Differentiatie H1 elektriciteit niveau 1 Vwo
De opgave gaan over het meegeleverde schema. In het schema zie je hoe
elektrische energie gemaakt wordt, hoe deze getransporteerd wordt tot hoe de
elektrische energie aankomt bij je elektrische apparaten bij je thuis.
1. Energiecentrale
1 Noem vier bronnen die gebruikt worden om de warmte in een elektriciteitscentrale
op te wekken.
2 In de transformator wordt de spanning omgezet van 20 kV naar 380 kV. Wat kun
je aangeven over de verhouding tussen de windingen van de transformator.
2. Energietransport
3 Hoogspanningskabels hebben een spanning van 380 kV. Deze hoge spanning
leidt tot een kleiner energieverlies. Dit komt omdat de stroomsterkte dan kleiner
wordt en de draden daardoor minder warm worden. Leg uit waarom je een
kleinere stroomsterkte krijgt als je een grotere spanning hebt bij het transporteren
van de zelfde hoeveelheid energie.
4 Wat is de reden dat vogels zonder gevaar op de kabels van de
hoogspanningsmasten kunnen gaan zitten.
5 In transformatorhuisjes bij dorpen of wijken word de spanning van 380 kV terug
gebracht naar 10 kV. Wat kun je aangeven over de verhouding tussen de
windingen van de transformator.
3. Huisinstallatie
6 Op de energiemeter staat een stand van 118 kWh. Bereken hoeveel J dit is.
7 Welke twee oorzaken zijn er voor een te grote stroomsterkte op een groep?
8 Op hoeveel ampère zijn de meeste groepen in huis afgezekerd?
9 Welk onderdeel van de huisinstallatie zorgt er voor dat een persoon geen te grote
stroom door zijn/haar lichaam krijgt?
4. Groep 1
10 Bereken hoe groot de stroomsterkte is die naar het tostiijzer loopt.
11 Bereken hoeveel energie de waterkoker gebruikt als deze 5 minuten aanstaat.
, Differentiatie H1 elektriciteit niveau 2 Vwo
De opgave gaan over het meegeleverde schema. In het schema zie je hoe
elektrische energie gemaakt wordt, hoe deze getransporteerd wordt tot hoe de
elektrische energie aankomt bij je elektrische apparaten bij je thuis.
1. Energiecentrale
1 Leg uit op welke manier de generator de bewegingsenergie omzet naar
elektrische energie.
2 De transformator maakt van een spanning van 20 kV een spanning van 380 kV.
De primaire spoel heeft 658 winding. Bereken het aantal winding op de secundaire
spoel.
2. Energietransport
3 Bij de hoogspanningskabels loopt een stroom van 5000 kA bij een spanning van
380 kV. Dat transport van enrgie kost energie. Bij deze hoogspanning kabels geldt
een spannings verlies van 15 kV. Bereken het vermogensverlies van de
hoogspanningskabels.
4 In het transformatorhuisje bij het dorp wordt de overgebleven spanning van 365 kV
naar 10 kV gebracht. Bereken de stroomsterkte die na het transformatorhuis door
de draden loopt. Ga er vanuit dat het een ideale transformator betreft.
3. en 4. Huisinstallatie en groep 1
5 De energiemeter geeft een energie van 118 kWh aan. Bereken hoe lang de lamp
op groep 1 aan moet staan om de stand naar 125 kWh te brengen.
6 Bereken of er overbelasting plaatsvindt bij groep 1.
7 De waterkoker is kapot, hierdoor komt de buitenkant onder stroom te staan. Het
stopcontact waar de waterkoker op aangesloten zit is niet geaard. Als de bewoner
van het huis de waterkoker aanraakt krijgt deze een schok en slaat de
aardlekschakelaar uit. Hoe groot moet de lekstroom minstens zijn en hoe
detecteerd de aardlekschakelaar dat deze zo groot is.
8 De oven wordt gemiddeld 10 minuten per dag gebruikt. Bereken hoeveel het
elektrische energieverbruik van de oven kost per jaar. Neem 1 kWh kost € 0,23.
De opgave gaan over het meegeleverde schema. In het schema zie je hoe
elektrische energie gemaakt wordt, hoe deze getransporteerd wordt tot hoe de
elektrische energie aankomt bij je elektrische apparaten bij je thuis.
1. Energiecentrale
1 Noem vier bronnen die gebruikt worden om de warmte in een elektriciteitscentrale
op te wekken.
2 In de transformator wordt de spanning omgezet van 20 kV naar 380 kV. Wat kun
je aangeven over de verhouding tussen de windingen van de transformator.
2. Energietransport
3 Hoogspanningskabels hebben een spanning van 380 kV. Deze hoge spanning
leidt tot een kleiner energieverlies. Dit komt omdat de stroomsterkte dan kleiner
wordt en de draden daardoor minder warm worden. Leg uit waarom je een
kleinere stroomsterkte krijgt als je een grotere spanning hebt bij het transporteren
van de zelfde hoeveelheid energie.
4 Wat is de reden dat vogels zonder gevaar op de kabels van de
hoogspanningsmasten kunnen gaan zitten.
5 In transformatorhuisjes bij dorpen of wijken word de spanning van 380 kV terug
gebracht naar 10 kV. Wat kun je aangeven over de verhouding tussen de
windingen van de transformator.
3. Huisinstallatie
6 Op de energiemeter staat een stand van 118 kWh. Bereken hoeveel J dit is.
7 Welke twee oorzaken zijn er voor een te grote stroomsterkte op een groep?
8 Op hoeveel ampère zijn de meeste groepen in huis afgezekerd?
9 Welk onderdeel van de huisinstallatie zorgt er voor dat een persoon geen te grote
stroom door zijn/haar lichaam krijgt?
4. Groep 1
10 Bereken hoe groot de stroomsterkte is die naar het tostiijzer loopt.
11 Bereken hoeveel energie de waterkoker gebruikt als deze 5 minuten aanstaat.
, Differentiatie H1 elektriciteit niveau 2 Vwo
De opgave gaan over het meegeleverde schema. In het schema zie je hoe
elektrische energie gemaakt wordt, hoe deze getransporteerd wordt tot hoe de
elektrische energie aankomt bij je elektrische apparaten bij je thuis.
1. Energiecentrale
1 Leg uit op welke manier de generator de bewegingsenergie omzet naar
elektrische energie.
2 De transformator maakt van een spanning van 20 kV een spanning van 380 kV.
De primaire spoel heeft 658 winding. Bereken het aantal winding op de secundaire
spoel.
2. Energietransport
3 Bij de hoogspanningskabels loopt een stroom van 5000 kA bij een spanning van
380 kV. Dat transport van enrgie kost energie. Bij deze hoogspanning kabels geldt
een spannings verlies van 15 kV. Bereken het vermogensverlies van de
hoogspanningskabels.
4 In het transformatorhuisje bij het dorp wordt de overgebleven spanning van 365 kV
naar 10 kV gebracht. Bereken de stroomsterkte die na het transformatorhuis door
de draden loopt. Ga er vanuit dat het een ideale transformator betreft.
3. en 4. Huisinstallatie en groep 1
5 De energiemeter geeft een energie van 118 kWh aan. Bereken hoe lang de lamp
op groep 1 aan moet staan om de stand naar 125 kWh te brengen.
6 Bereken of er overbelasting plaatsvindt bij groep 1.
7 De waterkoker is kapot, hierdoor komt de buitenkant onder stroom te staan. Het
stopcontact waar de waterkoker op aangesloten zit is niet geaard. Als de bewoner
van het huis de waterkoker aanraakt krijgt deze een schok en slaat de
aardlekschakelaar uit. Hoe groot moet de lekstroom minstens zijn en hoe
detecteerd de aardlekschakelaar dat deze zo groot is.
8 De oven wordt gemiddeld 10 minuten per dag gebruikt. Bereken hoeveel het
elektrische energieverbruik van de oven kost per jaar. Neem 1 kWh kost € 0,23.