
HC REVA 1
Deel 1 Introductie in de revalidatiegeneeskunde
Revalidatiegeneeskunde
Doel: Blijvende gevolgen van een ziekte, aandoening of ongeval voorkomen of zo gering mogelijk
houden. De gevolgen van bv ziekte, ongeval, aandoeningen, ouderdom op dagelijks functioneren
zoveel mogelijk beperken en de participatie in het dagelijks leven zo groot mogelijk houden, door:
- Diagnosticeren van verstoord functioneren (oorzaak vastleggen en een prognose maken)
- Verstoord functioneren weer herstellen.
Diagnosegroepen: hersenen, bewegingsapparaat, dwarslaesie, neurologie, chronische pijn, organen,
amputaties.
Chronische pijn: pijn die langer dan 6 maanden aanhoudt. Vaak is er geen duidelijke oorzaak van de
pijn, en wordt de patiënt door de pijn beperkt in zijn dagelijks leven.
Poliklinische revalidatie: de patiënt gaat regelmatig naar de revalidatie-instelling, maar overnacht er
niet. Bij klinische revalidatie blijft de patiënt ook ’s nachts in het revalidatiecentrum. In het ziekenhuis
vindt vaak alleen poliklinische behandeling plaats.
Interactieve vraag 1: Wat is de grootste diagnosegroep die poliklinische revalidatiebehandeling krijgt
in Nederland? -> aandoeningen van het bewegingsapparaat.
Voorbeeld: onderbeenamputatie: meestal als gevolg van vaatlijden (en diabetes is een grote
risicofactor). De stoornis is dan het geamputeerde been (curatieve geneeskunde is gericht op het
herstellen van de stoornis en daarmee de ziekte). De revalidatiearts is dan vooral geïnteresseerd in
de activiteit in het dagelijks leven die daarmee niet meer uitgevoerd kan worden: lopen, en de
participatie die deze patiënt belangrijk vindt: deelname aan de voetbaltraining.
De revalidatiearts moet inschatten of er een indicatie is om een revalidatie te starten. Een deel gaat
bv ook naar de geriatrische zorg, i.p.v. te revalideren.
De doelen van de revalidatie is afhankelijk van de patiënt. Ook moet het meetbaar zijn (eis van
zorgverzekering) en reëel haalbaar.
Bij de revalidatie is een heel team van verschillende specialismen bezig. De revalidatiearts leidt en
coördineert dit proces. Specialismen binnen de revalidatiegeneeskunde: fysiotherapie, ergotherapie,
logopedie, psychologie/orthopedagoog, maatschappelijk werker, orthopedische
instrument/schoenmaker, revalidatiearts, verpleegkundige, handtherapeut.
Prognose is afhankelijk van: ziektebeeld, cognitieve factoren, sociale factoren, omgevingsfactoren.
Interactieve vraag 2: welke discipline is geen onderdeel van een revalidatieteam? Psycholoog,
bewegingsagoog, osteopaat, logopedist? -> osteopaat.
Functionele prognose: voorspelling van het te verwachten niveau van functioneren. Hierin worden
de volgende punten beschreven: communicatie, mobiliteit, ADL, dagbesteding, relaties, psychisch.
,Patiënten hebben een consult in het ziekenhuis. Bij een indicatie voor revalidatie moet je nog kijken
of je dit klinisch of poliklinisch gaat doen. Bij een klinische behandeling: patiënt kan nu niet naar huis,
je verwacht dat de stoornis grote gevolgen op het dagelijks functioneren van de patiënt gaat hebben,
maar verwacht dat de patiënt over een aantal maanden wel zelfstandig in zijn thuissituatie kan
functioneren. Als de patiënt wel naar huis kan, dan kan de revalidatie ook poliklinisch plaatsvinden
(in een revalidatiecentrum of ziekenhuis). Is de verwachting dat de revalidatie heel lang (meer dan
een jaar) gaat duren, dan vindt de behandeling vaak plaats in een verpleeghuis (GRZ): dit is minder
intensief en kot meer tijd. Kan soms ook voor gekozen worden als overbrugging naar een klinisch
revalidatieproces.
Revalidatie is ook mede behandeling: je wilt bijvoorbeeld dat een patiënt niet te lang in bed blijft
liggen, om contracturen te voorkomen. Rust zorgt voor verdwijnen van de spiermassa en verstijving.
Het is belangrijk dat de patiënt goed doorbewogen wordt o.l.v. een fysiotherapeut, om dit zo veel
mogelijk te voorkomen en ervoor te zorgen dat de patiënt i.i.g. nog in
een rolstoel terecht kan komen. De revalidatie arts stuurt dit proces
aan en zorgt ervoor dat het plaatsvindt.
Ook wil je bv voorkomen dat doorligwonden (decubitus) ontstaat.
Interactieve vraag 3: wat is geen complicatie die je wil voorkomen in
de ziekenhuisfase van de revalidatie van een dwarslaesiepatiënt?
Decubitus, urineweginfectie, geen controle over de ontlasting,
contractuurvorming. -> geen controle over de ontlasting.
Beslisboom op basis waarvan beslist wordt of er wel of geen
revalidatie nodig is
Deel 2: International classification of functioning, disability and health (ICF)
Registratie van ziekten, diagnoses en doodsoorzaken. Later
nog kwam een classificatie voor problemen op gebied van
menselijk functioneren samenhangend met ziekte en
aandoeningen.
Het is gericht op het formuleren in neutrale/positieve termen
m.b.v. functioneren en de factoren die daarop van invloed
zijn. Termen voor negatieve aspecten zijn wel beschikbaar. Er
wordt niet gesproken over ‘handicap’, maar meer over
‘participatie’. Bevat ook externe en persoonlijke factoren.
Dingen die in het ICF model terug komen zijn:
- Gezondheid beschreven vanuit lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen
- Individueel en maatschappelijk perspectief
- Context en omgevingsfactoren, omdat functioneren afhankelijk is van de omgeving
Beschrijven van functioneren: wat zijn de beperkingen, participatieproblemen, achteruitgang of
achterstand in functioneren?
- Functies: fysiologische en mentale eigenschappen van het menselijk functioneren. Denk aan
sensorische functies en pijn, stem en spraak, functies van circulatiesysteem, hematologisch
systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel.
, - Anatomische eigenschappen: vorm van ledematen/organen/hersenen. Dikte of
aanhechtingsplaats van een spier. Stand van ledemaat, decubitus (doorligwonden, graad 1-
4), scoliose.
- Activiteiten: onderdelen van iemands handelen: zitten, transfers (van bed naar stoel
bewegen), staan, schoonmaken, boodschappen, ADL, formuleren en nemen van beslissingen,
toiletgang, lopen, fietsen.
- Participatie: deelnemen aan maatschappelijk leven, bijv. het verkeer, eigen huishouden, in
openbaar spreken, baan hebben, sporten, gezinsrol/opvoeding, verzorging partner/kind.
- Externe factoren: fysieke en sociale omgeving: huis, aanwezigheid van hulpmiddelen,
werkomgeving (hoe is werk aangepast aan situatie?), kwaliteit van de buitenlucht, vrienden,
sociale normen en geldende wetten.
- Persoonlijke factoren: individuele achtergrond: coping stijl, opleidingsniveau/intelligentie,
motivatie, leerbaarheid, trainbaarheid, geaardheid, geloof.
Interactieve vraag 1: welk onderdeel van het ICF-model behoort tot het domein ‘functies’? Sociale
status, werk/arbeid, traplopen, slikken? -> slikken.
ICF schema heeft een dynamisch karakter: interventies op 1 aspect hebben ook een invloed op de
andere aspecten.
Interactieve vraag 2: Welk onderdeel van het ICF-model behoort tot het domein ‘participatie’?
Stressgevoeligheid, werken als politie agent, jezelf douchen/wassen, fietsen -> werken.
Deel 3: Dwarslaesie
Dwarslaesie: schade aan het ruggenmerg.
Oorzaken: trauma, ziektes (scoliose, tumoren, wervelinzakkingen,
infectieus, etc.).
Trauma’s die een dwarslaesie veroorzaken zijn vaak jonge mannen.
Val van hoogte is de meest voorkomende oorzaak in NL, terwijl bv in
Zuid-Afrika dit steek en schotwonden zijn. Daarom is de etiologie
altijd belangrijk.
Klinisch beeld
Spinale shock fase: direct na ongeval: totale slappe paralyse,
complete areflexie, complete gevoelloosheid. Deze spinale shock
kan enkele weken duren. Daarna ontstaan onder het niveau van de
parese sensibiliteitsstoornissen, spasticiteit, blaas en
darmstoornissen.
Complete dwarslaesie: geen verbetering van functie.
Incomplete dwarslaesie: kan zich mogelijk nog herstellen.
Op radiologische eigenschappen is een incomplete laesie niet van een complete laesie te
onderscheiden, maar het is wel van belang voor de prognose. Je wilt onderzoeken of het ruggenmerg
nog enigszins signalen doorlaat. Dit doe je door te testen of er in het meest caudale deel van je
lichaam nog enigszins gevoel is of spiergevoel -> stuk dat door dermatoom S4 aangestuurd wordt.
Hierin bevindt zich je anus. Voor het onderzoek: vinger tegen de anus: voel je dit? En vervolgens
vinger naar binnen en vragen of de patiënt zijn sfincter aan kan spannen. Als patiënt beide dingen
niet kan, is er een complete dwarslaesie. Je weet dan dat de patiënt nooit meer zal kunnen lopen.