Differentiatie natuurkunde Niveau 1 VH 3 Straling
1 Geef de definitie van ‘de halveringstijd’.
2 Welk ander woord wordt hiervoor ook vaak gebruikt?
3 Leg uit of een stof met zeer instabiele kernen een grote of een lage halveringstijd
heeft.
4 De halveringstijd van radioactief barium is 12 s. Stel dat je op tijdstip t = 0,0 s
begint met 500.000 atomen van deze stof. Vul onderstaande tabel in.
5 Maak een grafiek van deze tabel in het diagram hieronder.
6 Trek een vloeiende lijn door de meetpunten.
7 Bepaal uit de grafiek hoeveel procent van het beginaantal bariumatomen nog over
is na 40 s.
8 Bepaal uit die grafiek hoeveel bariumdeeltjes zijn vervallen op t = 30 s.
Een andere radioactieve stof, genaamd xenon, heeft een halveringstijd van 16 s.
9 Je begint ook met 500.000 atomen xenon op t = 0,0 s. Zijn er dan na 30 seconden
meer of minder atomen vervallen als je het vergelijkt met barium?
t (s) N
= aantal atomen
0,0
12
24
36
48
60
72
84
96
108
120
, Differentiatie natuurkunde Niveau 2 VH 3 Straling
Hieronder staat in een (N,t)-grafiek het verval van een radioactieve stof. Het aantal
radioactieve deeltjes N is uitgezet tegen de tijd.
1 Bepaal de halveringstijd van deze radioactieve stof. Laat duidelijk zien hoe je dat
gedaan hebt.
2 Bereken hoeveel deeltjes vervallen zijn op t = 22 min.
3 Een andere stof heeft een halveringstijd die 3,0 minuten langer is. Teken de
grafieklijn van deze stof in dezelfde grafiek. Laat minstens drie nieuwe meetpunten
zien.
4 Een isotoop heeft op een bepaald tijdstip nog 124 radioactieve atomen. Een uur
eerder waren er in dat stukje stof 3968 radioactieve atomen. Bereken de
halveringstijd van die stof.
5 Leg uit wat wordt bedoeld met het begrip ‘activiteit’. Welke eenheid hoort hierbij?
6 Bereken de procentuele afname van de activiteit van dit isotoop in dit uur.
7 Geldt die afname van activiteit ook in het volgende uur? Beargumenteer je
antwoord.
1 Geef de definitie van ‘de halveringstijd’.
2 Welk ander woord wordt hiervoor ook vaak gebruikt?
3 Leg uit of een stof met zeer instabiele kernen een grote of een lage halveringstijd
heeft.
4 De halveringstijd van radioactief barium is 12 s. Stel dat je op tijdstip t = 0,0 s
begint met 500.000 atomen van deze stof. Vul onderstaande tabel in.
5 Maak een grafiek van deze tabel in het diagram hieronder.
6 Trek een vloeiende lijn door de meetpunten.
7 Bepaal uit de grafiek hoeveel procent van het beginaantal bariumatomen nog over
is na 40 s.
8 Bepaal uit die grafiek hoeveel bariumdeeltjes zijn vervallen op t = 30 s.
Een andere radioactieve stof, genaamd xenon, heeft een halveringstijd van 16 s.
9 Je begint ook met 500.000 atomen xenon op t = 0,0 s. Zijn er dan na 30 seconden
meer of minder atomen vervallen als je het vergelijkt met barium?
t (s) N
= aantal atomen
0,0
12
24
36
48
60
72
84
96
108
120
, Differentiatie natuurkunde Niveau 2 VH 3 Straling
Hieronder staat in een (N,t)-grafiek het verval van een radioactieve stof. Het aantal
radioactieve deeltjes N is uitgezet tegen de tijd.
1 Bepaal de halveringstijd van deze radioactieve stof. Laat duidelijk zien hoe je dat
gedaan hebt.
2 Bereken hoeveel deeltjes vervallen zijn op t = 22 min.
3 Een andere stof heeft een halveringstijd die 3,0 minuten langer is. Teken de
grafieklijn van deze stof in dezelfde grafiek. Laat minstens drie nieuwe meetpunten
zien.
4 Een isotoop heeft op een bepaald tijdstip nog 124 radioactieve atomen. Een uur
eerder waren er in dat stukje stof 3968 radioactieve atomen. Bereken de
halveringstijd van die stof.
5 Leg uit wat wordt bedoeld met het begrip ‘activiteit’. Welke eenheid hoort hierbij?
6 Bereken de procentuele afname van de activiteit van dit isotoop in dit uur.
7 Geldt die afname van activiteit ook in het volgende uur? Beargumenteer je
antwoord.