Pathologie 3.2
Week 1 Immunologie
Inleiding
Immuun (afweer) systeem bescherming tegen pathogenen en
lichaamsvreemde stoffen (antigenen). Allergeen is ook een lichaamsvreemde
stof, het verschil is dat de antigenen geen allergische reactie oproept en
allergeen wel.
- De buitenwereld bevat allemaal stoffen die we niet in ons willen, met name
beestjes. Om dit te bestrijden heeft het lichaam een afweersysteem.
- Pathogenen zijn ziekmakende micro-organismen.
- Immunologie gaat over specifieke afweer.
- Belangrijk i.v.m. begrijpen voedselallergie en auto-immuunziekten.
Het afweersysteem is de basis voor voedselallergenen.
Auto-immuunziekten reuma; diabetes (afstoot voor betacellen)
Het afweersysteem (immuunsysteem)
- Aspecifieke afweersysteem: aangeboren
Cellulair (fagocyten) macrofagen en dendritische cellen in weefsels
en neutrofielen, monocyten in bloed.
Humoraal complementfactoren
- Specifieke afweersysteem: verworven, vanaf je geboorte train je je
afweersysteem en je krijgt van de overheid vaccinaties.
Cellulair lymfocyten
Humoraal antistoffen
Het afweersysteem heeft twee delen het aspecifieke afweersysteem en het
specifieke afweerststeem. Met het aspecifieke deel wordt je geboren en het
specifieke afweerdeel moet trainen, het begin al bij de geboorte. Je kunt hierbij
onderscheid maken tussen humorale en cellulair. Lymfocyten en antistoffen zijn
deel van het verworven afweersysteem.
Fagocytose; aspecifieke afweer
- Cellen die micro organismen of lichaamsvreemde stoffen kunnen
herkennen en opeten.
- Vervolgend presenteren ze een deeltje aan het specifieke afweersysteem.
Specifieke afweersysteem – cellulair
- Lymfocyten in lymfoïde organen (bijvoorbeeld lymfeknopen) en bloed. Als
je verkouden bent heb je wel eens pijnlijke bobbeltjes in je hals en dat zijn
lymfeklieren die actief zijn, als je verkouden bent heb je te maken met een
lichaamsvreemde stof.
- Lymfocyten:
B-cellen geproduceerd in het beenmerg
T-cellen geproduceerd in de thymus
o T-helper cel (ook effectorcellen)
o Cytotoxische T-cel (giftig voor cellen, kunnen cellen doden waar
bijvoorbeeld kanker ontstaat.
Lymfocyten kunnen onderscheid maken in B- en T-lymfocyten. B staat voor
beenmerg, daar worden ze geproduceerd. T-cellen worden geproduceerd in de
1
,thymus, dit is een klein orgaantje. De t-cellen kunnen je onderverdelen in de T-
helpercel en ook de cytotoxische t cel, die cel is giftig voor andere cellen.
Als we in het bloed gaan kijken zitten er heel veel rode bloedcellen en
af en toe als je kijkt zit er ook een lymfocyt. Ze zitten niet alleen in het
bloed.
Lymfoïde organen organen waar lymfocyten worden geproduceerd of
opgehouden
- Primaire lyfoïde organen (geproduceerd):
Thymus (zwezerik)
Beenmerg
- Secundaire lymfoïde organen (opgehouden):
Neus en keelamandelen
Lymfklieren/vaten
Milt
Peyersplaten in darmen
Ileum, laatste deel van de dunne darm. In die darm zit de grootste secundaire
lymfoïde orgaan, de peyersplaten. Die stikken van de ontstekingscellen. Het is zo
belangrijk dat er in de darmen een hele goede afweer zit, omdat daar de opname
van voedingsstoffen plaats vindt en er ook veel bacteriën in de darmen zitten.
B-cellen
- B-cel specifiek antistof aan celmembraan
- Herkent één bepaalde structuur
- Activatie door contact met antigeen
- Vormt na activatie plasmacellen en memory cellen met specifieke antistof
met behulp van t-helpercel
- Plasmacel produceert specifiek antistof tegen antigeen (humoraal)
- Door vorming aantal memory cellen, volgende keer snellere en sterkere
reactie op nieuw contact specifiek antigeen (ontstaan van immuniteit)
B-Cellen, komen uit het beenmerg. Het specifieke afweer kan een molecuul
herkennen tussen een miljard andere moleculen. Hij reageert alleen op die ene
molecuul(specifiek). Heeft specifiek antistof membraan die 1 bepaalde structuur
kan herkennen. Als die in contact komt met het antigeen, dan gaat die reageren
en wordt die geactiveerd, het stofje waar die op reageert noem je het antigeen.
De B-cel d splitst zich dan in plasmacellen en memorycellen. Die plasmacel gaat
dan allemaal antistoffen maken tegen dat specifieke antigeen (humoraal
gedeelte). De T-helpercel zorgt voor de activatie.
Rechter plaatje. Boven zie je het antigeen (het micro-organismen dat ons
binnenvalt). Door de B-cel wordt het herkent en dan wordt die
‘geactiveerd’. De B-cel gaat zich vervolgens vormen in een plasmacel, die
specifieke antistoffen gaat maken voor het antigeen. Plaatje onderin. Ook
ontstaan er dan memorycellen die heel belangrijk zijn, zij staan klaar voor
als er de volgende keer weer het zelfde micro-organismen binnenkomt.
Dit is ook hoe een vaccinatie werkt.
2
, (plaatje dia 11)
Hoe langer je in het leven rond loopt, des te beter is je immuunsysteem.
T-cel
- 2 soorten T-cel
Cytotoxische cel
T-helpercel
- T-cel kan alleen antigeen herkennen die worden gepresenteerd door APC
(antigeen presenterende cel)
Antigeen presenterende cel is een fagocyt die een antigeen als het
ware ‘opeet’ en een deel van de buitenkant kan presenteren
- Cytotoxische T-cel doodt de geïnfecteerde cel of kankercel
- T-helper cel assisteert ander immuun cellen bijvoorbeeld B-cel en
cytotoxische T-cel, zowel stimulatie als remming
Je hebt twee soorten T-cellen. De T-helper cel heeft een bepaalde functie die de
B-cel stimuleert om plasmacellen te maken. Je hebt ook nog de cytotoxische T-
cel. Je hebt bepaalde virussen die gaan in cellen zitten. Dan moeten de cellen
dood, en dat is wat de cytotoxische T-cel doet. Deze cellen kunnen ook
bijvoorbeeld kankercellen zijn. De T-cel kan alleen antigenen herkennen die
worden gepresenteerd door APC. De APC presenteren wat aan de T-cel als ze wat
hebben ‘opgegeten’ waar ze wat mee moeten. Daarop reageert de cytotoxische
T-cel. Die T-cel ziet dat en die gaat dat kapot maken.
Specifieke afweersysteem – humoraal (antistoffen)
- Bestaat uit antistoffen tegen antigenen (lichaamsvreemde stoffen)
- Lichaam kan bijna oneindig verschillende antistoffen
maken
- Antistoffen bestaan uit immunoglobulinen (IG)
- Productie door speciale lymfocyten B-cellen
(plasmacel)
De bovenstukjes van de antistoffen zijn allemaal net iets
anders, ze hebben allemaal een andere vorm voor een
bijpassend antigeen
Immunoglobulines (antistoffen/antilichamen)
3
Week 1 Immunologie
Inleiding
Immuun (afweer) systeem bescherming tegen pathogenen en
lichaamsvreemde stoffen (antigenen). Allergeen is ook een lichaamsvreemde
stof, het verschil is dat de antigenen geen allergische reactie oproept en
allergeen wel.
- De buitenwereld bevat allemaal stoffen die we niet in ons willen, met name
beestjes. Om dit te bestrijden heeft het lichaam een afweersysteem.
- Pathogenen zijn ziekmakende micro-organismen.
- Immunologie gaat over specifieke afweer.
- Belangrijk i.v.m. begrijpen voedselallergie en auto-immuunziekten.
Het afweersysteem is de basis voor voedselallergenen.
Auto-immuunziekten reuma; diabetes (afstoot voor betacellen)
Het afweersysteem (immuunsysteem)
- Aspecifieke afweersysteem: aangeboren
Cellulair (fagocyten) macrofagen en dendritische cellen in weefsels
en neutrofielen, monocyten in bloed.
Humoraal complementfactoren
- Specifieke afweersysteem: verworven, vanaf je geboorte train je je
afweersysteem en je krijgt van de overheid vaccinaties.
Cellulair lymfocyten
Humoraal antistoffen
Het afweersysteem heeft twee delen het aspecifieke afweersysteem en het
specifieke afweerststeem. Met het aspecifieke deel wordt je geboren en het
specifieke afweerdeel moet trainen, het begin al bij de geboorte. Je kunt hierbij
onderscheid maken tussen humorale en cellulair. Lymfocyten en antistoffen zijn
deel van het verworven afweersysteem.
Fagocytose; aspecifieke afweer
- Cellen die micro organismen of lichaamsvreemde stoffen kunnen
herkennen en opeten.
- Vervolgend presenteren ze een deeltje aan het specifieke afweersysteem.
Specifieke afweersysteem – cellulair
- Lymfocyten in lymfoïde organen (bijvoorbeeld lymfeknopen) en bloed. Als
je verkouden bent heb je wel eens pijnlijke bobbeltjes in je hals en dat zijn
lymfeklieren die actief zijn, als je verkouden bent heb je te maken met een
lichaamsvreemde stof.
- Lymfocyten:
B-cellen geproduceerd in het beenmerg
T-cellen geproduceerd in de thymus
o T-helper cel (ook effectorcellen)
o Cytotoxische T-cel (giftig voor cellen, kunnen cellen doden waar
bijvoorbeeld kanker ontstaat.
Lymfocyten kunnen onderscheid maken in B- en T-lymfocyten. B staat voor
beenmerg, daar worden ze geproduceerd. T-cellen worden geproduceerd in de
1
,thymus, dit is een klein orgaantje. De t-cellen kunnen je onderverdelen in de T-
helpercel en ook de cytotoxische t cel, die cel is giftig voor andere cellen.
Als we in het bloed gaan kijken zitten er heel veel rode bloedcellen en
af en toe als je kijkt zit er ook een lymfocyt. Ze zitten niet alleen in het
bloed.
Lymfoïde organen organen waar lymfocyten worden geproduceerd of
opgehouden
- Primaire lyfoïde organen (geproduceerd):
Thymus (zwezerik)
Beenmerg
- Secundaire lymfoïde organen (opgehouden):
Neus en keelamandelen
Lymfklieren/vaten
Milt
Peyersplaten in darmen
Ileum, laatste deel van de dunne darm. In die darm zit de grootste secundaire
lymfoïde orgaan, de peyersplaten. Die stikken van de ontstekingscellen. Het is zo
belangrijk dat er in de darmen een hele goede afweer zit, omdat daar de opname
van voedingsstoffen plaats vindt en er ook veel bacteriën in de darmen zitten.
B-cellen
- B-cel specifiek antistof aan celmembraan
- Herkent één bepaalde structuur
- Activatie door contact met antigeen
- Vormt na activatie plasmacellen en memory cellen met specifieke antistof
met behulp van t-helpercel
- Plasmacel produceert specifiek antistof tegen antigeen (humoraal)
- Door vorming aantal memory cellen, volgende keer snellere en sterkere
reactie op nieuw contact specifiek antigeen (ontstaan van immuniteit)
B-Cellen, komen uit het beenmerg. Het specifieke afweer kan een molecuul
herkennen tussen een miljard andere moleculen. Hij reageert alleen op die ene
molecuul(specifiek). Heeft specifiek antistof membraan die 1 bepaalde structuur
kan herkennen. Als die in contact komt met het antigeen, dan gaat die reageren
en wordt die geactiveerd, het stofje waar die op reageert noem je het antigeen.
De B-cel d splitst zich dan in plasmacellen en memorycellen. Die plasmacel gaat
dan allemaal antistoffen maken tegen dat specifieke antigeen (humoraal
gedeelte). De T-helpercel zorgt voor de activatie.
Rechter plaatje. Boven zie je het antigeen (het micro-organismen dat ons
binnenvalt). Door de B-cel wordt het herkent en dan wordt die
‘geactiveerd’. De B-cel gaat zich vervolgens vormen in een plasmacel, die
specifieke antistoffen gaat maken voor het antigeen. Plaatje onderin. Ook
ontstaan er dan memorycellen die heel belangrijk zijn, zij staan klaar voor
als er de volgende keer weer het zelfde micro-organismen binnenkomt.
Dit is ook hoe een vaccinatie werkt.
2
, (plaatje dia 11)
Hoe langer je in het leven rond loopt, des te beter is je immuunsysteem.
T-cel
- 2 soorten T-cel
Cytotoxische cel
T-helpercel
- T-cel kan alleen antigeen herkennen die worden gepresenteerd door APC
(antigeen presenterende cel)
Antigeen presenterende cel is een fagocyt die een antigeen als het
ware ‘opeet’ en een deel van de buitenkant kan presenteren
- Cytotoxische T-cel doodt de geïnfecteerde cel of kankercel
- T-helper cel assisteert ander immuun cellen bijvoorbeeld B-cel en
cytotoxische T-cel, zowel stimulatie als remming
Je hebt twee soorten T-cellen. De T-helper cel heeft een bepaalde functie die de
B-cel stimuleert om plasmacellen te maken. Je hebt ook nog de cytotoxische T-
cel. Je hebt bepaalde virussen die gaan in cellen zitten. Dan moeten de cellen
dood, en dat is wat de cytotoxische T-cel doet. Deze cellen kunnen ook
bijvoorbeeld kankercellen zijn. De T-cel kan alleen antigenen herkennen die
worden gepresenteerd door APC. De APC presenteren wat aan de T-cel als ze wat
hebben ‘opgegeten’ waar ze wat mee moeten. Daarop reageert de cytotoxische
T-cel. Die T-cel ziet dat en die gaat dat kapot maken.
Specifieke afweersysteem – humoraal (antistoffen)
- Bestaat uit antistoffen tegen antigenen (lichaamsvreemde stoffen)
- Lichaam kan bijna oneindig verschillende antistoffen
maken
- Antistoffen bestaan uit immunoglobulinen (IG)
- Productie door speciale lymfocyten B-cellen
(plasmacel)
De bovenstukjes van de antistoffen zijn allemaal net iets
anders, ze hebben allemaal een andere vorm voor een
bijpassend antigeen
Immunoglobulines (antistoffen/antilichamen)
3