INTRODUCTIE
Kracht en
beweging
BLIJF IN BEWEGING
Of je nu fietst of in een raceauto rijdt, je hebt kracht nodig om in
beweging te komen. Als je stopt met trappen of gas geven, neemt je
snelheid af. Dat komt door weerstandskrachten die tegen de richting
van je beweging in werken.
Wat weet je al over
kracht en beweging? 136
THEORIE
1 Versnellen en vertragen 138
2 Kracht, massa en
versnelling 148
3 Kracht en arbeid 158
4 Remmen en botsen 166
PRAKTIJK
Werken als
verkeersmanager 176
,
, HOOFDSTUK 4 Kracht en beweging
Wat weet je al over kracht en
beweging?
OPDRACHTEN VOORKENNIS
1 Een slak kruipt 2,36 m omhoog op een boomstam. Hij doet hier 0,45 h over.
Bereken de gemiddelde snelheid van de slak in m/h.
s = 2,36 m; t = 0,45 h
vgem = _s
t
vgem = _2,36 = 5,2 m/h
0,45
2 Reken om.
10 m/s = 36 km/h 30 km/h = 8,3 m/s
0,72 m/s = 2,6 km/h 244 km/h = 67,8 m/s
3 Bereken de zwaartekracht die werkt op een paard met een massa van 550 kg.
m = 550 kg; g = 9,8 N/kg
Fz = m ∙ g
Fz = 550 × 9,8 = 5,4∙103 N
4 Bepaal de resultante op de fietser in figuur 1.
Fvooruit = 230 N; Fachteruit = 150 N Fachteruit Fvooruit
Fres = Fvooruit − Fachteruit 1 cm 100 N
Fres = 230 − 150 = 80 N
figuur 1 Krachten op een fiets.
, INTRODUCTIE HOOFDSTUK 4 Kracht en beweging
5 Hoe beweegt de fietser in figuur 1?
{ A De fietser beweegt versneld.
{ B De fietser beweegt vertraagd.
{ C De fietser beweegt eenparig.
6 Links en rechts staan dezelfde bewegingen: links als (x,t)-diagram, rechts als (v,t)-diagram.
Trek een lijn van elk (x,t)-diagram naar het bijbehorende (v,t)-diagram.
(x,t)-diagram (v,t)-diagram
A 50 1 150
→ v (m/s)
→ x (m)
140
40 130
120
30 110
100
20 90
10 80
70
0 ⃝ ⃝ 60
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 50
→ t (s) 40
30
20
10
0
0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0
→ t (s)
B 100 2 10
→ x (m)
→ v (m/s)
90 8
80
6
70
60
4
50 2
40 ⃝ ⃝
0
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
30
→ t (s)
20
10
0
0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0
→ t (s)
C 100 3 15
→ x (m)
→ v (m/s)
90 14
80 13
70 12
60 11
50 10
40 9
30 8
20 7
⃝ ⃝
10 6
0
0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 5
→ t (s) 4
3
2
1
0
0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0
→ t (s)