H1 Het sociologisch perspectief
Thema 1: inleiding
1.1 Het sociale en de sociologie
1.2 Over sociale relaties, bindingen en verbanden
1.3 Van veralgemeende afhankelijkheid naar wereldsamenleving
1.4 Sociologische verbeeldingskracht
1.5 Sociologie en sociaal engagement
Thema 2: Sociale stratificatie, armoede & beleid
1.6 Goede bedoelingen en hun onbedoelde gevolg
1.7 Sociologie en theorie
H2 Ordening en invloed van het sociale
2.1 Structuren en verwachtingen
2.2 Objectieve en subjectieve sociale ongelijkheid
2.3 De hedendaagse klassenmaatschappij
Thema 3: Reproductie van ongelijkheid in gezin & onderwijs
2.4 Sociale ongelijkheid in meervoud
2.5 Zelfdwang en socialisatie
2.6 Primaire, secundaire en tertiaire socialisatie
2.7 Persoonlijke en collectieve identiteit
H3 Het hedendaagse samenleven
Thema 4: Modernisering, globalisering, (wereld)bevolking
3.1 De gedifferentieerde maatschappij
3.2 De moderniteit van de sociologie
3.3 Globalisering, of leven in de wereldsamenleving
3.4 Over individualisering
3.5 Het geïndividualiseerde samenleven
3.6 Voorbij de moderniteit
,H4 Voorlopers en grondleggers van de sociologie
Thema 5: Klimaatverandering en het milieuvraagstuk
4.1 De ontdekking van het sociale
4.2 De ‘uitvinding’ van de sociologie
4.3 Marx over klassen
4.4 Marx’ materialistische maatschappijvisie
4.5 Durkheims sociale feiten
4.6 Durkheims visie op sociale orde
4.7 Webers ‘begrijpende’ sociologie
4.8 Weber over typen van handelen en sociale orde
4.9 Kapitalisme volgens Weber
H5 Sociologische visies in meervoud
Thema 6: Gender en partnerkeuze
5.1 Van Marx naar Kritische Theorie
5.2 De conflictsociologie traditie
5.3 Bourdieus klassenmodel
5.4 Klassenhabitus en cultuur
5.5 Sociale systeemtheorie, versie Parsons
5.6 Mertons functionalisme
5.7 Sociale systeemtheorie, versie Luhmann
5.8 Symbolisch interactionisme volgens Blumer
5.9 Basistegenstellingen binnen de sociologie
H6 Cultuur als gedachtegoed
Thema 7: Migratie, culturele diversiteit en racisme
6.1 Het mentalistisch cultuurbegrip
6.2 Geïnstitutionaliseerde cultuur
6.3 Durkheim over zelfdoding
6.4 De anomische mens
6.5 Mertons herformulering van het anomiebegip
6.6 Vele cultuurdiagnoses
6.7 Cultuur als ideologie
,H7 Cultuur als betekenisgeving
Thema 8: Gezinnen en de coronapandemie
7.1 Het interpretatief cultuurbegrip
7.2 Taal als cultuur
7.3 Interpreteren als classificeren
7.4 Culturele interpretatiestrijd en cultureel grenswerk
7.5 Gerealiseerde betekenissen
7.6 Tekenwaarde en interpretatie- of definitiemacht
7.7 ’Kennis is macht’
H8 Socialisatie en sociale controle
8.1 De vier dimensies van socialisatie
8.2 Freuds visie op socialisatie
8.3 Het gesocialiseerde individu volgens Mead
8.4 Van socialisatie naar sociale controle
8.5 Sociale controle, breed bekeken
H9 Sociale rollen en relaties
Thema 9: Sociale rollen en gezinsrelaties
9.1 De mens als rollenspeler
9.2 Over rollenconflicten
9.3 ‘Role making’, of de actieve ‘homo sociologicus’
9.4 Goffmans dramaturgisch perspectief
9.5 Parson’s patroonvariabele
9.6 De verzelfstandiging van persoonlijke relaties
H10 Van groeperingen naar organisaties
, H1: Het sociologisch perspectief
Thema 1: Inleiding
Boek p. 13-39
1.1 Het sociale en de sociologie
Sociologie: wetenschap van “het sociale”
Latijn: socius (=metgezel) + Grieks: logos (=studie)
Sociologisch perspectief: wijze waarop sociologie het sociale benaderd
(anders dan politieke wetenschappen, antropologie…)
Basisvragen sociologie
1. Wat verklaart de ordening van het samenleven? (= sociale
ordevraagstuk)
o Regelmaat: voorspelbaar / onvoorspelbaar
2. Hoe wordt het individuele beïnvloed door het
maatschappelijke? (= sociale invloedenvraagstuk)
3. In wat voor samenleving leven wij? (=
maatschappijdiagnose)
o Anders dan vroeger? nieuwe tendensen?
4. Hoe tot empirisch onderbouwde sociologische kennis komen? (=
methodologie)
o Maatschappelijke / historische context speelt rol: contexten
bestuderen kwalitatief: motivaties
o Statistiek Kwantitatief: hoeveelheden
sociologische driehoek (theorie, empirie, sociale sturing)
1.2 Over sociale relaties, bindingen en verbanden
Neutrale beschrijving ‘sociaal’ = handelen van een actor is gericht op
handelen van een andere actor (Max Weber)
Actor: iemand / iets met Agency = handelingsvermogen: afhankelijk
handelen (individuele actoren / collectieve actoren: in naam van
organisatie, staat…)
Sociale relaties / verhoudingen / betrekking = sociale handelingen
van meer actoren raken (wederzijds) verweven met elkaar
= samenhandelen: