ontwikkelingspsychologie?
a) Het beschrijven van gedrag op verschillende leeftijden.
b) Het categoriseren van verschillende ontwikkelingsstoornissen.
c) Het begrijpen, voorspellen en voorkomen van problemen.
d) Het in kaart brengen van genetische predisposities voor gedrag.
c
2. Welke ontwikkelingsfase volgt direct na de 'infancy' volgens de stof
voor het tentamen?
a) Early childhood.
b) Middle/late childhood.
c) Toddlerhood.
d) Prenatal development.
c
3. Wat wordt in de ontwikkelingspsychologie verstaan onder 'plasticiteit'?
a) De genetische bepaaldheid van ontwikkeling.
b) De stabiliteit van gedrag gedurende de levensloop.
c) De mogelijkheid dat dingen veranderen in de ontwikkeling.
d) De invloed van cultuur op de ontwikkeling.
c
4. Een onderzoeker observeert kinderen op een schoolplein tijdens het
spelen. Van welke vorm van observatie is hier sprake?
a) Gestructureerde observatie.
b) Laboratoriumobservatie.
c) Naturalistische observatie.
d) Zelfrapportage.
, c
5. Wat is een belangrijk voordeel van fysiologische metingen in
ontwikkelingspsychologisch onderzoek?
a) Ze zijn altijd toepasbaar bij alle leeftijden en diersoorten.
b) De dataverwerking en analyse zijn doorgaans eenvoudig.
c) De interpretatie naar psychologische processen is altijd direct
duidelijk.
d) Het is een relatief objectieve manier van meten.
d
6. Wat is een kenmerk van een crosssectioneel onderzoeksdesign?
a) Het volgen van dezelfde groep mensen over een langere periode.
b) Het verzamelen van data op één moment van verschillende groepen
mensen.
c) Het manipuleren van een onafhankelijke variabele om het effect op
een afhankelijke variabele te meten.
d) Het in detail bestuderen van één enkel individu of een kleine groep.
b
7. Wat is het 'genotype' van een organisme?
a) Het observeerbare resultaat van de interactie tussen genen en
omgeving.
b) De fysieke verschijning van een organisme.
c) De genetische code (DNA).
d) De eiwitten die door het DNA worden gecodeerd.
c
8. Wat is 'natuurlijke selectie' in de evolutietheorie?
a) Het bewust uitkiezen van partners op basis van gewenste
eigenschappen.
, b) De willekeurige mutatie van genen over generaties.
c) Het proces waarbij organismen die het best bij hun omgeving passen,
meer kans hebben om te overleven en zich voort te planten.
d) De ontwikkeling van nieuwe eigenschappen door leren tijdens het
leven.
c
9. Wat is een mogelijk gevolg van chronische stress op lange termijn?
a) Verbeterde spijsvertering.
b) Verlaagde kans op cardiovasculaire problemen.
c) Verhoogde kans op diabetes type 2.
d) Verbeterde groei bij kinderen.
c
10. Waarom kan het beloningsgevoel voor vet- en suikerrijk eten nu tegen
ons werken?
a) Omdat ons lichaam deze voedingsstoffen niet meer nodig heeft.
b) Omdat we nu te weinig bewegen om deze energie te verbranden.
c) Omdat dit beloningssysteem evolutionair is ontstaan in een tijd van
schaarste, die nu niet meer geldt, waardoor we de neiging hebben te veel
te eten.
d) Omdat vet- en suikerrijk eten niet meer lekker smaakt.
c
11. Wat is 'niche construction'?
a) Het proces waarbij dieren zich volledig aanpassen aan een bestaande
omgeving.
b) De specifieke omgeving die een diersoort voor zichzelf creëert.
c) De overerving van genen van de ene generatie op de andere.
d) Het leren van nieuwe vaardigheden door trial and error.
B
, 12. Wat is volgens de tekst de menselijke 'niche'?
a) Het fysieke klimaat waarin mensen leven.
b) Het genetische materiaal dat mensen delen.
c) Cultuur, inclusief geleerde kennis, ideeën, normen en instituten.
d) De individuele psychologische flexibiliteit van mensen.
c
13. Wat kenmerkt diersoorten met een 'r-strategie'?
a) Weinig nageslacht en een lange levensspanne.
b) Onvolwassen geboren en veel ouderlijke zorg nodig.
c) Veel nageslacht, volwassen geboren en weinig ouderschap nodig
d) Late seksuele volwassenheid en lage reproductie.
c
14. Wat is een belangrijk aspect van 'sociale cognitie' dat bij mensen meer
ontwikkeld is dan bij mensapen?
a) Fysieke kracht en motorische vaardigheden.
b) Het vermogen om objecten te manipuleren.
c) Het vermogen om te leren door instructie en imitatie van anderen.
d) De perceptie van diepte en afstand.
c
15. Wat is 'social referencing' in de context van baby's?
a) Het vermogen van baby's om hun eigen emoties te reguleren.
b) Het gebruiken van de emotionele reacties van verzorgers om te
bepalen hoe te reageren in nieuwe situaties.
c) Het imiteren van de gezichtsuitdrukkingen van anderen.